door Lex van Drooge
Deze week discussieerde de gemeenteraad over het idee om winkels voortaan 24 uur per dag te kunnen openen in de stad. De liberalen en hulpliberalen (VVD, D66, en GroenLinks) willen dat dit mogelijk wordt gemaakt.
Blijkbaar beschouwen deze partijen de mogelijkheid om 24 uur per dag te kunnen winkelen als het summum van vrijheid en grootstedelijkheid. Wat het CDA betreft een wat treurige definitie. ‘Ik winkel dus ik ben.’ Het toppunt van grootstedelijk leven is volgens deze partijen blijkbaar dat je om half vier ’s nachts nog een nieuw tuinmeubelset kunt kopen. Ze vergeten echter dat de vrijheid van "ik wil winkelen" voor andere mensen betekent, dat zij moeten werken. En dat dit ten koste kan gaan van de nachtrust van andere burgers.
Los van de principiële vraag of je dit zou moeten willen, zijn er praktische bezwaren: bijvoorbeeld ten aanzien van de veiligheid. Een paar winkels open in de nacht, hoe houd je dat veilig? En hoe voorkom je –in de woorden van burgemeester Eberhard van der Laan— dat “we hier een lekker kluifje neerleggen voor kandidaat-overvallers?” Gelukkig gaf de burgemeester direct een duidelijke waarschuwing af aan de liberalen: nachtelijk winkelen mag geen extra beslag leggen op de politie.
De treurige slotconclusie van de discussie in de raad was dat de meerderheid van de raad niet alleen een pilot wil, maar dat ook ongeacht de uitkomst van die pilot er 24 uur per dag gewinkeld moet kunnen worden in Amsterdam.
Overigens is van het lijdend voorwerp in deze, de winkelier, nog weinig animo voor dit alles vernomen. Ging het de liberale partijen gisteren in de ‘Stoperastolp’ dan misschien alleen maar om een ‘wedstrijdje wie is de liberaalste?’