In de media
Gelderlander: ‘Wij zijn zeer zuinig, wij kijken op een dubbeltje’
woensdag 13 april 2011
Het CDA raakt volgende week definitief zijn heerschappij in Gelderland kwijt. Dan treedt een college van Gedeputeerde Staten aan met maar één CDA-gedeputeerde. De partij die bijna standaard de grootste van Gelderland was, is nu de derde partij geworden.

Hans Esmeijer, Theo Peters en Marijke van Haaren vertrekken. In hun tijd werd de provincie stinkend rijk door de verkoop van Nuon, die vooral vanuit linkse hoek bekritiseerd werd. Zelf kijken ze terug in tevredenheid. „Als er iets is waarmee dit college gefeliciteerd mag worden is het wel met de verkoop van Nuon.”

Nadat Hans Esmeijer in 1999 gedeputeerde was geworden, voelden zijn vrouw en kinderen zich wat ongemakkelijk. Een paar keer in de week kwam een provinciale dienstauto de kersverse bestuurder afhalen. „Mijn vrouw en kinderen waren bezorgd wat voor indruk die grote blauwe auto wel op de buurt moest maken. Die waren daar niet trots op.”

Inmiddels, twaalf jaar verder, is de calvinistische CDA’er Esmeijer overtuigd van het nut en de noodzaak van dienstauto’s. Maar in de samenleving worden de grote auto’s van de provincie steeds vaker bekritiseerd.

Ze staan symbool voor het heersende beeld van Gelderland als een rijke provincie, die zeker na de verkoop van energiebedrijf Nuon baadt in het geld. De drie vertrekkende CDA-gedeputeerden Theo Peters, Hans Esmeijer (beiden na twaalf jaar) en Marijke van Haaren (na acht jaar) bestrijden dat beeld. „Wij hebben een stevig, conservatief beleid gevoerd dat veel heeft opgebracht.”

Was het met de kennis van nu een goed besluit Nuon te verkopen?


Van Haaren:
„Ja, nou en of.”

Peters:
„Het was een verstandig besluit.”

Esmeijer:
„We hebben een geweldige opbrengst gekregen. Het zou nu maar een derde geweest zijn.”

Van Haaren:
„Je vraagt je af: hoe is het toch mogelijk dat we er zoveel voor gekregen hebben? Dat was een gelukje.”

Esmeijer:
„Als er iets is waarmee het college gefeliciteerd moet worden, is het wel met de verkoop van Nuon.”

U wilt dat geld op de bank zetten en met de rente projecten in Gelderland betalen. Inmiddels blijkt dat Gelderland vanwege zijn enorme vermogen minder geld van het rijk krijgt.


Moet Gelderland het Nuon-geld niet gaan uitgeven?


Peters:
„Volgens mij is nog steeds niet bewezen dat we gekort worden omdat we die Nuon-opbrengst hebben. Zuid-Holland wordt ook gekort en die hebben niets. Dus ik weet niet waarom wij gestraft worden.”

Maar je kunt je toch niet voorstellen dat alle gemeenten enorm moeten bezuinigen en dat Gelderland doodleuk 4 miljard op zijn bankrekening
heeft staan?

Peters:
„Dat kan ik me juist heel goed voorstellen. Want het ons afpakken, is zo onrechtvaardig als wat. Wij zijn steeds behoedzaam met ons geld omgegaan. Het is geld van de Gelderse inwoners. Met de rente hebben we netjes geïnvesteerd. Als andere provincies een minder solide beleid hebben gevoerd, is dat hun keus. Ik zou niet weten hoe het kabinet ons dat geld kan afnemen. Dan zou men de Grondwet moeten wijzigen, denk ik.”

Het kabinet kan Gelderland minder uit uw voornaamste inkomstenbron, het Provinciefonds,
geven.

Esmeijer:
„We hebben dat geld niet in de loterij verdiend, hoor. Het is niet een kwestie van geluk.”

Een beetje wel, want het is verkocht op een moment dat de prijs hoog was. Dat was een gelukje , zei u straks zelf.


Van Haaren:
„Dat is zo.”

Esmeijer:
„We hebben altijd heel goed onderhandeld. Onze voorgangers hebben dat ook gedaan. Nuon is ontstaan uit meerdere energiemaatschappijen, waaronder de PGEM. Dat goede, behoedzame beleid heeft Gelderland in deze positie gebracht.”

Peters:
„Wij hebben niet zelf besloten om Nuon te verkopen. Het bedrijf wilde het zelf, stond voor een internationale stap.

Wij als aandeelhouder stonden voor de vraag of we wilden instemmen. Dat hebben we gedaan. Maar wij waren niet uit op geldbejag. We zijn nog steeds niet uit op rendementsbejag. Wij zitten in obligaties, in zaken met een laag risico en een laag rendement. Zodat de Gelderse samenleving tot in lengte van jaren van ons kapitaal kan profiteren.”

Esmeijer:
„Dat is nou rentmeesterschap.

Typisch CDA. Wij zaten niet in Icesave.

Wil je dat noteren? Wij zijn niet in die experimenten gestapt met een hoog rendement en met hoog risico. Iedereen keek meteen naar ons. Die lui met al dat geld, die zullen er wel bijzitten. Nee hoor, wij dus niet!”

Irriteerde het u dat iedereen in dat Icesave-debacle meteen naar die rijke patsers in Gelderland keek?


Esmeijer:
„Ik word niet graag voor patser uitgemaakt. We hebben een stevig, conservatief beleid gevoerd. Dat heeft zoveel opgebracht.”

Van Haaren:
„Wij waren behoedzaam.”

Peters: „Ik kan me niet voorstellen dat als je ons nou zo bij elkaar ziet zitten er iemand is die denkt: daar heb je die patsers uit Gelderland. We zijn toch wel heel degelijke, solide bestuurders.”

Van Haaren:
„Misschien zijn bestuurders wel per definitie patsers.”

Esmeijer:
„In de ogen van anderen wel.”

Van Haaren:
„Veel mensen denken in die termen.”

Dat beeld kleeft de provincie Gelderland als rijke provincie nu eenmaal wel aan.


Peters:
„Wij zijn de degelijkheid ten top.”

Esmeijer:
„Wij kijken op een dubbeltje.”

Van Haaren:
„Ik ben net terug van een handelsmissie naar China. Ik vloog economy class. Ik ben daar op tegen, maar goed: we zijn zo zuinig als maar kan. Ik vond ons echt te zuinig. Als ik in China kijk hoe trots mensen zijn op hun bestuurders en hoe mensen op het schild gehesen worden. Je bent daar een vertegenwoordiger van het volk. Hier moet je alsmaar laten zien dat je zo gewoon mogelijk bent.

In China zijn ze trots op hun bestuurders.

Zolang jij die functie hebt, krijg je alle status. Heb je dat niet meer, dan is het over.

Bij ons heeft men er moeite mee dat als jij die functie hebt je ook de bijpassende status te geven. Dat mag je vooral niet hebben en niet willen.”

Veel mensen zien de provinciale dienstauto’s als statussymbolen. Waarom vindt u die auto’s nodig?


Esmeijer:
„Mensen moeten begrijpen dat we met de eigen auto naar het werk gaan.

Maar wij maken veel dienstreizen. Moeten we zelf rijden, dan kost dat tijd. Nu kunnen we doorwerken. We lezen stukken, we bellen, het is een verlengd kantoor. De productiviteit neemt met een derde toe.

Een provinciebestuurder vergadert vaak in Utrecht, in Den Haag. We besteden de tijd in de dienstauto goed.”

Van Haaren:
„Als gedeputeerde werk je 65, 70 uur in de week. Heb je geen dienstauto, dan zijn het er 90, 100. Dat kan niet.”

Kun je stukken lezen in een auto?


Van Haaren:
„Dat kon ik niet toen ik begon. Nu kan ik het uitstekend.”

Peters:
„Ik kan zelfs stukken schrijven in de auto.”

Van Haaren:
„We rijden niet altijd met eigen dienstauto’s, maar maken soms ook gebruik van taxichauffeurs. Die zeggen ook: wat maken jullie toch lange dagen.”

Er zijn toch wel meer mensen die hard werken?


Van Haaren:
„De mensen die ik tegenkom die dezelfde uren draaien als ik, hebben ook een dienstauto.”

Esmeijer:
„Je moet ook kijken naar verantwoordelijkheden. Wij dragen de verant­

woordelijkheid voor honderden miljoenen euro’s.”

Peters:
„We moeten wel een beetje uitkijken. Er zijn zoveel mensen die harder werken. Ik heb een broer en een zus in de verpleging. Wat die doen, dat is gigantisch.”

De provinciale dienstauto’s worden vaak gezien als statussymbolen.


Esmeijer:
„Ik zie het niet als statussymbolen, maar als rolattributen. Een statussymbool is dat je je voorziet van bijvoorbeeld een heel groot huis. Een rolattribuuut is een attribuut dat je bij je functie nodig hebt, zoals een voorzittershamer. Zo zie ik ook die auto. Dat is een nuttig instrument.”

Van Haaren:
„We proberen het ook nu weer te nivelleren. Terwijl in China bestuurders op het schild gehesen worden. Je bent niet zomaar iemand, je bent vertegenwoordiger van het volk. Je bent bestuurder. Dat vind ik bijzonder. Als wij daar komen, dan ben je iemand. Alles wat je zegt, dat doet ertoe. We hebben in Nederland zoveel moeite om bestuurders ruimte te geven voor statuur.”

Peters:
„Dan ben ik maar liever bestuurder in Gelderland dan in China, Marijke.”

Van Haaren:
„Nou, ik niet.”

Peters:
„We hebben toch gewoon ons werk gedaan, we hebben de mouwen opgestroopt.”

Van Haaren:
„En af en toe lig je voor pampus in die auto en denk je: jongens, hoe kom ik thuis? In China ben je per definitie als bestuurder wijs, elegant en charmant.

Tot je grote fouten maakt. Naar ons wordt voortdurend kritisch gekeken. Dat mag, hoor. Hier is de vooronderstelling: jij bent bestuurder, je moet je vooral niks verbeelden, je bent gelijk aan ons. En het is allebei waar.”

Peters:
„Ik vind het beetje griezelig. Ik ben blij dat de mensen hier een beetje mondiger zijn dan in China: doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Daar ben ik wel blij mee.”

Esmeijer:
„We worden altijd met respect behandeld. Je mag op de eerste rij zitten, op een gereserveerde plek, je krijgt een hand als je binnenkomt. Je wordt welkom geheten. Daarmee zijn we bevoorrecht.

Meer hoeft toch niet.”

Peters:
„We hebben zoveel prerogatieven.

Kijk eens waar we overal komen. Ik vind het nogal wat.”

Van Haaren:
„Voor de goede orde: ik heb nooit het gevoel gehad dat ik niet gewaardeerd ben. Alleen stemmen ze niet op je.”

Dat klopt. Het CDA verloor in Gelderland 6 van de 15 zetels. Drie CDA-gedeputeerden nemen gelijktijdig afscheid. Zal het CDA ooit nog drie gedeputeerden leveren in Gelderland?


Esmeijer:
„Dat kan best. Elke partij heeft zijn ups en downs. Wie had kunnen voorspellen dat nu de VVD de grootste van Gelderland wordt?”

Peters:
„Wij hebben het niet in de hand. Kijk toch eens wat wij in Gelderland bereikt hebben, dank zij het CDA. Maar we zakken wel van 15 naar 9 zetels. Dat is geen frustratie, maar wel een klein beetje natuurlijk. Je kunt doen wat je wilt maar je bent afhankelijk van wat er landelijk speelt. Landelijk ging het met CDA niet goed.

Van Haaren:
„Maar het CDA komt in bijna alle provinciale colleges terug. Het CDA is een heel constante factor en zorgt voor rust in een coalitie.”

Esmeijer:
„Evenwicht, stabiliteit, verbinding, dat is het CDA.”

Waarom is het dan zo misgegaan?


Esmeijer:
„Door de wisseling van de wacht, door een versleten thema. We zijn onder Balkenende groot geworden met waarden en normen en het gezin als thema’s. Daar is het nu niet zo over gegaan.

Het CDA heeft zich te weinig kunnen onderscheiden.”

Peters:
„De partij is verdeeld tot op het bot. Een groep wil naar rechts, een groep naar links. Maar wij zijn een middenpartij.

Het lijkt erop dat we moeten kiezen en dat past niet bij ons. Nu wordt ons – ook intern – bijna een koers opgedrongen.”

Van Haaren:
„Er wordt ons een rechtse koers opgedrongen. Maar het gaat nu ook vaak om imago, om beeldvorming. Dat vind ik moeilijk in de politiek. Al maak je tien keer waar wat je beloofd hebt. Wij hebben als college van Gedeputeerde Staten dit voorjaar onze resultaten gepresenteerd. We hebben gedaan wat we beloofden. We deden zelfs meer en sneller. Maar niemand die dat echt belangrijk vond. Iedereen had zoiets van: nou en?”

Het klinkt alsof u teleurgesteld bent in de kiezer.


Esmeijer:
„Ja, teleurstelling in de kiezer heb ik wel. We hebben wat gepresteerd in de afgelopen vier, acht, twaalf jaar. Maar er was een landelijke uitslag. De verkiezing is genaast door de landelijke politiek. Dat was vroeger anders: de Eerste Kamer was een afgeleide van de Statenverkiezingen, niet andersom.”

Peters:
„Er is altijd groot draagvlak voor ons beleid geweest. Ook de VVD heeft ons als oppositiepartij in de afgelopen vier jaar volop gesteund. Nu is het ook zo dat de politieke verschillen gering zijn in de provinciale politiek. Je moet bijna een vergrootglas hebben om ze te zien.”

Van Haaren:
„Dat klopt. De meningen over openbaar vervoer waren van links tot rechts precies hetzelfde. Het fietsbeleid?

Van links tot rechts hetzelfde. Alleen over asfalt verschilden de meningen.”

Waarom zijn we dan in vredesnaam wezen stemmen, als die verschillen zo klein zijn?


Esmeijer:
„In mijn portefeuille, welzijn en sociale zaken, komen principiële stellingnames voor. De VVD zegt: waarom laten we niet meer over aan de markt? Daar valt wat te kiezen.”

Van Haaren:
„Ik ben erg trots wat wij aan voorzieningen voor dak- en thuislozen tot stand hebben gebracht. Daar hebben we echt wat bereikt.”

Esmeijer:
„In Harderwijk dachten ze dat ze geen daklozen hadden. Nou, of ze die hadden. Wij zijn door buitenstaaanders bekritiseerd om ons daklozenbeleid. Maar wethouders van de Gelderse steden vroegen er om. Niet alleen om het geld, maar ook om onze inhoudelijke regierol. De Arnhemse wethouder Hoefnagel zei: het grootste succesverhaal van de provincie is het daklozenbeleid. Toen het rijk wilde korten op maatschappelijke voorzieningen, vroegen de wethouders mij om in Den Haag te lobbyen. Dat zegt dat de provincie ertoe doet.”

A A A     voorleeshulp     inloggen     English
1  2  3  4