Op 31 augustus 2011 is door uw college een vergunning verleend terzake van het uitbreiden van een wasgelegenheid voor auto’s alsmede het verplaatsen van brandstoftanks. Voornoemde vergunning, bij u bekend onder nummer OV 11 0249 was in strijd te achten met het bestemmingsplan (Hoogveld uit 2001), zulks vanwege het daar aanwezige natuurgebied. Eveneens, maar dan zonder strijd, met een ouder bestemmingsplan (Hoofdzakenplan Heerlen 1964), waarbij echter aangetekend moet worden de agrarische bestemming ter plekke.
Ongeacht voornoemde strijdigheid met het bestemmingsplan Hoogveld is de vergunning verleend omdat sprake is van het niet direct schade toebrengen aan de aanwezige natuur. In de vergunning wordt hiertoe gebruikt gemaakt van (artikel 2.12 lid 1 onder a sub Wabo juncto bijlage II, artikel 4 lid 1 onder a Bor’ citaat!) ‘.
1) U bent, volgens de verleende vergunning van mening dat geen schade wordt toegebracht aangebracht aan de natuur, dan wel niet in grote mate. Welke procedure om dit te beoordelen is hier gevolgd? Wordt in dit soort gevallen (externe) expertise geraadpleegd?
2) Een belangrijke reden voor de aanleg van Hoogveld was het upgraden van de beroepsbevolking’ (kort samengevat: meer know-how naar Heerlen halen en huisvesten in een aantrekkelijke omgeving). Hiervoor ligt (oa) een natuurrijke omgeving voor de hand. Is uw college van mening, los van economische motieven van degene aan wie thans een vergunning is verleend, dat de uitgangspunten tav Hoogveld gerespecteerd moeten worden cq blijven?
3) Indien u het belang van Hoogveld nog steeds als speerpunt van stedelijk bouwen onderstreept, bent u dan met ons van mening dat elk besluit, van welke omvang dan ook maar ingeval met strijdigheid met een bestemmingsplan, gedeeld moet worden met de raad( cq commissie), In welke mate is gebruik gemaakt van de bevoegdheid om af te wijken van een bestemmingsplan sinds de huidige coalitieperiode?
4) Uit het verweer van 2 april 2004 in de zaak Gielkens versus gemeente Heerlen, wordt aangehaald dat er aan de zuidelijke entree van Heerlen uitbreiding van bedrijvigheid in de vorm van ‘blokkendozen’(citaat) niet meer wenselijk wordt geacht. Hoe verhoudt zich dit tot de thans verleende (en bestreden!) vergunning?
5) Zijn eerdere aanvragen voor bebouwing in deze omgeving afgewezen op grond van het willen voorkomen van economische bedrijvigheid (zie ook vraag 4) of op grond van aantasting van natuurgebied?
6) Indien u van mening bent veranderd ten aanzien van de huidige entree van de stad (zie 4), wat houdt dit dan in cq welke zijn de te verwachten gevolgen? (in zeven jaar tijd is er veel veranderd aan deze kant van de stad op de grens met Kerkrade. Concreet kan worden gesteld dat het betreffende gebied vol staat met blokkendozen, hetgeen overigens niet enkel op het conto van de gemeente af te rekenen valt. ) Vindt uw college het daarom niet waardevol om het groen dan wel agrarisch gebied ter plaatse te behouden dan wel verder te ontwikkelen? Zo ja, kunt u dan het beleid –kort- omschrijven? In hoeverre houdt u hier rekening met strijdigheid met (bijvoorbeeld) het POL?
7) Kunt u ons voorzien van de tekst van het bij de toelichting genoemde artikel?