4. Participatie, zorg en sociaal beleid

 

 

 

4.1. Participatie en WMO

 

Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in werking getreden. Deze wet geeft gemeenten de taak te zorgen voor een samenhangend pakket van diensten en voorzieningen, zodat iedereen kan participeren in de lokale samenleving. Mensen komen in de visie van het CDA het meest tot hun recht in hun relaties met anderen, en het participatiebeleid moet daarop gericht zijn.

 

Gemeenten zijn op grond van de WMO verantwoordelijk voor:

 

1. de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten;

2. preventieve ondersteuning bij opgroeien en opvoeden;

3. het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning;

4. het ondersteunen van vrijwilligers en mantelzorg;

5. het bevorderen van participatie en zelfredzaamheid;

6. voorzieningen voor mensen met een beperking;

7. maatschappelijke opvang en vrouwenopvang;

8. het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg;

9. verslavingsbeleid.

 

Het CDA staat nog steeds achter het uitgangspunt van de WMO dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen leefsituatie. Pas wanneer mensen dat niet (voldoende) kunnen en hun sociale omgeving geen ondersteuning (kan) bieden, is er een rol weggelegd voor gemeenten. De eigen verantwoordelijkheid van WMO -cliënten is ook een financiële. Waar mogelijk moet een eigen bijdrage worden betaald voor maatregelen, hulp, voorzieningen of ondersteuning. Het doel is om elke gemeente een leefbare lokale gemeenschap te laten zijn met een grote sociale samenhang in de wijken en buurten. In dat beeld past dat inwoners zelfredzaam en betrokken zijn bij hun omgeving: ze nemen zoveel mogelijk hun eigen verantwoordelijkheid en ondersteunen elkaar waar dat mogelijk is. Burgers die (tijdelijk) niet meer op eigen kracht kunnen meedoen of zijn losgeraakt van de samenleving worden ondersteund bij het (weer) op een volwaardige manier kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.

 

4.2 Gehandicapten

 

Mensen met een functionele beperking of handicap verdienen ondersteuning waar dat nodig is en deze behoefte bestaat. Het CDA vindt dat gehandicapten, binnen vast te stellen grenzen, moeten kunnen beschikken over een persoonsgebonden budget zodat zij zelf de benodigde zorg kunnen inkopen. Daarnaast moet er oog zijn voor het sociale netwerk waarbinnen gehandicapten leven. Familie, vrienden, buren en kennissen vormen immers de achtervang waarop zij kunnen terugvallen als het collectieve zorgsysteem onvoldoende kan inspelen op hun specifieke, individuele zorgbehoeften.

 

Bevorderen van zelfredzaamheid

Zelfstandig zijn, zelf beslissingen kunnen nemen, dit zijn voor ieder individu essentiële zaken in het leven. Het is daarom van groot belang dat gehandicapten voldoende informatie en advies kunnen krijgen over bijvoorbeeld wonen, vervoer, werken, recreëren en zorgvoorzieningen. Versnippering van voorzieningen en financiële regelingen is ongewenst. Integrale indicatiesystemen kunnen de gewenste helderheid bieden. Het gehandicaptenvervoer vraagt nauwlettende aandacht. In het kader van de besluitvorming over collectief vraagafhankelijk vervoer zal het CDA de behoeften van gehandicapten goed in de gaten houden. Bij nieuwbouw of reconstructie van woningen is aandacht nodig voor fysieke aanpassingen, vooral om rekening te houden met de specifieke behoeften van gehandicapten.

 

Maatschappelijke ondersteuning

Gehandicaptenbeleid is ook in het kader van de uitvoering van de WMO een aandachtspunt. Het CDA zet zich in voor het voorkomen van onnodige en voor verkorting van procedures. Steeds zal bekeken worden of het binnen de balans van zorgvuldigheid en effectiviteit mogelijk is procedures te bekorten. Als er voldoende budget is, is het gewenst subsidies te verstrekken voor projecten die de toegankelijkheid van gehandicapten van openbare gebouwen, de openbare ruimte en recreatie- en sportvoorzieningen vergroten.

 

4.3 Bestrijding sociaal isolement en armoede

 

Bij de bestrijding van armoede is het van belang onderscheid te maken tussen armoede als de oorzaak van problemen en armoede als het gevolg daarvan. Voor het CDA staat voorop dat mensen redelijkerwijs van een inkomen rond moeten kunnen komen en de noodzakelijke kosten van het bestaan moeten kunnen opbrengen. Wanneer dat niet lukt zal de overheid de helpende hand moeten bieden via inkomensbeleid. Het is vooral van belang om attent te zijn op de hoogte van vaste lasten, kosten voor wonen (energie), zorg en kinderen. Sommige mensen belanden in armoede omdat ze op allerlei manieren in het leven vastlopen: relatieproblemen, een gebrekkig financieel beheer, gemis aan een structuur en discipline, verslaving enzovoort. In dat geval is extra inkomensondersteuning geen oplossing, maar zijn andere vormen van sociale en maatschappelijke ondersteuning nodig.


A A A     voorleeshulp     inloggen     English
1  2  3  4