Blog van fractievoorzitter Wubbo Tempel
Op woensdagavond 15 februari 2012 organiseren CDA , Leefbaar Rotterdam en de VVD een avond met de bekende Engelse schrijver en cultuurcriticus Theodore Dalrymple. In de aankondiging zeiden we het heel rustig. Meer was ook niet nodig: binnen de gestelde termijn liep de gereserveerde fraaie zaal in het Scheepvaart- en Transportcollege in het Lloydkwartier, capaciteit bijna 350 man, geheel vol. We moesten zelfs een bescheiden wachtlijst aanleggen, hoewel uiteindelijk vrijwel niemand heeft hoeven teleurgesteld te worden. En, hoewel de boodschap van Dalrymple verontrustend is, was het een gezellige avond. Dalrymple is een beminnelijk man die geestig kan spreken, de zaal met uitzicht op de Maas was prachtig, en voor de vele aanwezige, meest politiek geïnteresseerden , ook van buiten de drie organiserende partijen, was het een avond van politieke vrienden ontmoeten en contacten aanhalen. Spreekstalmeester Caspar Becx liet de vragenstellers omstandig aan het woord. Zie www.twitter.com, hashtag #dalrymple010, om de persoonlijke commentaren van deelnemers te lezen.
Theodore Dalrymple is een Britse essayist die als arts-psychiater onder meer werkte in een ziekenhuis en een gevangenis in een achterstandswijk van Birmingham. Zijn ervaringen met patiënten uit achterstandswijken leverden de stof voor zijn bestsellers Beschaving of wat er van over is, en Leven aan de onderkant. De oorspronkelijke titel van dat laatste boek: ‘Life at the bottom: the world view that makes the underclass.’ Zelf had ik dat laatste boek gelezen, evenals Dalrymples recente boek ‘Door en door verwend. Kritiek op de sentimentele samenleving. ‘
Wij kondigden aan dat Dalrymple, die stelde dat de rellen in Engeland afgelopen zomer onder andere het gevolg zijn van falend politiek leiderschap, in zijn lezing ook zou ingaan op de Rotterdamse situatie en op de overeenkomsten en verschillen met Engeland. Hieraan voorafgaand zou hij zijn prikkelende visie geven op de Engelse maatschappij in het algemeen en de positie van de onderklasse in het bijzonder.
In zijn boeken schetst Dalrymple een onderklasse in Engeland, waar jonge mensen wisselende relaties hebben waaruit steeds kinderen voortkomen. Ze hebben een uitzichtloos leven, simpel werk maar meestal helemaal geen werk, en de enige manier waarop ze spanning beleven is via geweld en misdaad (de mannen) en kinderen krijgen en relaties hebben met diezelfde gewelddadige mannen (de vrouwen). Onderwijs helpt ook niets want is slecht, en de goedbedoelde initiatieven van de overheid werken alleen maar averechts, want die bevestigen de mensen in hun uitzichtloze situatie, in plaats van dat ze geprikkeld worden zich uit hun ellende los te worstelen.
De vraag is natuurlijk of Nederland op het Engeland lijkt dat Dalrymple beschrijft. Is onze onderklasse er net zo beroerd aan toe? Hebben wij kans op rellen zoals die deze zomer in Engeland voorkwamen? Deze vraag kwam eigenlijk vooral aan de orde bij het etentje met de spreker vooraf. Persoonlijk denk ik dat het meevalt, onder meer door de kleinere schaal waarop Nederland is georganiseerd. Wij kunnen beter ons best doen om mensen individueel te begeleiden of althans in de gaten te houden. Bij ons geen uitzichtloze achterstandsbuurten zoals wel in Engeland of bijvoorbeeld de voorsteden in Parijs. En als er iets uit de hand dreigt te lopen kan de politie of andere ordehandhaving er snel bij zijn. Voor Engeland voorziet Dalrymple overigens wel nieuwe sociale conflicten op grote schaal.
Van de politiek verwacht Dalrymple niets, althans niet van de Engelse. Links of rechts maakt niks uit, noch links noch rechts wil veranderen, ze hebben teveel belang bij het in stand houden van de bestaande situatie. Die situatie is ook totaal afhankelijk van publiek geld geworden. Het aandeel van publiek geld in de landelijke economie is naar de mening van Dalrymple sowieso veel te hoog. Maar nog daarnaast, in veel wijken is de enige particuliere onderneming een grote supermarkt, die natuurlijk eigenlijk net zo onpersoonlijk is en ontdaan van eigenaarsgevoel als iedere willekeurige overheidsinstelling. Alleen in de misdaad, zo zegt Dalrymple, zijn de mensen wel creatief. Ook grote consultingfirma’s, immers zelf bureaucratieën en enorm afhankelijk va overheidsopdrachten, kregen er en passant van hem van langs.
Zelf oplossingen aandragen is niet Dalrymple’s sterkste punt. Op vragen vanuit de zaal zei hij dat hij het vooral interessant vond zijn observaties te doen. Als jong psychiater was dat al de manier om zichzelf in orde te houden bij alle problemen van de patiënten die hij tegenkwam. Van zijn voorganger vond hij flesjes whisky in de bureaula, en dan leek hem zelf schrijven beter. Mijn echtgenote Conny vindt dat Dalrymple, zelf immers arts zijnde, ook aan de samenleving wat meer recepten zou kunnen voorschrijven. Zelf had Dalrymple ook geen enkele aanvechting zelf de politiek in te gaan.
Dalrymple praat over een morele crisis, maar ook de kerk zal zijns inziens niet voor een oplossing zorgen. Weliswaar zijn er ‘pockets’, plekken, waar de kerk positief effect op de samenleving heeft. Tijdens het eten vooraf legde hij uit dat dat vooral gold voor de evangelische gemeenten in de binnensteden, waar overigens blank en gekleurd samen ter kerke gaan. Maar per saldo is de kerk in de totale samenleving te zeer gemarginaliseerd geworden.
In zijn voordracht liet Dalrymple zien dat de verzorgingsstaat voor sommige mensen ook een fuik is geworden. Hij heeft laten zien dat politiek van de goede bedoelingen er niet zelden toe heeft geleid dat je mensen in feite niet meer serieus neemt. Zoals hij zei: in Engeland zijn de armen weliswaar minder arm dan wanneer ze in Manilla of Bombay zouden wonen, maar ze hebben geen hoop en geen vrees, en daarmee wordt hun leven uitzichtloos. Naar zijn mening hebben mensen ‘meaning’, ‘purpose’, nodig, een doelstelling zeg maar – of dat nu voortkomt uit religie, politieke overtuiging of gewoon om het hoofd in het dagelijks leven boven water te houden. Mensen moeten de uitdaging voelen, de mentaliteit hebben, om zelf iets van hun leven te maken. Heel kritisch was hij over de overheid die alle problemen wil wegnemen. Zelf bepleit hij vooral een overheid die minder geld uitgeeft, ook aan de eigen ambtenarensalarissen.
Te weinig kwam aan bod de sociale omstandigheden waarin mensen leven. Dalrymple zei dat een derde van de arme mensen in Engeland nooit een zelfbereide maaltijd eet, en dus alleen eten in de magnetron opwarmt. Ook eten ze nooit in gezelschap maar altijd alleen, nou ja, met de televisie altijd aan. Op een vraag van collega Rotterdams CDA-fractielid Nelleke Weltevrede antwoordde Dalrymple: ‘We hebben met onze politiek in 40 jaar tijd het gezin verwoest, en het zal onmogelijk zijn om dat weer terug te draaien.’
Omdat Dalrymple het zo grappig verwoordt verlies je soms het zicht op de ernst van de problemen. Zo is volgens hem de verruiming van de alcoholregels in Engeland desastreus geweest. Op vrijdagen en in het weekeinde worden de Engelse binnensteden overspoeld door dronkelappen. Volgens Dalrymple hadden de sluitingstijden van pubs die vroeger op elf uur stonden, nooit veranderd moeten worden. ‘We dachten dat we net zo rustig zouden gaan drinken als de mensen in zuid-Italië, maar dan ken je de Engelsen niet!’
Dalrymple besteedde relatief veel tijd aan de economische omstandigheden, onder andere als gevolg van de Eurocrisis. Hij stelde de Ieren als voorbeeld. Die hadden enthousiast meegeprofiteerd van de ‘boom’ met geleend geld in begin van deze eeuw, maar nu het allemaal minder ging waren ze ook zonder meer bereid de broekriem weer aan te halen, tot 25 procent aan toe. Verklaring is dat de Ieren een sterke nationale trots hebben die zegt: ‘We moeten hier weer uit komen.’ Over de Grieken was Dalrymple veel minder hoopvol – daar heerst een zeer kritisch gevoel over de nationale staat, zijns inziens overigens terecht, en dus bestaat er geen collectieve bereidheid moeilijke maatregelen te accepteren. Vanzelfsprekend vergeleek hij Engeland met Griekenland. Ook in Engeland was niets goeds gedaan met de vele miljarden uit de goede tijd, en was het geld voornamelijk opgegaan aan groepsvakantiereizen naar Turkije ‘waar we ons vervolgens schandelijk hebben gedragen.’.
Aardig detail was dat volgens Dalrymple in Engeland geen negatief gevoel bestaat over de inmiddels 1 miljoen Polen die er werken. Ze leveren namelijk goed werk af en ze spreken vaak, zo grapte hij, beter Engels dan de Engelsen zelf wier werkplek ze innemen. Vanzelfsprekend was hij wel kritisch over de 5-6 miljoen Engelse werklozen die eigenlijk het werk zouden moeten doen dat de Polen doen.
Dank aan collega’s Ronald Buijt (Leefbaar Rotterdam), die het oorspronkelijke idee had Dalrymple uit te nodigen, en Maarten van de Donk (VVD) die evenals wijzelf enthousiast aanhaakte. Dank ook aan onze fractieondersteuning voor het vele logistieke werk, en aan CDJA-voorzitter Arrie Vis die zijn niet geringe social media-kwaliteiten ruim heeft ingezet bij de publicitaire ondersteuning.
Wubbo Tempel
Op de foto vlnr Ronald Buijt (LR), Theodore Dalrymple, Wubbo Tempel (CDA) en Maarten van de Donk (VVD)