De ontwikkelingen tussen 1994 en 2003

In 1994 leed het CDA een verkiezingsnederlaag en kwam in de Tweede Kamer in de oppositie terecht. Hans Borstlap gaf in de CDA Krant van 1 juli 1995 zijn kijk op de situatie van de partij en op de positie van het Steenkampinstituut:

‘Christen-democraten komen in de oppositie en merken dat het land niet onmiddellijk vergaat. Een zekere vanzelfsprekendheid van de macht is weggevallen en het blijkt dat dát toch krachten genereert
die tot voor kort in de christen-democratie niet bekend waren. Mijn stelling is dat een partij zo’n periode veel makkelijker kan doorstaan als zij beschikt over een aantal stabiele factoren als een Steenkampinstituut, een Wetenschappelijk Instituut, jongerenorganisatie, vrouwenbeweging en Bestuurdersvereniging. Die continuïteit in een beweging waar je aan werkt middels het kader- en scholingswerk van het Steenkampinstituut spreekt mij geweldig aan (…) Ik denk dat de positie van het Steenkampinstituut binnen de partij versterkt kan worden. Niet om die positie te versterken, maar om de functie van het instituut nadrukkelijker in de partij in beeld te krijgen.Ten eerste moet het Steenkampinstituut nadenken over verbreding van zijn activiteiten, verbreding naar de regio’s toe. Ik denk dat het Steenkampinstituut op een aantal punten de kwaliteit zelf kan verhogen in wat het aanbiedt. Aan de andere kant kunnen we actiever de kamerkringen helpen bij het formuleren van hun behoefte aan scholingsvoorzieningen en kaderwerk. Er is dus een kwaliteitsslag te maken in de regio.Ten tweede denk ik dat naast de verbreding, verdieping van belang is. Elke beweging, ook de christen-democratische, heeft behoefte aan mensen die voorbestemd zijn om sleutelposities te gaan vervullen op plaatselijk niveau, in gemeenteraden, op regionaal of landelijk niveau. Dat vergt een zekere specifieke scholing. Het is allerminst de bedoeling dat we een elite gaan creëren. Elites passen niet in de christen-democratie! Maar we moeten wel erkennen dat we gewoon ‘voortrekkers’ nodig hebben op een breed vlak. Ik denk dat de Kaderschool van het Steenkampinstituut daarvoor de instelling is. Als Steenkampinstituut moeten we inventariseren wat voor behoefte aan kwaliteit en kwantiteit aan dit topkader de partij in de verschillende gremia de komende jaren heeft. (…) Ik denk dus tweeërlei, allereerst kunnen we absoluut een kwaliteitsslag in de regio maken. Dat is ook heel erg hard nodig om het vak van kaderlid en politicus goed te verstaan. En ten tweede moeten we zicht krijgen op een groep die het in zich heeft een voortrekkersrol te gaan vervullen op de verschillende niveaus. Daar zal het Steenkampinstituut zijn kadercursus voor moeten uitbouwen.’

Clarien Slot-Abeling over de periode vanaf 1994:‘Het was een tijd, waarin qua opleiding alles kon.We lieten CDA-politici voor het eerst naar zichzelf kijken en we maakten ze bewust van het beeld dat ze bij anderen opriepen. In die periode zijn we gestart met een aantal nieuwe initiatieven, zoals het bevorderen van vrouwenparticipatie in de politiek, loopbaanbeleid, competentiebeleid en -ontwikkeling voor CDApolitici.’ Hans Borstlap: ‘Het Steenkampinstituut moest door middel van o.a. de Kaderschool topkwaliteit leveren, zowel qua vormgeving als inhoud. De vorm waarin onderwijs wordt gegeven, moet immers met de tijd meegaan. Onder leiding van Clarien Slot-Abeling werden nieuwe manieren
van kennisoverdracht en opleidingsvormen gezocht en geïntroduceerd. Dat deden we toentertijd met betrekkelijk weinig middelen.’ Ook Tweede-Kamerleden ‘ontkwamen’ niet aan scholing. Zo werd Hans Wiegel gevraagd om tijdens een fractiebijeenkomst een inleiding te houden over oppositievoeren. En in de aanloop naar de Tweede-Kamerverkiezingen van 1998 organiseerde het Steenkampinstituut een teamvormingsweekend voor de zittende Kamerleden en de kandidaat-Kamerleden. In groepjes van 7 à 8 personen werden ze de straat op gestuurd om mensen met een bepaald profiel (bijvoorbeeld de typische ‘Opelrijder’ of ‘Panoramalezer’) mee te krijgen naar een zaal. ’s Avonds zaten er zo’n 45 mensen in die zaal, die gevraagd waren om de aanwezigen iets te vertellen over het CDA. De dag erna gaven coaches feedback aan de Kamerleden, onder andere over het functioneren in de groep. Hans Borstlap: ‘Eigenlijk kan je de Kamer niet in zonder de Kaderschool te hebben gedaan. Maar dat is geen formele verplichting. Het christendemocratisch vuur moet je van jezelf al hebben. Het Steenkampinstituut moet dat prikkelen en verdiepen. Het gaat om de juiste balans tussen politieke inhoud en politieke vaardigheden. Beide moeten op een zo hoog mogelijk niveau worden gebracht.’ Het trainen van beroepspolitici was niet vanzelfsprekend. Met het aantreden van een nieuwe lichting Kamerleden groeide echter het besef dat het goed zou zijn om hen ook meer scholing en vorming aan te bieden. Annet Doesburg, directeur van het Steenkampinstituut van 2000 tot 2003: ‘Aanvankelijk heerste de gedachte, dat iemand die scholing nodig had iets niet kon. Scholing was volgens velen vooral iets voor de basis: voor nieuwe raadsleden of nieuwe leden.“Beroepspolitici en mensen van de aan het CDA gelieerde organisaties hoefden niet naar school”, dachten velen. Maar
als professionals geen scholing nodig zouden hebben, waarom de lokale fractie- en afdelingsvoorzitter dan wel? Door scholing van de professionals wilden we een omgekeerde precedentwerking creëren, zodat er een stimulerende werking vanuit zou gaan.’ In de jaren die volgden vertakte het  scholingswerk zich naar de beroepspolitici en werd er een externe kwaliteitsslag gemaakt. Door de invoering van het dualisme werden er veel cursussen georganiseerd voor Statenfracties, wethouders en (kandidaat-)raadsleden. Annet Doesburg: ‘Het trainen van de professionals is bespreekbaar geworden.

In de nieuwe sector HRM-beleid / Steenkampinstituut / Partijontwikkeling zou dit een continu proces moeten worden.’ Marry Visser-van Doorn: ‘Scholing is zowel voor de beroepspoliticus als voor de vrijwilliger belangrijk. Mensen worden opgeleid om er iets mee te gaan doen, in de partij en in de samenleving. Het belangrijkste is dat je leert om je standpunten en keuzes te onderbouwen vanuit een christen-democratische visie.’ In 2002 kwamen er veel nieuwe Kamerleden in de Kamer. Daarom werd er een introductiecursus voor nieuwe Kamerleden opgezet. Tijdens een fractieweekend, waarbij zowel zittende als nieuwe Kamerleden aanwezig waren, werden trainingen gegeven en in de Kamer werden tijdens een aantal avonden de vier hoofdthema’s uit het verkiezingsprogramma uitgediept, die gebaseerd waren op WI-rapporten, die in de jaren daarvoor waren geschreven: financieel beleid, onderwijs, zorgstelsel en levensloopbeleid. Daarnaast werden op facultatieve basis  vaardigheidstrainingen aangeboden, zoals debatteren en het omgaan met de media.‘Het Steenkampinstituut heeft altijd gewerkt aan een goede relatie met de fractie’, zegt Annet Doesburg. ‘Het is zaak om de behoefte van de fractie te peilen, een geloofwaardig trainingsaanbod te bieden en om - indien gewenst - maatwerk te kunnen leveren.’ Tussen 2000 en 2003 heeft het Steenkampinstituut naast een externe ook een interne kwaliteitsslag gemaakt. De centrale vraag daarbij is hoe toereikend de aangeboden trainingen en cursussen zijn. Vroeger werd er vooral gekeken naar de inhoud van een training, maar de laatste jaren wordt er ook veel aandacht besteed aan de aangeboden werkvorm. De trainingen zijn geprofessionaliseerd, de trainers worden getraind zodat zij voldoende toegerust zijn en er worden voortdurend nieuwe producten en methoden ontwikkeld. Bijvoorbeeld e-learning (het aanbieden van cursussen op het internet), de Zomerschool voor mensen die nog geen of pas kort lid zijn van het CDA en zich in de achtergronden van de partij willen verdiepen, het Europa Seminar voor jonge academici die zich in Europa willen verdiepen en het Debattoernooi. De aan het CDA gelieerde organisaties, zoals het CDA-Vrouwenberaad en de Eduardo Frei Stichting, maken overigens ook graag gebruik van de adviezen en trainingen van het Steenkampinstituut. Het Steenkampinstituut onderhoudt ook contacten met de scholingsinstituten van de grotere politieke partijen. In het verleden werden er gezamenlijk trainingen en producten ontwikkeld, bijvoorbeeld DIVA (afkorting voor diversiteitsaudit): een diversiteitstest voor lokale afdelingen, die met een subsidie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd ontwikkeld doororganisatieadviesbureau De Beuk, in samenwerking met de scholingsinstituten van CDA, PvdA,VVD, D66 en GroenLinks. Een ander voorbeeld van samenwerking tussen deze vijf scholingsinstituten is een groot debat, dat in het najaar van 2001 gezamenlijk werd georganiseerd in de Rode Hoed. In het kader van het Internationale Jaar van de Vrijwilliger werd er gedebatteerd over het thema “Politiek en Vrijwilligerswerk”.


A A A     voorleeshulp     inloggen     English
1  2  3  4