Het Curatorium van het Steenkampinstituut heeft altijd een min of meer zelfstandige positie gehad binnen de partijorganisatie, ook in relatie tot het partijbestuur. Volgens Hans Borstlap (die in 1994 de overleden Jan de Koning opvolgde als voorzitter van het Curatorium) en Corine Vreugdenhil heeft het Curatorium altijd wat ver(der) van andere partijorganisaties af gestaan. In de tweede helft van het voorzitterschap van Hans Borstlap ontstond er binnen het Curatorium een discussie over de vraag hoe strikt de onafhankelijkheid ten opzichte van de partijorganisatie genomen moest worden.Hans Borstlap:‘We concludeerden dat er eigenlijk geen sprake was van een “waterscheiding”. Natuurlijk is het zo dat het Curatorium toeziet op het reilen en zeilen van het Steenkampinstituut. Maar het Steenkampinstituut was en is natuurlijkdienstverlenend aan de partij, dus eigenlijk geldt dat ook voor het Curatorium.’ Niet alleen over de positie van het Curatorium werd gediscussieerd, ook over de ‘gespreide verantwoordelijkheid’ voor het scholings- en vormingswerk binnen de partij. Corine Vreugdenhil:‘Doordat het CDA in 1994 in de oppositie kwam, heerste er aanvankelijk een teneergeslagen stemming. Het besef groeide dat het CDA haar vrijwilligers toch enigszins verwaarloosd had. Binnen het Curatorium rees dan ook de vraag of partijontwikkeling een taak was van het Steenkampinstituut. We besloten om zuiver in de lijn te blijven en te kiezen voor een strakkere, gerichtere aanpak. Het Steenkampinstituut bleef bij haar core business, te weten: scholing, vorming en toerusting. Het zou de instrumenten leveren en het partijbestuur moest de doelen stellen. Dat laatste gebeurde naar mijn mening onvoldoende.’ Hans Borstlap: ‘Je ziet dat er spanning zit tussen de funderende werking van opleiding – het bijbrengen van de partij- ideologie met het oog op de lange termijn – en het kortetermijnbelang van een specifieke behoefte op enig moment aan mensen met een bepaalde kwalificatie.’ Het jaar 1994 was het jaar dat het CDA in politiek opzicht de wind tegen had en in de Tweede Kamer in de oppositie terecht kwam. Het Steenkampinstituut en het Curatorium trokken zich echter weinig aan van de malaise. Zij bleven actief en richtten zich op de nieuwe situatie. Corine Vreugdenhil: ‘Het waren roerige tijden. Het CDA zat in de oppositie en Elco Brinkman nam het stokje van Ruud Lubbers over. De toenmalige directeur van het Steenkampinstituut Clarien Slot-Abeling schreef notities over de richting waarin het CDA moest gaan en over de rol van scholing daarbij. Binnen het Curatorium discussieerden we veel over de partijpolitieke strategie.’ Hans Borstlap: ‘Je moet geloven in je missie, in wat je doet. Er lag ook een kans: een nieuwe lichting christen-democratische politici kon worden opgeleid. Niet alleen voor Kamerleden, maar ook voor het regionale en lokale kader was en is vorming van groot belang.’