‘Tot 2001 vielen de scholingsconsulenten onder de Stichting KAVO en later onder het Steenkampinstituut. De verenigingsconsulent, die omstreeks 1996/1997 zijn intrede deed, is verantwoordelijk voor het ondersteunen van de lokale afdelingen bij ledenzorg en ledenwerving.Overigens worden de functies van scholings- en verenigingsconsulent steeds meer in één persoon samengebracht, die dan regioconsulent wordt genoemd’, legt Arie Slob uit, die zelf al jarenlang actief is als scholings- en verenigingsconsulent binnen de provinciale CDA-afdelingen Utrecht en Zuid-Holland zuid. Het zijn vooral de consulenten die in de loop der jaren gezicht hebben gegeven aan het scholings- en vormingswerk op regionaal en lokaal niveau.Tijdens scholingsweekenden ontmoetten zij elkaar en werden er ervaringen uitgewisseld. Zij waren en zijn nog steeds de ‘ogen en oren’ van de partijorganisatie en beschikken door hun contacten en ervaring over veel ‘inside’ kennis van de lokale en regionale CDA-politiek. In 2001 werd het regionale scholingswerk anders georganiseerd. Er was namelijk sprake van een aantal ontwikkelingen, dat tot herbezinning heeft geleid. In verschillende regio’s waren vacatures moeilijk te vervullen. Bovendien bleek het animo voor regionale cursussen terug te lopen, zonder dat dit voldoende aandacht van de provinciale afdelingsbesturen leek te krijgen. Omdat vanuit de provinciale afdelingen werd aangegeven dat er meer behoefte was aan keuze uit verschillende werkmodellen, werd een discussie gestart over de organisatie van het regionale scholingswerk. Uiteindelijk werd besloten om de provinciale afdelingen met ingang van 1 juli 2001 de verantwoordelijkheid te geven voor het regionale scholingsbeleid en voor de uitvoering daarvan. Het bestuur van de provinciale afdeling is sindsdien verantwoordelijk voor de totstandkoming van een scholings- en verenigingsplan en krijgt voor het scholingswerk een budget ter beschikking gesteld van het Steenkampinstituut, dat gebaseerd is op het ledenaantal van de provinciale afdeling. De provinciale afdelingen kunnen zelf bepalen hoe ze het scholingswerk in hun provincie organiseren. Zij kunnen gebruik maken van een scholingsconsulent of van een scholingscommissie: een groep vrijwilligers die op projectmatige basis werkt en cursussen en activiteiten organiseert. De scholingsconsulenten en/of de scholingscommissies dienen plannen in bij het Steenkampinstituut en leggen achteraf verantwoording af, op basis waarvan het budget definitief wordt vastgesteld en geaccordeerd. Ondanks bezoeken aan de provinciale afdelingen in 2000 en 2001, waarin de nieuwe aanpak werd besproken, werd in het jaarverslag 2001 van het Steenkampinstituut geconstateerd dat verschillende provinciale afdelingen moesten wennen aan de nieuwe organisatievorm, zodat nog niet van een succesvolle operatie kon worden gesproken. In 2002 en 2003 is daarom veel tijd gestoken in de begeleiding van de afdelingen bij deze omslag. In november 2003 is de ‘decentralisatie’ van het regionale scholingswerk geëvalueerd met de contactpersonen. Daaruit bleek dat de nieuwe situatie gehandhaafd kon worden, maar dat er wel meer onderlinge contacten georganiseerd zouden moeten worden en dat de verankering in sommige provincies nog als onvoldoende werd ervaren. In 2004 is hier verder werk van gemaakt. De decentralisatie van het scholingswerk vanaf het jaar 2001 heeft twee kanten. Enerzijds is het goed dat de verantwoordelijkheden meer bij de basis zijn gelegd.
Anderzijds hebben de provinciale afdelingen het scholingswerk op verschillende wijze opgepakt, waardoor er grote onderlinge verschillen zijn ontstaan.‘Soms zou je provincies die achterblijven op het gebied van scholing er met de haren bij willen slepen. Het scholingswerk is zo belangrijk, dat móet gewoon gebeuren. Maar de provinciale afdelingsbesturen zijn eindverantwoordelijke voor het scholingswerk, dus het Steenkampinstituut gaat niet als een soort politbureau achter hen aan zitten’, zegt Corine Vreugdenhil. Toch ziet het Steenkampinstituut de toekomst met vertrouwen tegemoet. De ontwikkelingen ten aanzien van Human Resource Management en partijontwikkeling kunnen ook voor het regionale en lokale scholings- en vormingswerk een positieve impuls zijn.