Gemeenteprogramma CDA Terneuzen, deel 1

 


 

 

 

Respectvol samen leven in een sterke gemeente

 

 

 

 

 

Gemeenteprogram 2010 – 2014, Deel 1


 

 

 

 

 

Terneuzen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 




 

 

 

 

 

Voorwoord

 

Het CDA maakt zich op voor belangrijke verkiezingen: op 3 maart 2010 vinden in de meeste gemeentes weer gemeenteraadsverkiezingen plaats. We gaan het in 2006 verloren terrein terugwinnen. Het is van groot belang dat we onze positie in raden en colleges versterken en dat we daarmee onze standpunten verwezenlijken.

 

De vorige verkiezingen hebben aangetoond dat het noodzakelijk is hard te werken voor een goede uitslag. Het is niet vanzelfsprekend dat mensen CDA stemmen, ook al leveren onze vertegenwoordigers in raden en colleges uitstekend werk.

 

Een belangrijk onderdeel in de aanloop naar de verkiezingen is het gemeentelijk verkiezingsprogram. Hiermee geven CDA-afdelingen hun visie weer op de ontwikkelingen in hun gemeente. Het programma speelt tevens een belangrijke rol tijdens de campagne en is van belang bij eventuele collegeonderhandelingen. De afdeling, fractie en wethouders zijn uiteindelijk aanspreekbaar op de uitvoering van het programma.

 

Begin 2009 is een commissie aan de slag gegaan om het program te schrijven. Het resultaat ligt nu voor u. Het is tot stand gekomen na vele discussies, zowel in de commissie zelf als met diverse deskundigen. Verder hebben een aantal leden en fractieleden een bijdrage geleverd. Ook zijn belangrijke documenten, zoals het landelijk verkiezingsprogramma, geraadpleegd. Daarmee hebben we een breed draagvlak voor de inhoud van het document gecreëerd. Wij zijn er van overtuigd dat we met dit program een herkenbaar CDA-geluid laten horen.

 

Het afdelingsbestuur dankt allen voor de betoonde inzet.

 

We rekenen erop dat 3 maart 2010 een mooie uitslag voor het CDA oplevert.

 

 

Terneuzen, oktober 2009.

 

 

Rens de Beleir,                                                                                   Dick van der Endt,

Voorzitter CDA Terneuzen.                                                               Secretaris CDA Terneuzen .                             


Inhoudsopgave                                                                                                

 

Ten geleide

 

Leeswijzer

 

CDA uitgangspunten

 

Deel I: Uitwerking per beleidsterrein

 

1. Leefbaarheid en veiligheid

1.1 Gemeentelijk veiligheidsbeleid

1.2 Leefbaarheid in wijk en buurt

1.3 Publieke ruimte

 

2. Gezinnen, jongeren, ouderen en generatiebeleid

2.1 Gezinnen

2.2 Jongeren

2.3 Ouderen

2.4 Generatiebeleid

 

3. Onderwijs

3.1 Kwalitatief goed onderwijs

3.2 School en omgeving

3.3 Brede scholen

 

4. Participatie, zorg, welzijn, sociaal beleid en integratie

4.1 Participatie en WMO

4.2 Gezondheidsbeleid

4.4 Bestrijding sociaal isolement en armoede

4.5 Gehandicapten

4.6 Maatschappelijke opvang en verslavingszorg

 

5. Vrijwilligers, sport, cultuur en integratie

5.1 Vrijwilligers

5.2 Kerken en levensbeschouwelijke organisaties

5.3 Sport

5.4 Erfgoed, kunst, cultuur en media

5.5. Integratie en participatie

 

6. Ruimtelijke ordening en wonen

6.1 Ruimtelijke ordening

6.2 Wonen voor iedereen

6.3 Welstand

 

7. Het landelijke gebied

7.1 Voorzieningen

7.2 Particulier initiatief

7.3 Zorg op maat

7.4 Landbouw en plattelandsontwikkeling

7.5 Dorpsraden

 

8. Economische ontwikkeling, arbeidsmarkt en werkgelegenheid

8.1 Economische ontwikkeling

8.2 Werkgelegenheid

8.3 Citymarketing

 

9. Milieu, water, verkeer en vervoer

9.1 Milieu, duurzaamheid en klimaatbeleid

9.2 Afvalstoffen

9.3 Water                                                                                                                                          

9.4 Verkeer en vervoer      

 

Deel II:            Samen verder in de gemeente Terneuzen 

 


Ten geleide

 

Respectvol samen leven in een sterke gemeente is de titel van het CDA-gemeenteprogram 2010-2014.

 

Het program bestaat uit twee delen:

 

Deel I: Uitwerking per beleidsterrein, het landelijke CDA verhaal dat geheel is overgenomen, op een enkele voor Terneuzen niet van toepassing zijnde paragraaf.

 

Deel ll: Samen verder in de gemeente Terneuzen, de uitwerking voor het gemeentebeleid voor de komende periode vindt u hierna.

 

De vier uitgangspunten van het christendemocratische gedachtegoed, te weten gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap, zijn bij het opstellen van dit program steeds leidend geweest.

 

Het CDA is een brede volkspartij waar een ieder die zich verbonden voelt met het mens- en maatschappijbeeld van de christendemocratie welkom is. Wij staan voor een gemeente waarin iedereen mee kan doen als hij of zij dat wil. De gemeente, in de breedste zin van het woord, moet daarop ingericht zijn. Op lokaal niveau wordt hieraan door christendemocraten hard gewerkt. Christendemocratische gemeentebestuurders lopen niet weg voor het dragen van verantwoordelijkheid om het ‘schip van de gemeente’ op koers te houden richting een krachtige lokale gemeenschap waarin mensen met respect met elkaar omgaan. De commissie heeft getracht met dit program een aanzet tot een christendemocratisch geïnspireerd kompas te geven. Uitgangspunt is hierbij geweest dat er de komende jaren met een gezonde gemeentelijke begroting kan worden gewerkt.

 

Bij de voorbereiding heeft een aantal personen buiten de commissie een bijdrage geleverd aan de totstandkoming van dit program. De commissie is hen zeer erkentelijk voor hun inbreng, inzet en betrokkenheid.

 

Terneuzen, oktober 2009.

 


De programcommissie,

 

Adhémar van Waes           Wethouder          

Anja Dijkhuis-Dieleman      Raadslid

Michel Calon                   Raadslid

Jan Hollebek                    Bestuurslid

 

 

Leeswijzer

 

Opbouw

Dit programma kent een opbouw die bestaat uit twee delen. In het eerste deel worden de verschillende landelijke beleidsthema’s uitgewerkt. Daarbij is zoveel mogelijk de opbouw gevolgd van de vorige Handreiking, getiteld ‘’De levende gemeente’’, voor de periode 2006-2010. Deel twee heeft dezelfde indeling en geeft een beschrijving hoe deze thema’s in Terneuzen worden ingevuld voor het te volgen plaatselijke beleid.


 

 

Het CDA

Het CDA is een moderne christendemocratische volkspartij. Voor het CDA staat de gemeenschap centraal. De betrokkenheid van mensen bij hun gemeente, gezin en familie, de school, het dorp of de buurt, het bedrijf, de vereniging: dat is het ware draagvlak van de gemeente als publieke lokale gemeenschap. De christendemocratie onttrekt zich daarmee aan het versleten links-rechts-schema. Het CDA heeft een geheel eigen plaats in de Nederlandse politiek: sociaal op sociaal-economisch gebied, degelijk als het gaat om overheidsfinanciën, realistisch vooruitstrevend als het gaat om milieu en duurzaamheid, vasthoudend en appellerend op het terrein van normen en waarden.

 

Inspiratiebron

Het CDA is een brede volkspartij, geworteld in alle lagen van de samenleving. Daarom biedt het plaats aan veel mensen die zich aangesproken voelen door het christendemocratische gedachtegoed. Ons bindt, naast geloof in democratische waarden, de Bijbelse boodschap als grondslag en inspiratiebron bij het zoeken naar oplossingen voor hedendaagse problemen. Het gaat daarbij steeds om mensen. Menselijk geluk, waardigheid en wederzijds respect, veiligheid en geborgenheid, zorg voor elkaar, gemeenschapszin; dat zijn de constanten.

 

Uitgangspunten

Het CDA hanteert vier uitgangspunten die in onderlinge samenhang het christendemocratisch gedachtegoed inhoud geven.

1. Gerechtigheid: het CDA zet zich in voor een samenleving waarin Bijbelse gerechtigheid kan opbloeien. De rol en taak van de overheid is het streven naar publieke gerechtigheid. Op het publieke terrein van de samenleving behoort de overheid in wetten en beleid het recht tot gelding tot gelding te brengen en rechtvaardig te regeren en daarin met name de belangen van sociaal en economisch zwakkeren te beschermen.

2. Solidariteit: solidariteit laat zien dat mensen boodschap hebben aan elkaar. Van de sterken mogen offers gevraagd worden voor de zwakken. Solidariteit overstijgt grenzen, zowel van de eigen sociale groep als van het eigen land. De overheid hanteert het solidariteitsbeginsel vanuit haar eigen taak: zij garandeert de vloeren in de sociale zekerheid en doet een appel op burgers en maatschappelijke organisaties te werken aan maatschappelijke ontplooiing met en voor mensen.

3. Gespreide verantwoordelijkheid: mensen en hun maatschappelijke verbanden moeten zich naar hun bestemming kunnen ontplooien. Overeenkomstig de publieke gerechtigheid als norm van het overheidsbeleid, moet de overheid die verantwoordelijkheid van mensen en organisaties erkennen en bevorderen, en hun de ruimte en mogelijkheden geven om dat waar te maken.

4. Rentmeesterschap: rentmeesterschap wil zeggen dat de mens zorgvuldig moet omgaan met zijn of haar omgeving. Die omvat niet alleen het natuurlijk milieu, maar ook de omgang met gaven en talenten op het gebied van wetenschap, techniek, arbeidsverdeling of cultuurvorming. Rentmeesterschap duidt op verantwoordelijkheid voor het bewaren van onze aarde en van al haar bewoners. De natuur is gegeven om ervan te genieten, van haar vruchten te leven, maar ook om deze mogelijkheden intact te laten en te bewaren.

 

Politiek géén doel op zich

Het CDA wil een degelijke en betrouwbare politieke beweging zijn, die nieuwe wegen inslaat waar altijd vaste waarden aan ten grondslag liggen. Als het gaat om gemeenten zijn lokale politiek en bestuur voor het CDA geen doelen op zich, maar een manier om zaken in de lokale samenleving voor elkaar te krijgen. Het CDA heeft duidelijke standpunten over de toekomst, maar die dwingen we niet af. Besluiten die op steun in de lokale gemeenschap kunnen rekenen of (gehonoreerde) initiatieven die eruit voortkomen, zijn duurzamer dan die met een krappe basis. Daarom is samenwerking met en ruimte geven aan de lokale gemeenschap zo belangrijk.

 


 



Deel I - Uitwerking per beleidsterrein

 

1. Leefbaarheid en veiligheid


 


1.1  Gemeentelijk veiligheidsbeleid

 

Je veilig voelen in je woon-, werk- en leefomgeving is essentieel. Dankzij het stevige beleid de afgelopen jaren is de geregistreerde criminaliteit gedaald en voelen meer mensen zich veilig. Deze lijn moet worden voortgezet. De gemeente heeft een belangrijke taak als regisseur in de veiligheidsketen. Veiligheidbeleid krijgt vorm in samenwerking met burgers, politie en justitie, scholen, buurtverenigingen, horecaondernemers en winkeliers, woningcorporaties, (sport)-verenigingen, etc.

 

Uitgangspunten

De zorg voor veiligheid van burgers en effectieve bestrijding van criminaliteit is een kerntaak van de overheid. In de christendemocratische visie is voorkomen, opsporen, vervolging en bestraffing van criminaliteit een praktische vertaling van de rol van de overheid bij het gestalte geven aan publieke gerechtigheid. De overheid heeft deze exclusieve taak, opdat eigenrichting wordt voorkomen en bij strafoplegging sprake moet zijn van onafhankelijke rechtspraak.

 

Rol gemeente

Het veiligheidsbeleid vereist een gemeente die haar gezag gebruikt, stimuleert en ondersteunt. Het CDA is van mening dat de gemeente als het gaat om veiligheidsbeleid de volgende drie taken heeft.

 

1. Overlast bestrijden en tegengaan. Geweld mag onder geen enkele voorwaarde worden geaccepteerd. De taak van de gemeente is de openbare orde, in samenwerking met politie en justitie, te handhaven. De burgemeester maakt hierover in het driehoeksoverleg (burgemeester-justitie-politie) bindende afspraken en rapporteert daarover aan de gemeenteraad of desbetreffende raadscommissie. Waar nodig, draagt de gemeenteraad zelf ook wensen aan die opgenomen worden in de planvorming en prioriteitstelling van de politie.

2.  Preventie. Het beleid is erop gericht criminaliteit en overlast niet alleen tegen te gaan, maar liever nog te voorkomen. Dat gebeurt door voorlichting en samenwerking met ouders, scholen en maatschappelijke instellingen. Maar ook door fysieke maatregelen, zoals camerabeveiliging en afspraken met horeca-exploitanten.

3. Participatie en het (weer) vormgeven van de eigen verantwoordelijkheid van burgers en de lokale gemeenschap. Burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven hebben uiteraard ook een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om het voorkomen van onveiligheid. Respect voor elkaar, moet een gedeeld begrip worden.

Goede voorlichting en een lik-op-stuk-beleid helpen om duidelijk te maken wat kan en wat niet kan. Hiermee kan de verruwing van het maatschappelijke klimaat worden tegengegaan.

 

Veiligheid is geborgenheid

Mensen moeten in geborgenheid kunnen leven, zowel in de thuissituatie als in de publieke ruimte. Reizigers in het openbaar vervoer moeten zich op hun gemak kunnen voelen, scholieren, onderwijzend personeel en winkeliers moeten zich veilig weten. De gemeente dient, met andere woorden, een gemeenschap te zijn waarin iedereen zich veilig voelt en veilig is.

 

Naast meer regulier toezicht is het CDA voorstander van het gebruik van cameratoezicht, indien dit aantoonbaar noodzakelijk is om bepaalde openbare gebieden veiliger te maken. De privacy van individuen mag in de visie van het CDA uiteindelijk geen beletsel zijn. De regels moeten duidelijk zijn: wie niets te verbergen heeft, hoeft geen bezwaar te hebben tegen gefilmd te worden. Dit op voorwaarde dat de bestanden weer vernietigd worden.

Waar nodig kan cameratoezicht gepaard gaan met maatregelen op grond van de Wet preventief fouilleren door het aanwijzen van gebieden waar burgers preventief kunnen worden gecontroleerd op wapens en andere verboden zaken, al onderkent het CDA dat burgers daarvan last kunnen hebben.

 

Het veiligheidsgevoel krijgt een stimulans door meer politie en andere toezichthouders op straat, door particuliere beveiliging in winkels en op bedrijventerreinen, door toezicht in het openbaar vervoer, door conciërges op scholen. Wijkagenten, buurtregisseurs en stadswachten kennen de buurten en wijken en de mensen die daar wonen en werken. Zij treden op als bemiddelaar, stimuleren de sociale samenhang in hun werkgebied en handhaven regels op straat.

 

Sociale samenhang

Het CDA vindt het terugbrengen van sociale samenhang in buurten, wijken en dorpen van groot belang. Een afnemend ‘buurtgevoel’ kan leiden tot een gevoel van sociale onveiligheid. Het CDA staat daarom voor een harde aanpak van overlast en criminaliteit die de veiligheid en leefbaarheid aantasten. Malafide huis- en pandeigenaren moeten kunnen rekenen op lik-op-stuk-beleid. Hetzelfde geldt voor mensen die betrokken zijn bij mensenhandel. Dit vraagt om een gerichte aanpak waarbij gemeente, politie, openbaar ministerie, belastingdienst en FIOD samenwerken en optreden.

 

Coffeeshops, strijd tegen drugshandel

De gemeenten moeten vrij zijn en blijven om coffeeshops binnen hun grenzen niet toe te staan. Het CDA steunt dit zogeheten nuloptiebeleid van harte. Daarnaast wil het CDA een eind maken aan het gedogen van coffeeshops, te beginnen met het verminderen van coffeeshops in de buurt van scholen, sportaccommodaties, jeugdvoorzieningen en kinderrijke woonwijken. Een strikt toezicht op de naleving van de zogeheten AHOJG-criteria is voor het CDA uitgangspunt. Bij overtreding van één of meer van deze criteria volgt intrekking van de gebruiks- en gedoogvergunning, waarop de coffeeshop moet worden gesloten. Sluiting van coffeeshops mag echter onder geen beding leiden tot meer handel op straat of verplaatsing naar de illegale handel.

De verkoop van (soft)drugs op straat wordt daarom hard aangepakt. Hierbij hoort, met name in de grensregio’s, de bestrijding van illegale hennepteelt en -verkoop door middel van intensieve grensoverschrijdende samenwerking tussen overheidsdiensten en door koppeling van bestanden. Growshops zijn te vaak afnemers van illegale hennepteelt. De controle hierop dient aangescherpt te worden. Als blijkt dat sprake is van illegale hennepteelt volgt sluiting van growshops.

 

Eigen verantwoordelijkheid

Mensen moeten zelf meedoen om hun eigen en de publieke veiligheid te verbeteren. Daarom wordt het gebruik van mogelijkheden om zelf criminaliteit te voorkomen, gestimuleerd. Bijvoorbeeld door Burgernet en keurmerken (zoals het Keurmerk Veilig Wonen). Daarnaast is landelijke invoering van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor beroepsgroepen belangrijk om de drempels voor melding van huiselijk geweld te verlagen.

 

Fysieke veiligheid

Een goed fysiek veiligheidsbeleid is noodzakelijk. Adequate brand- en milieuvergunningen en het toezicht daarop zijn belangrijk. Het CDA is van mening dat risicovolle bedrijven niet in woongebieden thuishoren. De gemeente dienen hun rampenplannen op orde te hebben. Verder moeten de gemeente zich voorbereiden op invoering van de Wet op de veiligheidsregio’s. De verplichte digitalisering van geo-informatie in 2011 biedt de gemeente de mogelijkheid snel de relevante informatie van objecten voorhanden te hebben in crisis- en rampsituaties.

 

1.2 Leefbaarheid in dorp, buurt en wijk

 

De leefbaarheid in buurten, wijken en dorpen wordt grotendeels bepaald door het gevoel van veiligheid, gevarieerde woningbouw, een goed voorzieningenniveau, een schone, groene buitenruimte en het sociale weefsel tussen gemeenschappen. In de plattelandsgemeente staat als gevolg van demografische ontwikkelingen (ontgroening, vergrijzing en migratie) het voorzieningenpeil onder druk. Dit tast op den duur de leefbaarheid en vitaliteit van dorpen en kernen aan (zie ook hoofdstuk 7).

 

Het CDA vindt het van groot belang dat de gemeente er alles aan doet om burgers in dorpen, buurten en wijken te betrekken bij besluiten over de leefbaarheid en de inrichting van hun directe omgeving. Periodiek overleg of een andere vorm van samenwerking moet gestimuleerd worden. Dit laatste is van groot belang voor het bevorderen van de leefbaarheid, binding en ontmoeting en sociale samenhang.

 

1.3 Publieke ruimte

 

De lokale gemeenschap moet de publieke ruimte heroveren, in de eerste plaats door te zorgen voor goed onderhoud. Regelmatig wordt een wijk- of buurtschouw gehouden. Ook wijkgericht werken is een goede manier om dichtbij en op vraag van de burger bezig te zijn met inrichting en onderhoud van de openbare ruimte. Een verloederde publieke ruimte kan gevoelens van onveiligheid oproepen.

 

De kwaliteit van de publieke ruimte gaat velen ter harte. Mensen ergeren zich bijvoorbeeld aan het bekladden van gebouwen met graffiti of aan hondenpoep op straat. Overlast door hondenpoep moet worden bestreden met voldoende uitlaatplaatsen, het plaatsen van automaten met hondenpoepzakjes en meer afvalbakken.

 

Bij de (her)inrichting van straten en pleinen dient er aandacht te zijn voor het gebruik van duurzame voorzieningen en of het onderhoud goed kan worden uitgevoerd. Er wordt rekening gehouden met de wensen en behoeften van kinderen, ouderen en gehandicapten. Dus aan een levensloopbestendige en aanpasbare openbare ruimte. Binnen elke wijk of buurt dient een ‘plein’ uit te nodigen tot binding en ontmoeting tussen mensen.

 

Verder vindt het CDA het nodig dat de gemeente de algemene onderhoudsnorm regelmatig opnieuw bekijkt en waar nodig bijstelt. Verloedering en vervuiling moeten worden tegengegaan. Woningcorporaties, particuliere verhuurders en particuliere woningbezitters moeten, zo nodig, worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid voor de publieke ruimte.

 

Openbaar groen

In de gemeente moet voldoende ruimte zijn voor groenvoorzieningen. Dit groen moet goed onderhouden worden, op peil worden gehouden en waar mogelijk worden uitgebreid. Regelmatige controle daarvan is belangrijk om ook hier verloedering en vervuiling te voorkomen. Net zoals bij de inrichting en het onderhoud van de openbare ruimte, is het van belang om burgers te betrekken bij onderhoud van groen in hun woonomgeving. Bij planning en onderhoud van de groenvoorzieningen vormt de sociale veiligheid een vast onderdeel.

 

Openbaar groen in de stad draagt bij aan een beter milieu en ruimtelijke kwaliteit. Bomen en planten zijn de longen voor een stedelijke omgeving die in meer of mindere mate vervuilend is. (Meer) openbaar groen en de aanleg van stadsparken (inclusief natuurlijke waterberging) helpen bij de opvang van (regen)water en CO2-uitstoot, gaat opwarming van de stad tegen en verhoogt de binnenstedelijke luchtkwaliteit.




 

2. Gezinnen, jongeren, ouderen en generatiebeleid

 


2.1 Gezinnen

 

Het CDA vindt familie en gezinsleven van groot belang. In gezins- en familieverband groeien kinderen op. Door opvoeding wordt kinderen en jongeren geleerd met regels en verantwoordelijkheden om te gaan. Kinderen, jongeren, grootbrengen is een uitdaging. Uiteraard zijn ouders primair verantwoordelijk voor de opvoeding. Heel veel ouders bieden hun kinderen een veilige, geborgen en stimulerende gezinssituatie.

Het is een feit dat het overgrote deel van de ouders er in slaagt om aan steeds hogere eisen en verwachtingen te voldoen als het gaat om opvoeding van kinderen.

 

Gezinsondersteuning

Er zijn helaas ook ouders die de aan hen gestelde verwachtingen niet waarmaken. Zo is het aantal gemelde gevallen van ernstige verwaarlozing en mishandeling van kinderen nog steeds schrikbarend hoog. Daarom heeft de gemeente in de visie van het CDA een taak ouders/opvoeders te ondersteunen en stimuleren bij hun opvoedende taken. Daarom is het belangrijk dat, waar nodig, er grenzen worden gesteld en wordt opgetreden als deze grenzen overtreden worden.

 

Het CDA steunt het functioneren van het gezin door goede scholingsmogelijkheden, goede opvang en ondersteuning, mogelijkheden voor ontspanning en ontmoeting te bieden. Veel aanstaande ouders volgen samen een zwangerschapscursus. Het CDA wil dat de gemeente stimuleert dat er een laagdrempelige ouderschapscursus wordt aangeboden voor aanstaande ouders.

 

Een degelijke opvoeding legt de basis voor kinderen en jongeren om uit te groeien tot volwassenen die hun eigen plek in de samenleving weten te vinden. Signalen die erop (kunnen) wijzen dat het met kinderen of jongeren niet goed gaat, moeten serieus worden opgepakt. Niet wachten tot het fout gaat, maar proactief handelen vergroot de kans om beschadiging of ontsporing te voorkomen. Het door de gemeente en hulpinstellingen ‘achter de voordeur’ ingrijpen is tegenwoordig een geaccepteerd fenomeen.

De gemeente, jeugdzorg en andere hulpverlenende instanties moeten adequaat samenwerken en tijdig handelen waar nodig. Gemeentelijke regie op de gehele keten van jeugd- en gezinsbeleid blijft noodzakelijk. Voor ernstige probleemgezinnen wordt intensieve (gezins)begeleiding aangeboden. Aanvaarding van deze hulp mag echter niet vrijblijvend zijn. Het belang van het kind vraagt dat ouders/opvoeders hieraan meewerken.

 

Uitgangspunten

In het christendemocratische gedachtegoed zijn gezin en familie de hoeksteen van de samenleving. In gezins- en familieverband kunnen kinderen en jongeren in geborgenheid en veiligheid opgroeien. Als het goed gaat in gezinnen, moet de overheid op afstand blijven en blijven verantwoordelijkheden gespreid. Het uitgangspunt van gerechtigheid gebiedt echter dat de gemeente een taak heeft bij de ondersteuning of zelfs bescherming van kwetsbaren, zoals kinderen en jongeren. Beleid gericht op binding en ontmoeting tussen generaties, tussen jong en oud drukt het uitgangspunt van (leeftijd)solidariteit uit.

 

Centra voor jeugd en gezin

In 2011 zal er in vrijwel elke gemeente een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) komen. In grotere de gemeente komen er mogelijk meerdere van deze centra, met name in de zogeheten aandachtswijken. Kleinere gemeenten kunnen eventueel samen één CJG opzetten. Het is de bedoeling dat deze centra gaan functioneren als een laagdrempelige voorziening waar ouders en opvoeders gemakkelijk naar toe kunnen met vragen over het opvoeden van kinderen. Daarmee kunnen ouders op één locatie terecht met vragen en wordt er door één coördinator een vinger aan de pols gehouden bij gezinnen die met vragen komen.

 

Het is de taak van de gemeente de samenwerking tussen betrokken instanties op te zetten. Daarnaast krijgt het gemeentebestuur doorzettingsmacht om ‘achter de voordeur’ in te grijpen als ernstige problemen in gezinnen onopgelost blijven. Het is van belang dat er niet alleen gebruik wordt gemaakt van het CJG als er echt problemen zijn. Iedereen die opvoedingsvragen heeft, zelfs de meest eenvoudige, moet het CJG weten te vinden. De gemeente stimuleert de bekendheid en laagdrempeligheid van het CJG via gerichte voorlichting. Tevens moet sprake zijn van goede afstemming en, waar nodig, doorverwijzing tussen het CJG en het bureau Jeugdzorg.

 

2.2 Jongeren

 

Een maatschappij zonder jeugd heeft geen toekomst, mist dynamiek en verwondering. Jongeren zorgen voor leven in de brouwerij, in welke betekenis dan ook. Vaak kunnen we trots zijn op onze jeugd, omdat ze zich goed ontwikkelen, onbekommerd in het leven staan en luchtigheid aanbrengen. Met het overgrote deel van de jongeren gaat het goed. Daarom moeten jongeren betrokken worden bij de ontwikkelingen in de gemeente. Via jongerenraden of -platforms kunnen met vertegenwoordigers van jongeren afspraken worden gemaakt over de betrokkenheid van jongeren bij beleid en van specifieke voorzieningen voor de jeugd.

 

Jongeren verdienen een eigen plek in de buurt of wijk. De gemeente kan dit stimuleren door het aanleggen van bijvoorbeeld playgrounds, sportveldjes, skatebanen, enzovoort. Dit past in de visie van het CDA dat jongeren recht hebben op een eigen plek in de lokale samenleving.

 

Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Ouders geven hun kinderen soms veel vrijheid als het gaat om het leren dragen van eigen verantwoordelijkheid. Dat is uiteraard een goed opvoedkundig principe. Maar het kan ook als negatieve keerzijde hebben dat er ruimte ontstaat voor de ontwikkeling van een ongezonde leefstijl van jongeren, dikwijls binnen een groepscultuur. Ouders kunnen onvoldoende zicht hebben of hun greep verliezen als het gaat om de leefstijl van hun kinderen. In die gevallen is het belangrijk dat, naast opvoedingsondersteuning, de gemeente in samenwerking met haar partners een aanvullende rol neemt bij beïnvloeding van de leefstijl van jongeren. In samenwerking met bijvoorbeeld sportverenigingen en scholen, worden programma’s voor jongeren opgezet, waarin wordt gewezen op de risico’s van overmatig alcoholgebruik, ongezonde voeding, (soft)drugsgebruik, gokverslaving, enzovoort.

 

Sommige jongeren veroorzaken problemen die echt niet door de beugel kunnen. Het aandeel van jongeren en jong volwassenen (14- tot 25-jarigen) met betrekking tot overlast en criminaliteit is hoog. Door meer toezicht en elkaar aanspreken op asociaal gedrag en, waar nodig, door consequent optreden, moeten overlast en criminaliteit worden teruggedrongen. Waar nodig, schuwt de gemeente niet maatregelen te nemen zoals (in opklimmende lijn) verscherpte surveillance, extra toezicht in het openbaar vervoer, cameratoezicht, preventief fouilleren en samenscholingsverboden.

 

2.3. Ouderen

 

Dankzij de gestegen welvaart en toegenomen kwaliteit van de gezondheidszorg leven mensen langer. Veel ouderen zijn na hun pensionering nog steeds maatschappelijk actief, anderen genieten volledig van hun welverdiende vrije tijd. Voor de ouderen is het van belang dat de randvoorwaarden om zelfstandig te kunnen wonen optimaal zijn in de vorm van levensloopbestendige woningen of aanleunwoningen bij verzorgingscentra.

 

Er is ook een kwetsbare groep ouderen. Bijvoorbeeld ouderen die vereenzamen, een klein inkomen hebben of met een kwetsbare gezondheid (of een combinatie van deze factoren). Indien nodig, kunnen door de gemeente aangestelde ouderenadviseurs deze ouderen individueel helpen hun weg te vinden op het gebied van wonen, zorg en welzijn. Naast het verstrekken van ondersteuning en voorzieningen is mantelzorg een belangrijk middel om tegemoet te komen aan de hulpvraag van ouderen. Het CDA pleit voor het opzetten van een gemeentelijk steunpunt mantelzorg, waar vraag, informatie en aanbod bij elkaar komen.

 

Er moet ook aandacht zijn voor de risico's op vereenzaming van ouderen. Waar gezins- en familieleden, buren of maatschappelijke organisaties niet of onvoldoende een oogje in het zeil kunnen houden of hulp bieden, kan de gemeente stimuleren dat er periodieke huisbezoeken worden gebracht aan 75-plussers. Zodoende wordt de leef- en woonsituatie van deze leeftijdsgroep in beeld gebracht om de eventuele hulpvraag scherp te krijgen. Een specifiek onderdeel van het welzijnsbeleid moet hierop ingericht zijn.

De gemeente moet met ouderen en hun organisaties communiceren en hen betrekken bij het beleid, bijvoorbeeld als het gaat om de WMO en woon- en zorgvoorzieningen.

 

2.4 Generatiebeleid

 

In de vitale lokale samenleving die het CDA voor ogen staat, is sprake van respect en ontmoeting tussen generaties, tussen oud en jong. Ouderen hebben levenservaring en hebben maatschappelijke ontwikkelingen aan zich zien voltrekken die de moeite waard kunnen zijn te delen met jongeren. Overdracht van kennis over het recente verleden beklijft vaak beter als er persoonlijke ervaringen aan worden toegevoegd. Zo zal het in het onderwijs meer indruk maken als de Tweede Wereldoorlog wordt besproken met iemand die het bewust heeft mee gemaakt. Omgekeerd, kunnen intensievere contacten tussen generaties bijdragen aan meer invoelingsvermogen van ouderen voor wat jongeren beweegt en bezighoudt. (Onderwijs)programma’s of evenementen die zijn gericht op binding en ontmoeting tussen generaties verdienen ondersteuning door de gemeente.

   


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



 

3. Onderwijs

 


3.1 Kwalitatief goed onderwijs

 

Opgroeiende kinderen moeten in ons land de kans krijgen hun talenten te ontwikkelen en te benutten. Dit begint vaak op school. Kinderen en jongeren hebben recht op kwalitatief goed onderwijs. Scholen moeten dan ook voldoen aan kwaliteitseisen en een omgeving bieden waarin leerlingen zich goed kunnen ontwikkelen.

Het CDA vindt het noodzakelijk dat alle scholen aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen en goed onderwijs geven. Ouders moeten er op kunnen vertrouwen dat hun kinderen op school goed worden begeleid en voorbereid op hun toekomst. Toch is er een groep jongeren die voortijdig de school verlaat zonder diploma, dat moet voorkomen worden.

 

Onderwijshuisvesting

Goed onderwijs vraagt om goede onderwijshuisvesting. Actuele beheer- en onderhoudsplannen, realistische leerlingenprognoses alsook voldoende reserveringen, zijn daartoe noodzakelijk. Waar mogelijk vindt decentralisatie plaats van middelen voor huisvesting, zodat schoolbesturen en -directies zelf beslissingen kunnen nemen. Dit alles in goed overleg en met harde afspraken tussen schoolleiding en de gemeente.

 

Uitgangspunten

Het streven naar goed onderwijs is een van de meest praktische vertalingen van de noodzakelijke solidariteit tussen generaties, zoals dat past in het christendemocratische gedachtegoed. Daarnaast moet het onderwijs gericht zijn op het bieden van gelijke kansen en tevens ruimte bieden aan talenten van leerlingen. Zo wordt het streven naar gerechtigheid, een ander christendemocratisch uitgangspunt, gediend.

 

Het CDA staat voor gespreide verantwoordelijkheden voor goed onderwijs tussen de overheid – de gemeente en de onderwijsinspectie – het maatschappelijk middenveld (zelfstandige schoolbesturen), onderwijspersoneel, ouders en leerlingen. De vrijheid van onderwijsrichting is een verworvenheid waarvoor het CDA staat. Vrijheid betekent echter ook het dragen van eigen verantwoordelijkheid; óók het bijzonder onderwijs moet voldoen aan gestelde wettelijke kwaliteitseisen waarop de gemeente en in het bijzonder de onderwijsinspectie toezien. Zo nodig moet de onderwijsinspectie kunnen ingrijpen om de kwaliteit te waarborgen.

 

3.2 School en omgeving

 

Het CDA ziet scholen niet los van hun maatschappelijke omgeving. Omdat de bestuurlijke rol van de gemeente ten aanzien van het onderwijs is veranderd, moet zij vooral samenwerking tussen scholen en instanties stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan: achterstandenbeleid, voortijdig schoolverlaten, terugdringen van ongeoorloofd schoolverzuim, praktijkonderwijs, voor- en naschoolse opvang, peuterspeelzaalwerk, volwasseneneducatie.

 

Omdat opvoeding en educatie in elkaars verlengde liggen, vindt het CDA het belangrijk dat ouders bij de school worden betrokken. De vrijwillige inzet van ouders bij bijvoorbeeld het organiseren van activiteiten is van onschatbare waarde. Ouders/opvoeders zijn de eerst verantwoordelijken voor de opvoeding maar wanneer zij daarin tekortschieten, vormen leraren dikwijls de eerste opvang.

Leraren zijn van grote waarde als het gaat om het opvangen van signalen van verwaarlozing, mishandeling en sociaal-emotionele problemen van leerlingen. Van belang is dan dat bij de omvang van scholen, groepen en klassen de menselijke maat in acht wordt genomen, zodat leerlingen persoonlijke aandacht en begeleiding kunnen krijgen.

 

Fysieke afstanden tot scholen

Basisvoorzieningen als scholen moeten goed gespreid zijn over de gemeente en zijn aldus toegankelijk. Vooral in het landelijke gebied, in een gemeente met meerdere kernen, is de fysieke afstand tot de dichtstbijzijnde school soms groot. Het CDA is van mening dat daaraan bepaalde grenzen moeten worden gesteld en dat de afstand bij dreigende sluiting een aandachtspunt dient te zijn.

 

3.3 Brede scholen

 

Als er combinaties van functies (zoals kinderopvang, sport, open schoolpleinen, zorg) mogelijk zijn – bijvoorbeeld in brede scholen – wil het CDA dat stimuleren. Uitgangspunt blijft dat een school wel een school blijft en dat kinderen goede ontwikkelingskansen worden geboden. Het aanbieden van andere voorzieningen kan daarbij van groot belang zijn. Als in een brede school verschillende scholen samenwerken, dan hecht het CDA er waarde aan dat scholen hun eigen identiteit kunnen behouden.

 

Leer-werktrajecten

Onderwijs en arbeidsmarkt moeten beter op elkaar aansluiten. Het besef is doorgedrongen dat sommige leerlingen via een individueel traject veel beter tot ontplooiing komen. Het CDA steunt dit en wil dat er afspraken gemaakt worden tussen het lokale en regionale bedrijfsleven en de aanbieders van beroepsopleidingen omdat die nu te veel uit elkaar zijn gegroeid. Hiermee kan voor een deel het voortijdig schoolverlaten worden teruggedrongen. Dit is goed voor de toekomst van jongeren en voor de economie.


 


 


4. Participatie, zorg en sociaal beleid


 


4.1. Participatie en WMO

 

Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) in werking getreden. Deze wet geeft de gemeente de taak te zorgen voor een samenhangend pakket van diensten en voorzieningen, zodat iedereen kan participeren in de lokale samenleving. Mensen komen in de visie van het CDA het meest tot hun recht in hun relaties met anderen, en het participatiebeleid moet daarop gericht zijn. De gemeente is op grond van de WMO verantwoordelijk voor:

1.  de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten;

2.  preventieve ondersteuning bij opgroeien en opvoeden;

3.  het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning;

4.  het ondersteunen van vrijwilligers en mantelzorg;

5.  het bevorderen van participatie en zelfredzaamheid;

6.  voorzieningen voor mensen met een beperking;

7.  maatschappelijke opvang en vrouwenopvang;

8.  het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg;

9.  verslavingsbeleid.

 

Het CDA staat nog steeds achter het uitgangspunt van de WMO dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen leefsituatie. Pas wanneer mensen dat niet (voldoende) kunnen en hun sociale omgeving geen ondersteuning (kan) bieden, is er een rol weggelegd voor de gemeente. De WMO-cliënt is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen financiële situatie. Waar mogelijk moet een eigen bijdrage worden betaald voor maatregelen, hulp, voorzieningen of ondersteuning.

 

Het doel is om elke gemeente een leefbare lokale gemeenschap te laten zijn met een grote sociale samenhang in de wijken en buurten. In dat beeld past dat inwoners zelfredzaam en betrokken zijn bij hun omgeving: ze nemen zoveel mogelijk hun eigen verantwoordelijkheid en ondersteunen elkaar waar dat mogelijk is. Burgers die, tijdelijk niet meer op eigen kracht kunnen meedoen of zijn losgeraakt van de samenleving worden ondersteund bij het, weer, op een volwaardige manier kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.

 

Bij de aanbestedingen van vraagafhankelijk vervoer en de huishoudelijke verzorging als onderdeel van de WMO is het van belang dat  goede en betaalbare voorzieningen voorop staan. Kwaliteit van diensten en voorzieningen is voor het CDA leidend bij de aanbestedingen, uiteraard zonder daarbij een goede prijs-kwaliteitverhouding uit het oog te verliezen.

 

Uitgangspunten

Voor het CDA telt ieder mens. De uitgangspunten gerechtigheid en solidariteit doen een appel om ieder individu tot zijn of haar recht te laten komen. Samen leven betekent omzien naar elkaar, mensen ondersteuning bieden waar dat nodig is. Deze ondersteuning kan tijdelijk van aard zijn, omdat in de visie van het CDA het beleid vooral moet zijn gericht op herstel van eigen verantwoordelijkheid. Een aanpak gericht op vroegsignalering, preventie en het wegnemen van oorzaken van is daarom van belang. Dit neemt niet weg dat er ook mensen zijn die langdurig op ondersteuning en hulp door de overheid zijn aangewezen. De gemeente heeft daarbij, afhankelijk van wet- en regelgeving, een bijzondere dan wel een aanvullende taak.

 

4.2 Gezondheidsbeleid

 

Op het gebied van gezondheidsbeleid speelt niet alleen de gemeente een rol. Veel van het gezondheidsbeleid is afhankelijk van nationaal beleid en nationale geldstromen (Algemene wet bijzondere ziektekosten, AWBZ, en Zorgverzekeringswet). Daar waar de gemeente wel een taak heeft, betreft het vooral de openbare gezondheidszorg dat wordt uitgevoerd door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD). Ook heeft de gemeente, de GGD en (in de toekomst het regionale veiligheidbestuur) taken op het gebied van het voorkomen van en optreden bij epidemieën, crises en rampen met risico’s voor de volksgezondheid.

 

Alcoholmisbruik

In toenemende mate drinken jongeren te veel alcohol. Er is zelfs sprake van onverantwoord drankmisbruik waarbij men op steeds jongere leeftijd voor het eerst in aanraking komt met alcohol. Het CDA vindt dat de gemeente actief beleid moet voeren op preventie en vroegsignalering van alcoholgebruik onder minderjarigen. Echter, ook in het kader van de handhaving van wet- en regelgeving en de bestrijding van overlast, moet de gemeente duidelijke grenzen stellen en optreden. Deels vooruitlopend op nationale wetgeving kan daarbij gedacht worden aan het toezicht op het verbod tot verkoop van alcohol aan minderjarigen in supermarkten, in de horeca en op de zogeheten wederverstrekking.

 

Gezondheidsrisico’s

Een ander gezondheidsprobleem in ons land betreft zwaarlijvigheid (obesitas), in toenemende mate ook bij jonge kinderen. Dit wordt veroorzaakt door onvoldoende bewegen en te veel en ongezond voedsel. Via het sportbeleid wordt op allerlei manier geprobeerd mensen aan het bewegen te krijgen. In overleg met schoolbesturen worden de snoep- en frisdrankautomaten op scholen geweerd.

 

Verder, zo blijkt uit onderzoek, is het risico op bepaalde ziektes en aandoeningen (zoals diabetes mellitus, schizofrenie, ADHD) relatief hoger onder bepaalde (leeftijd)groepen niet-westerse allochtonen. Dit vraagt van de gemeente, in samenwerking met GGD, zorgpartijen en migrantenorganisaties, om extra aandacht en actieprogramma’s.

 

Jeugdzorg

De jeugdzorg wordt al jaren geconfronteerd met knelpunten, tekorten en wachtlijsten die soms leiden tot schrijnende situaties. Het CDA vindt dit niet acceptabel. Ieder kind in problemen heeft recht op tijdige jeugdzorg. Er moet een einde komen aan lange wachtlijsten en wachttijden. Verder moeten er genoeg middelen zijn voor een effectieve jeugdzorg om de groeiende vraag naar zorg bij te kunnen houden. Vooral de steeds zwaardere vormen van jeugdzorg, onder meer de gesloten opvang (niet strafrechtelijk), vragen meer aandacht. Er moet ook doelmatiger worden gewerkt door ontschotting (ook tussen ministeries), en het voorkomen en schrappen van overbodige bureaucratische regels. De gemeente moet daarop regie voeren. Ook de op te richten Centra voor Jeugd en Gezin hebben hierin een belangrijke taak.

 

Een lastig punt blijft de positie van jeugdzorg ten opzichte van de gehele keten van jongerenbeleid tot en met jeugdgezondheidszorg. Wettelijk gezien is de provincie verantwoordelijk voor de jeugdzorg. In de praktijk weet de gemeente vaak veel beter wat er leeft en speelt en kan ze flexibeler inspelen op acute zorgvragen. Bovendien is jeugdzorg een onmisbare keten in de gehele schakel van jeugdgezondheidszorg tot en met jeugdbeleid. De gemeente moet hier regie op voeren.

 

4.3 Gehandicapten

 

Mensen met een functionele beperking of handicap verdienen ondersteuning waar dat nodig is en deze behoefte bestaat. Het CDA vindt dat gehandicapten, binnen vast te stellen grenzen, moeten kunnen beschikken over een persoonsgebonden budget zodat zij zelf de benodigde zorg kunnen inkopen. Daarnaast moet er oog zijn voor het sociale netwerk waarbinnen gehandicapten leven. Familie, vrienden, buren en kennissen vormen immers de achtervang waarop zij kunnen terugvallen als het collectieve zorgsysteem onvoldoende kan inspelen op hun specifieke, individuele zorgbehoeften.

 
Bevorderen van zelfredzaamheid

Zelfstandig zijn, zelf beslissingen kunnen nemen, dit zijn voor ieder individu essentiele zaken in het leven. Het is daarom van groot belang dat gehandicapten voldoende informatie en advies kunnen krijgen over bijvoorbeeld wonen, vervoer, werken, recreëren en zorgvoorzieningen. Versnippering van voorzieningen en financiële regelingen is ongewenst. Integrale indicatiesystemen kunnen de gewenste helderheid bieden.

 

Het gehandicaptenvervoer vraagt nauwlettende aandacht. In het kader van de besluitvorming over collectief vraagafhankelijk vervoer zal het CDA de behoeften van gehandicapten goed in de gaten houden. Bij nieuwbouw of reconstructie van woningen is aandacht nodig voor fysieke aanpassingen, vooral om rekening te houden met de specifieke behoeften van gehandicapten.

 

Maatschappelijke ondersteuning

Gehandicaptenbeleid is ook in het kader van de uitvoering van de WMO een aandachtspunt. Het CDA zet zich in voor het voorkomen van onnodige en voor verkorting van procedures. Steeds zal bezien worden of het binnen de balans van zorgvuldigheid en effectiviteit mogelijk is procedures te bekorten. Als er voldoende budget is, is het gewenst subsidies te verstrekken voor projecten die de toegankelijkheid voor gehandicapten van openbare gebouwen, de openbare ruimte en recreatie- en sportvoorzieningen vergroten.

 

4.4 Bestrijding sociaal isolement en armoede

 

Bij de bestrijding van armoede is het van belang onderscheid te maken tussen armoede als de oorzaak van problemen en armoede als het gevolg daarvan. Voor het CDA staat voorop dat mensen redelijkerwijs van een inkomen rond moeten kunnen komen en de noodzakelijke kosten van het bestaan moeten kunnen opbrengen. Wanneer dat niet lukt, zal de overheid de helpende hand moeten bieden via inkomensbeleid. Het is vooral van belang om attent te zijn op de hoogte van vaste lasten, kosten voor wonen (energie), zorg en kinderen. Sommige mensen belanden in armoede omdat ze op allerlei manieren in het leven vastlopen: relatieproblemen, een gebrekkig financieel beheer, gemis aan een structuur en discipline, verslaving enzovoort. In dat geval is extra inkomensondersteuning geen oplossing, maar zijn andere vormen van sociale en maatschappelijke ondersteuning nodig.

 

Bij armoedebeleid gaat het dus enerzijds om inkomensbeleid, anderzijds om maatschappelijke participatie en bestrijding van sociaal isolement. In het algemeen geldt dat betaald werk de beste manier is om uit armoede te ontsnappen. De gemeente heeft dus een taak mensen die aan het werk kunnen weer aan de slag te krijgen. Het is tevens realistisch om te onderkennen dat niet iedereen betaald werk kan verrichten. Hier komen oplossingen in de sfeer van de Wet sociale werkvoorziening, maatschappelijke participatie in de vorm van vrijwilligerswerk in beeld.

 

Het CDA vindt dat de gemeente bij het armoedebeleid oog moet hebben voor de zogeheten armoedeval die optreedt als mensen aan het werk gaan. Tegelijkertijd is het CDA zich ervan bewust dat voor sommige mensen de weg naar betaalde arbeid definitief is afgesloten. Voor deze mensen is een sociaal rechtvaardig armoedebeleid levensnoodzaak. Op basis van de eerder geformuleerde uitgangspunten van gerechtigheid en solidariteit kiest het CDA daarom voor een rol van de gemeente die is gericht op ondersteuning van mensen die (soms tijdelijk) geen uitzicht meer hebben op regulier werk vanwege medische en/of sociale redenen.

 

Financiële tegemoetkoming van de extra kosten ten gevolge van chronische ziekte of handicap is voor het CDA uitgangspunt van beleid. De gemeente kan bijvoorbeeld daartoe een collectieve ziektekostenverzekering afsluiten.

 

Het CDA maakt zich zorgen over de maatschappelijke participatie van kinderen uit gezinnen die moeten rondkomen van een minimuminkomen. Om er voor te zorgen dat deze kinderen volwaardig maatschappelijk kunnen blijven participeren en de inkomenspositie van de ouders daarvoor geen belemmering vormt, kan een declaratieregeling voor maatschappelijke participatie van kinderen ontwikkeld worden. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een vergoeding voor (een gedeelte) van de kosten voor peuterspeelzaal, contributie voor een sportvereniging, of de kosten van zwemlessen. Ook het verlenen van bijstand in natura behoort tot de mogelijkheden.

Om mensen die alleen AOW(of een onvolledig) pensioen krijgen beter in beeld te brengen, komt er een verplichting voor de gemeente om de GBA-bestanden te koppelen met die van de Sociale Verzekeringsbank. De gemeente kan aldus gerichter bijzondere bijstand verlenen, waar nodig.

 

Samenwerking

In de visie van het CDA zoekt de gemeente niet alleen naar oplossingen voor bestrijding van armoede, maar gaat zij tevens het gesprek aan met het maatschappelijk middenveld: kerken, levensbeschouwelijke organisaties, vrouwengroepen, migranten- en gehandicaptenorganisaties enzovoort. Ook goede afspraken met woningcorporaties, sociaal en maatschappelijk werk en kredietverlenende instanties zijn van belang. Zo komen gemeente en gemeenschap tot een lokaal programma, gericht op het bestrijden van armoede en sociaal isolement bij mensen met een minimuminkomen zonder reëel perspectief op betaald werk.

 

Schuldhulpverlening

Het CDA staat voor een duidelijke visie van de gemeente op schuldhulpverlening. De gemeente moet vooral een preventief beleid voeren, gericht op het voorkomen dat mensen in problematische schuldsituaties raken. De gemeente heeft hiertoe afspraken gemaakt met woningcorporaties met betrekking tot het tijdig signaleren van huurschulden, zodat huisuitzettingen kunnen worden voorkomen. Ook moet de gemeente afspraken maken met Algemeen Maatschappelijk Werk over mogelijkheden voor schuldsanering en over begeleiding bij budgettering.

 

In de gemeente dient voldoende sociaal- en maatschappelijk werk aanwezig te zijn voor de begeleiding van mensen die schulden (dreigen te) hebben. Daarnaast kan de gemeente ervoor kiezen particuliere schuldhulpverlening, diaconaal en parochiaal werk te ondersteunen.

Voor het aangaan van een gemeentelijke saneringsregeling voor hoge schulden kunnen de wettelijke mogelijkheden worden benut. Tot slot is goede afstemming tussen sociaal beleid (inkomensondersteuning), WMO en schuldhulpverlening van groot belang.

 

Kwijtschelding

Het CDA is voorstander van kwijtschelding van de OZB en heffingen voor mensen met een inkomen op of rond het niveau van een bijstandsuitkering. Voor kwijtschelding komen alle belastingplichtigen in aanmerking die niet of nauwelijks in staat zijn om een gemeentelijke belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen. Het toekennen van de kwijtschelding vindt plaats op basis van de wettelijk verplichte vaststelling van de individuele betalingscapaciteit.

 

Aan bijstandsgerechtigden zonder uitzicht op een betaalde baan en belastingplichtigen van 65 jaar en ouder die meerdere opeenvolgende jaren kwijtschelding hebben aangevraagd en gekregen, wordt geen gemeentelijke belastingaanslag meer gestuurd. Betrokkenen zijn verplicht eventuele wijzigingen in hun inkomenspositie aan de gemeente te melden. Door middel van een steekproefsgewijze controle gaat de gemeente na of dit inderdaad het geval is.

 

4.5 Maatschappelijke opvang en verslavingszorg

 

In ons land leven tienduizenden mensen aan de zelfkant van de samenleving. Daarnaast bestaat er een groep mensen die aan die zelfkant terecht dreigt te komen. De problemen zijn zeer divers, maar dikwijls zijn factoren als drank- en drugsverslaving, schulden, gebroken relaties en psychische stoornissen (al dan niet in combinatie) van grote invloed.

 

Dak- en thuislozen

Met name de (middel)grote steden worden geconfronteerd met de problemen die voortvloeien uit verslaving en dak- en thuisloosheid. Voor maatschapppelijke opvang, verslavingszorg, vrouwenopvang en opvang van zwerfjongeren voert een aantal centrumgemeenten het beleid mede uit voor omliggende (vaak kleinere) gemeenten. Dit vraagt om goede regionale afspraken tussen de gemeente bij de uitvoering van het zogeheten Stedelijk Kompas.

 

Het CDA is, voor zover aan de orde in de gemeente, voor een gestructureerde opvang van dak- en thuislozen, (inclusief vrouwenopvang en opvang van zwerfjongeren). Met name de realisatie van dag- en nachtopvang in zelfbeheer vormt een aandachtspunt. Regionale samenwerking is hierbij een vereiste, wil de opvang en zorg optimaal kunnen zijn.

Op de lange termijn moet het beleid gericht zijn op terugkeer van deze kwetsbare groepen in de maatschappij. Zij moeten uiteindelijk (weer) in staat worden gesteld verantwoordelijkheid voor zichzelf en hun omgeving te dragen. Dit kan niet van de ene op de andere dag en het vraagt tevens om individueel maatwerk. Algemeen gesteld is het doel dat hulp aan dak- en thuislozen fasegewijs wordt afgebouwd: van opvang, via begeleiding (begeleid wonen en werken) en nazorg, naar volledig herstel van zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid.

 

Verslavingszorg

Mensen die verslaafd raken aan drugs, alcohol of gokken vervallen tot grote afhankelijkheid, maar blijven verantwoordelijk voor hun eigen gedrag. Dat is het uitgangspunt bij de verslavingszorg die het CDA voor ogen staat. Vooral jonge drugsverslaafden vragen aandacht. In het kader van gezondheidspreventie betekent dit dat het aantal coffeeshops moet worden afgebouwd in combinatie met een harde aanpak van illegale huisteelt en van de straathandel in drugs. (Soft)drugs zijn niet onschuldig, ze hebben – zeker bij veelvuldig gebruik en/of in combinatie met alcohol – zeer schadelijke effecten op de gezondheid van mensen. Dit nog afgezien van onwenselijke effecten die drugsgebruik en

-handel veroorzaken, zoals overlast en criminaliteit.

 

In de visie van het CDA telt ieder mens; niemand mag worden afgeschreven door de samenleving. Drugsverslaafden moeten daarom worden geholpen – desnoods tegen hun wil – af te komen van hun verslaving. De CDA-aanpak van de drugsproblematiek is er enerzijds op gericht om de verslaafde te helpen om van de verslaving af te komen en anderzijds om overlast en criminaliteit tegen te gaan. Naast drugsverslaving vragen ook alcohol- en gokverslaving om een actief beleid van de gemeente gericht op preventie, vroegsignalering en ondersteuning van zorgverlenende instellingen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


5. Vrijwilligers, sport, cultuur en integratie

 


5.1 Vrijwilligers

 


Verenigingen

Het CDA gelooft in een samenleving waarin mensen naar elkaar omzien en verantwoordelijkheid voor elkaar nemen. Heel praktisch ziet men dit terug daar waar mensen participeren in verenigingen. Binnen een vereniging zetten mensen zich vrijwillig in voor een gemeenschappelijk doel. Op natuurlijke wijze raken mensen daar tevens betrokken op elkaar. Het gemeentelijke beleid moet gericht zijn op het faciliteren van verenigingen voor zover zij een maatschappelijk doel nastreven. Het subsidiebeleid moet daarop ingericht zijn. Binnen de WMO-cliëntenraad moet dit als specifiek aandachtspunt genoemd worden in de advisering met betrekking tot het WMO beleid.

 

Vrijwilligerswerk en mantelzorg

Vrijwilligers zijn de ruggengraat van onze samenleving. Veel maatschappelijk nuttige taken zouden blijven liggen als er geen mensen zouden zijn die zich onbezoldigd willen inzetten voor de medemens. Vrijwilligers moeten hierin ondersteund worden, door hen inspraak te geven in beleid, voorzieningen te bieden voor

deskundigheidsbevordering en door praktische ondersteuning. Het CDA kiest voor het bevorderen van vrijwilligerswerk en het opzetten van een gemeentelijke vrijwilligersbank. Nadrukkelijk zal daarbij aandacht moeten zijn voor het werven en behouden van jongeren als vrijwilligers (zie maatschappelijke stage). Vrijwilligers kunnen verder ondersteund worden via het afsluiten en financieren van een ongevallen- en WA-verzekering, bijvoorbeeld bij sportverenigingen.

 

Mantelzorgers zijn mensen die zorgtaken op zich hebben genomen voor een dierbare die is aangewezen op hulp en verzorging. De gemeente kan zorgen voor een stuk verlichting voor deze vaak zwaarbelaste mensen. Via reguliere subsidies kan de gemeente het maatschappelijk werk of de openbare geestelijke gezondheidssector stimuleren specifiek beleid te voeren voor de mantelzorgers. Tevens dient er sprake te zijn van deskundigheidsbevordering bij deze organisaties zodat niet alleen een collectief ondersteuningsaanbod maar tevens maatwerk geleverd kan worden.

 

Het CDA vindt dat de gemeente de waardering van vrijwilligers en mantelzorgers tot uitdrukking moet laten komen door hen te ondersteunen bij hun waardevolle taak. Dit kan onder andere door gemeentelijke subsidies voor organisaties die vrijwilligers en mantelzorgers ondersteunen. Een andere mogelijkheid is dat de gemeente vrijwilligers en mantelzorgers jaarlijks in het zonnetje zet door een speciale ‘Dag voor de vrijwilliger’ met tal van activiteiten te organiseren.

 

Maatschappelijke stage

De maatschappelijke stage is vanaf 2011 een verplicht onderdeel van het curriculum van de middelbare scholen. De gemeente heeft een belangrijke verantwoordelijkheid gekregen om vraag en aanbod goed op elkaar af te stemmen. Voor deze makelaarsfunctie zijn middelen beschikbaar via het gemeentefonds.


Het CDA wil dat de gemeente actief in gesprek gaat met scholen om daadwerkelijk werk te maken van de uitvoering van de maatschappelijke stage. Scholen hebben naast een pedagogische ook een maatschappelijke functie door jongeren voor te bereiden op hun taak in de maatschappij. Jongeren zien de stage vaak als een kans en een leuke uitdaging om kennis te maken met het vrijwilligerswerk. Het is van groot belang dat ze hierin ervaring opdoen, omdat vrijwilligers het cement van de samenleving vormen.

 

Het CDA hecht er aan dat jongeren zelf keuzes kunnen maken bij de invulling van de maatschappelijke stage. Ze mogen hun eigen wensen invullen. De school en de gemeente moeten ervoor zorgen dat er afstemming met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties plaatsvindt.

 

5.2 Kerken en levensbeschouwelijke organisaties

 

Kerken, moskeeën, synagogen en levensbeschouwelijke organisaties, zoals het Leger des Heils, vervullen een belangrijke rol bij de bewustwording van en het zoeken naar oplossingen van maatschappelijke problemen. Kerken en levensbeschouwelijke organisaties spelen een belangrijke rol bij het opvangen van vluchtelingen, van daklozen en bij de bestrijding van armoede. Het CDA wil dat kerken en daarmee te vergelijken instituties betrokken worden bij de uitvoering van (onderdelen van) de WMO.

 

5.3 Sport

 

Sporten is gezond. Zowel voor het lichaam als voor de geest. Het gemeentelijk sportbeleid moet gericht zijn op alle leeftijden. Sport is zeker voor kinderen en jongeren van belang omdat het eigenwaarde opbouwt. Daarnaast leren kinderen en jongeren bij sporten in teamverband regels in acht te nemen, te delen in sportiviteit en het belang van respect voor elkaar en de tegenstander.

Sportverenigingen krijgen naast hun primaire functie in toenemende mate een maatschappelijke rol bij de aanpak van sociale problemen en het bevorderen van gezondheidsbewustzijn. De gemeente moet daarom sportverenigingen zowel financieel als organisatorisch ondersteunen. Het subsidiebeleid moet sport betaalbaar en bereikbaar houden voor de inwoners. Dat burgers daaraan zelf financieel bijdragen is vanzelfsprekend. Voor mensen met een minimuminkomen wordt sportbeoefening onderdeel van het gemeentelijke armoedebeleid.

Een van de grootste problemen van sportverenigingen is het vinden van vrijwilligers. Van verenigingen mag worden gevraagd zich in te spannen om bepaalde doelgroepen te bereiken, zoals jongeren, migranten, mensen met een laag inkomen en gehandicapten.

 

De gemeente geeft niet altijd directe financiële steun aan sportverenigingen, maar neemt de (meeste) kosten voor aanleg, beheer en onderhoud van sportaccommodaties voor haar rekening. Sportverenigingen hebben lang niet altijd genoeg directe inkomsten en reserves om hun accommodatie te onderhouden, laat staan tijdig te vernieuwen. Het CDA hecht aan een bloeiend (sport)verenigingsleven. Dit betekent echter niet dat de gemeente niet kritisch moet kijken naar het bestaansrecht van sportverenigingen.

De gemeente kan via een gemeentelijk sportcoördinatiepunt concrete ondersteuning bieden bij beleidsondersteuning en afstemming van breedtesport met topsport.

 

5.4 Erfgoed, kunst, cultuur en media

 

Erfgoed

In elke lokale gemeenschap is wel cultureel en historisch erfgoed terug te vinden, zoals monumentale panden en landgoederen. Dit is van grote waarde. Vaak biedt dit erfgoed een blik op het verleden met lessen voor de toekomst of geeft het een beeld van hoe er in verschillende tijden tegen zaken aangekeken wordt. In die zin biedt het mensen verstrooiing en maakt ze los van de waan van de dag. Elke gemeenschap moet zorgvuldig en respectvol met haar erfgoed omgaan.

 

Kunst

Een bijzonder onderdeel van kunst is de amateurkunst. Niet alleen als vrijetijdsbesteding maar in toenemende mate als dagbesteding binnen de zorg. In het kader van het onderwijs of buitenschoolse activiteiten kunnen kinderen en jongeren zich bewust worden van hun talenten voor creatieve zaken. Dit moet verder gestimuleerd worden. Waar mensen elkaar vinden in een gezamenlijke bezigheid ontstaat onderling respect als vanzelf. Op gemeentelijk niveau is amateurkunst daarom een gewaardeerd onderdeel dat ondersteuning niet alleen nodig heeft, maar ook verdient.

 

Kunst in de openbare ruimte geeft een kwaliteitsimpuls aan de bebouwde omgeving. Het nodigt uit om stil te staan bij wat je ziet of ervaart en kan zo bijdragen aan een moment van verwondering en bezinning. Toegepaste kunst in civiele werken in een gemeente kan een kwaliteitsimpuls geven. Het CDA pleit dan ook voor een vernieuwde manier van samenwerking tussen de gemeente, kunstenaars en bedrijfsleven.

Het CDA sluit daarbij aan bij de tendens in het kunst- en cultuurbeleid die leidt tot een cultureel bewustzijn in de samenleving (zogeheten ‘vermaatschappelijking’ van kunst). Samen met kunstenaars wordt getracht burgers te betrekken bij kunstprojecten. Op deze manier blijft er niet alleen iets tastbaars achter, maar heeft het mensen ook samengebracht met een blijvende herinnering hieraan. Gewaakt moet daarbij worden voor nivellering van cultuuruitingen. Dit laat onverlet dat daar waar sprake is van gemeentelijke kunstcommissies, het CDA van mening is dat hierin ook burgers zitting moeten hebben.

 

Het CDA daagt kunstenaars uit óók ondernemer te zijn. Te lang is kunst- en cultuurbeleid vooral subsidiebeleid geweest. Samen met het bedrijfsleven moet meerwaarde gezien en gevonden worden opdat cultuuruitingen kunnen rekenen op draagvlak in de lokale gemeenschap, waarvoor indien aan de orde ook een financiële prijs moet worden betaald. De gemeente kan daarbij faciliterend optreden.

 

Media

De lokale en regionale media hebben een belangrijke functie. Niet alleen als maatschappelijk fenomeen, maar zeker ook vanuit de democratische gedachte (om nog maar te zwijgen van de rol van de media bij crises en rampen). Media voorzien in informatie en betrekken daardoor mensen bij de politiek. De lokale media bedienen zich daarbij ook van internet. De media dienen een stem te bieden aan de autochtone en allochtone bevolking. Het gebruik van de Nederlandse taal, als middel tot integratie is hierbij uitgangspunt.

 

5.5 Integratie en participatie

 

Goed nieuws mag niet worden verzwegen. Dat geldt zeker voor de positieve kanten van integratie, voor voorbeelden die anderen inspireren.

 

Christendemocratische benadering

Het maatschappelijke debat over integratie in de afgelopen jaren wordt gedomineerd door polarisatie, het benadrukken van (vermeende) tegenstellingen, soms gevolgd door politiek debat over het nemen van vooral repressieve maatregelen. Het CDA kiest principieel voor een andere benadering, zowel inhoudelijk als wat toonzetting betreft. Christendemocraten stellen gedeelde waarden centraal. In de kern gaat het erom dat mensen uniek zijn, een eigen verantwoordelijkheid dragen en worden uitgenodigd om zich in te zetten voor de gemeenschap waarvan men deel uitmaakt. Niet wat iemand is maar wat hij of zij concreet doet is van betekenis. Wanneer mensen ondersteuning behoeven, moet dit worden geboden. Daar waar men over de scheef gaat moet correctie volgen.

 

Veel migranten vinden vanzelf hun weg, voor anderen is het lastiger en ligt sociaal en maatschappelijk isolement op de loer. Dat laatste kan leiden tot allerlei elkaar versterkende problemen als (ernstige) problemen in het gezin, vroegtijdig schoolverlaten zonder diploma, werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid, (jeugd)criminaliteit, enzovoort. We moeten er dus voor zorgen dat het zover niet komt. Enerzijds door de eigen kracht van mensen te ondersteunen, anderzijds door grenzen te stellen waar dat geboden is.

 

Een aanpak kan pas vruchten afwerpen als oorzaken en gevolg kunnen worden benoemd, als ongewenste ontwikkelingen bespreekbaar zijn. Dat vindt het CDA niet uit een oogpunt van politieke stoerheid en zeker niet om te stigmatiseren naar bevolkingsgroepen; zaken moeten eenvoudigweg worden benoemd als dat de feiten zijn. Pas op basis van feiten kunnen oplossingen succesvol zijn. Deze benadering werkt naar twee kanten als het gaat om vraagstukken die samenhangen met integratie en inburgering. Waar bijvoorbeeld vooral allochtone jongeren van Marokkaanse en Antilliaanse afkomst een relatief hoog aandeel hebben in overlast en criminaliteit moet dat niet worden verzwegen. Daar staat tegenover dat het vaak gaat om een kleine, maar harde kern die het verziekt voor de meerderheid. Een meerderheid die dan last kan hebben van negatieve beeldvorming en van discriminatie, dat overigens door overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven actief moet worden bestreden.

 

Tot slot moet worden opgemerkt dat integratie en inburgering geen algemeen toepasbare processen zijn waarvan de looptijd exact is aan te geven. Migranten kunnen al decennia of pas kort in ons land leven, sommigen spreken vloeiend Nederlands, anderen gebrekkig of niet. Men is wel of helemaal niet maatschappelijk actief. Kortom, bij integratie en inburgering moet voldoende rekening worden gehouden – binnen zekere grenzen – met de individuele achtergrond, vaardigheden en competenties van migranten.

 

Rol de gemeente

De inzet van de gemeente ten aanzien van integratie en inburgering van migranten is in de visie van het CDA gericht op de volgende taken.

 

1. Stimuleren van binding en ontmoeting

De gemeente stimuleert en ondersteunt activiteiten uit de samenleving die zijn gericht op binding en ontmoeting tussen verschillende bevolkingsgroepen (interculturele activiteiten). Ook migrantenorganisaties hebben hier een belangrijke rol.

 

2. Opvoeding en onderwijs

Het CDA vindt dat de gemeente waar nodig ondersteuning in de opvoeding moeten bieden aan zowel ouders als kinderen, ongeacht afkomst en etnische achtergrond. Dit moet in samenwerking met verloskundigen, consultatiebureaus en scholen.

 

3. Nederlandse taal en inburgering

Beheersing van de Nederlandse taal is onmisbaar om te kunnen communiceren en functioneren in onze samenleving. Daar is lang te relativerend over gedaan. De gemeente heeft de taak om taalcursussen en inburgeringtrajecten te organiseren voor migranten. Het CDA vindt dat een gemeente hier bovenop moet zitten, omdat het migranten helpt een weg te vinden in de maatschappij. Voor oudkomers wil het CDA laagdrempelige taalcursussen via scholen en buurtcentra realiseren. Voor nieuwkomers is het snel aanleren van het Nederlands onderdeel van het inburgeringtraject, het liefst in combinatie met (vrijwilligers)werk.

 

4. Inkomen door arbeid

Mensen zijn verantwoordelijk om in het eigen inkomen te voorzien door arbeid als zij dat kunnen. Van uitkeringsgerechtigden mag worden gevraagd dat zij actief solliciteren om aan de slag te komen. Om goed toegerust te zijn op de arbeidsmarkt is een afgeronde opleiding van groot belang. Helaas is het percentage voortijdig schooluitval onder bepaalde migrantengroepen nog te hoog. Het CDA vindt dat de gemeente het initiatief moeten nemen tot projecten, waarin onder andere CWI, UWV, bedrijfsleven en scholen samenwerken. Hiermee komen laagdrempelige contacten tot stand tussen werkgevers en werknemers. Hierbij kunnen succesvolle allochtone ondernemers als een persoonlijke mentor optreden. Het is van groot belang dat via deze contacten stages, leer-werktrajecten en arbeidsplaatsen voor migrantenjongeren tot stand komen.

 

5. Bestrijden van discriminatie

Integratie en inburgering kunnen slechts succesvol zijn als migranten met respect voor hun cultuur, religie en traditie worden bejegend. Omgekeerd mag van migranten respect voor de waarden en normen in onze samenleving worden gevraagd. Bevordering van de maatschappelijke participatie van migranten vraagt tevens om gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Discriminatie moet daarom actief worden bestreden.

 

6. Overlast en criminaliteit hard aanpakken

In de visie van het CDA hebben de gemeente een belangrijke rol bij het bestrijden van overlast, (straat)criminaliteit en geweld. Bekend is dat aanvaarding van gezag door sommige (groepen van) allochtone jongeren anders wordt beleefd of soms minder vanzelfsprekend is. De gemeente kan daarop inspelen door gezaghebbende volwassenen uit de eigen cultuur, zoals buurtvaders, in te zetten bij preventie van overlast en criminaliteit op straat.


 

 

 

6. Ruimtelijke ordening en wonen


 


6.1 Ruimtelijke ordening

 

De inrichting van de publieke ruimte raakt ons allen. Het gaat om het scheppen van een zo goed mogelijk evenwicht tussen wonen, werken en recreëren, tussen economische en ecologische functies. Ruimtelijke ordening is een middel en geen doel. Het is een belangrijk instrument om leefbaarheid in de gemeente in stand te houden en te bevorderen.

 

Op nationaal niveau zijn in de achterliggende periode belangrijke besluiten genomen over ruimtelijke ordening die een nieuw bestuurlijk kader scheppen voor de gemeente. Vooral de Nota Ruimteen de nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening (nWRO) zijn van betekenis. De nWRO is sinds 1 juli 2008 van kracht. De verplichte digitalisering van bestemmingsplannen (te realiseren in 2011) vergroot de betrokkenheid van inwoners bij het ruimtelijke ordeningsbeleid van de gemeente.

 

Het ontwikkelen van nieuwe bedrijfsterreinen met zoveel mogelijk zichtlocaties staat bij veel gemeenten hoog op de agenda. In de regel krijgt revitalisering van bestaande bedrijfsterreinen echter te weinig aandacht. Verloedering van dergelijke terreinen komt te veel voor.

Inwoners en maatschappelijke organisaties tonen steeds meer belangstelling voor de ruimtelijke kwaliteit en het cultuurhistorische karakter van gebieden. Zij verwachten dat de gemeente bij het maken van plannen voor ruimtelijke ingrepen rekening houdt met landschappelijke, ruimtelijke en cultuurhistorische aspecten. Het CDA vindt dat de ruimtelijke kwaliteit van het open landschap meer aandacht moet krijgen.

 

Uitgangspunten

Voor het CDA zijn ten aanzien van de ruimtelijke ordening twee uitgangspunten leidend: gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap. Bij bestuurlijke oplossingen is er sprake van een duidelijke relatie tussen deze uitgangspunten. Het eerste uitgangspunt is dat van een heldere verdeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het CDA vindt dat de gemeente als eerste aan zet is bij de ruimtelijke inrichting van de directe leef- en woonomgeving van inwoners. Uiteraard moet de gemeente rekening houden met structuurvisies van de rijksoverheid en de provincie. Maar het motto blijft: ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’. Deze benadering sluit goed aan bij de Nota Ruimte en de nWRO waarin meer verantwoordelijkheid bij de gemeente wordt neergelegd. Het is een uitdaging voor elke gemeente deze nieuwe rol op een kwalitatief hoogwaardige manier in te vullen.

Het tweede uitgangspunt, rentmeesterschap, heeft te maken met het feit dat het bij ruimtelijke ordening gaat om keuzes voor de lange termijn. Dat betekent dat bestuurders zich ervan bewust moeten zijn dat de inrichting van de openbare ruimte ook gevolgen heeft voor de komende generaties. Daarom is het van belang burgers, maatschappelijke organisaties en ondernemers zoveel mogelijk te betrekken bij deze keuzes.

 

Verschillende regionale opgaven

De regionale demografische ontwikkelingen  hebben verstrekkende gevolgen voor onder meer de ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. Wat is het antwoord op ontgroening, vergrijzing en gezinsverdunning in bepaalde regio’s? Proberen we daar toch bevolkingsgroei te stimuleren door nieuwbouw of durven we het juist aan bestaande woningen te verkleinen of zelfs te slopen? Blijven we, gelet op het groeiende aantal alleenstaanden of tweepersoonshuishoudens zonder kinderwens, toch vooral gezinswoningen bouwen? Het zijn allemaal vragen waar de gemeente een passend antwoord op moet geven. Demografische ontwikkelingen vragen om maatwerk, binnen regionale afspraken.

 

Vergunningen en handhaving

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die naar verwachting op 1 januari 2010 in werking treedt, introduceert de omgevingsvergunning. Dit is één geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu. Dit stelt de gemeente in staat tot betere afstemming van vergunningverlening en handhaving op deze terreinen. De deregulering door de Wabo draagt tevens bij tot minder administratieve lasten voor en betere dienstverlening aan burgers en bedrijven, tot kortere procedures, en maakt een einde aan tegenstrijdige regels en voorschriften.

 

6.2 Wonen voor iedereen

 

Wonen is een eerste levensbehoefte. Helaas is de woningmarkt voor veel mensen minder toegankelijk en betaalbaar dan het CDA zou willen. In bepaalde regio’s zitten zowel de huur- als de koopsector (bijna) op slot. Zowel bestaande als nieuwe woningen zijn praktisch onbetaalbaar geworden voor starters.

 

Woningmarkt vlottrekken

Hoewel de belangrijkste financiële regelingen voor wonen op landelijk niveau zijn geregeld (aftrekbaarheid hypotheekrente, huurtoeslag) moet de gemeente doen wat ze kan om de verstopte woningmarkt weer vlot te trekken.

 

Het CDA staat een actief doelgroepenbeleid voor als het gaat om woningbouw voor starters en senioren. Beide groepen komen moeilijk aan een kwalitatief goede en betaalbare woning. Als er genoeg goede woningen voor senioren worden gebouwd, komt er doorstroom op gang die ruimte biedt aan starters. De gemeente maakt concrete afspraken over het nieuwbouwprogramma met ontwikkelaars en woningcorporaties.

 

Meer keuzevrijheid en zeggenschap

Het CDA vindt dat kopers en huurders meer zeggenschap en keuzemogelijkheden moeten krijgen bij nieuwbouw. De gemeente kan hierbij gebruik maken van de mogelijkheden die de nWRO biedt. Architecten en ontwikkelaars denken te veel voor en te weinig met de toekomstige gebruikers. Het CDA is er voorstander van om goed gebruik te maken van de deskundigheid van het WAC. Vormen van (individueel en collectief) particulier opdrachtgeverschap verdienen ondersteuning door de gemeente. Daarbij heeft de gemeente ook oog voor de risico’s van particulier opdrachtgeverschap.

 

Gemeente en woningcorporaties

Woningbouwcorporaties, zorginstellingen, scholen, maatschappelijke organisaties en de gemeente kunnen samen meer bereiken dan iedere partij afzonderlijk. De gemeente moet partijen bij elkaar brengen om concrete afspraken te maken over goede, betaalbare woningen en voorzieningen. Het CDA blijft woningcorporaties aanspreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te investeren in woningen en omgeving. Renovatie en sloop van woningen vinden plaats op basis van gezamenlijke afspraken tussen gemeente en woningcorporaties. Ook over de aan- en verkoop van corporatiewoningen maakt de gemeente afspraken met woningcorporaties met oog op de strategische kernvoorraad huurwoningen. Tot slot moeten er afspraken worden gemaakt met woningcorporaties over de huisvesting van mensen die onder de generaal pardonregeling asielzoekers vallen en woonachtig zijn in de gemeente en voor tijdelijke buitenlandse werknemers.

 

Bouw- en woningtoezicht

In een samenleving waarin respect voorop staat, moet ook sprake zijn van respect voor particuliere eigendommen. Daar staat tegenover dat eigendom ook verplichtingen schept als het gaat om beheer, onderhoud en veiligheid. Op grond van wet- en regelgeving moet de gemeente actief optreden tegen zaken als illegale verhuur en onveiligheid. Bouw- en woningtoezicht is en blijft een belangrijke gemeentelijke taak.

 

In de visie van het CDA gaat de verantwoordelijkheid van de gemeente echter verder. Namelijk door particulieren, corporaties en ondernemers aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor beheer, onderhoud en veiligheid, en door zo nodig handhavend op te treden. De gemeente voert een actief beleid tegen verloedering van woningen en kantoorpanden. De gemeente dient te stimuleren dat er actieve verenigingen van eigenaren zijn, die hun (appartementen) complexen goed onderhouden.

 

6.3 Welstand

 

Veel mensen voelen zich betrokken bij de bebouwde omgeving. Daarbij gaat het niet alleen om de kwaliteit van de bebouwing zelf, maar ook om de inrichting, de inbedding in het groen en de vormgeving van het stratenpatroon. Er is steeds meer kritiek op het welstandsbeleid van de gemeente en de rol van de welstandscommissie. De maatschappelijke tendens is dat bewoners meer keuzevrijheid en inspraak willen ten aanzien van hun directe leefomgeving. De rol van de welstandscommissie dient daarvoor te worden teruggedrongen. Daar waar het gaat om monumenten, zowel gemeentelijke- als rijksmonumenten en in kernwinkelgebieden en historische kernen blijft een welstandsbeleid noodzakelijk.

Ook op nationaal niveau wordt deze tendens gestimuleerd in aanstaande wet- en regelgeving.

 

Voor het CDA staat voorop dat het welstandsbeleid gebaat is bij helderheid over de welstandscriteria. Voor de burger moet het daarbij helder zijn welke regels en voorschriften hij in acht moet nemen bij het bouwen van de woning. Bepaalde eisen van welstand blijven noodzakelijk om een bepaalde eenduidige beeldkwaliteit te realiseren. Dat neemt niet weg dat de gemeente ook moet durven loslaten.



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7. Het landelijke gebied

 


Het karakter en de functies van het landelijk gebied zijn vooral in de laatste decennia sterk veranderd. Ook de agrarische sector is in de afgelopen jaren sterk veranderd waarbij ondernemers kans hebben gezien om met minder werknemers hun bedrijven uit te bouwen en het landschappelijke karakter in stand te houden. De agrarische sector levert een groot aandeel aan onze export. Nederland heeft een naam als producent van agrarische topproducten en behoort tot de wereldtop als het gaat om innovatie, technologie en agribusiness. De grondgebonden landbouw is in onze regio van grote invloed op het ruimtegebruik en beeldbepalend voor het landschap. Er is, vooral behoefte aan verbreding van de plattelandseconomie, aan nieuwe dragers. Maar daarvoor zijn ook kansen, zoals in toerisme en recreatie, groene diensten, landschapsbeheer, door combinaties van agrarische bedrijvigheid en zorgbedrijven.

 

De inzet van het CDA is om vitale lokale gemeenschappen in stand te houden waar het goed leven, werken en genieten is.

 

7.1 Voorzieningen, scholen en vervoer

 

Fysiek en sociaal isolement van mensen als gevolg van ontoereikende en moeilijk bereikbare voorzieningen is niet aanvaardbaar. Het CDA zet zich daarom in voor een voorzieningenniveau dat zo dicht mogelijk bij mensen ligt en zoveel mogelijk aansluit bij de lokale gemeenschappen. Dat wil zeggen dat winkels, scholen, een dependance van het postkantoor en bibliotheek, een verzorgingshuis en werkgelegenheid binnen redelijk bereik zijn (concept van het ‘complete dorp’). Ook aanvaardbare aanrijdtijden van bijvoorbeeld brandweer en ambulance alsook goede bereikbaarheid via het openbaar vervoer horen daarbij.

Bereikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen hoeft overigens niet te betekenen dat altijd afstanden in fysieke zin overbrugd moeten worden. In toenemende mate maken elektronische en digitale hulpmiddelen het organiseren en aanbieden van voorzieningen ‘op afstand’ mogelijk. Ook via e-commerce, boodschappenservice, tafeltje-dek-je, bibliobus, collectief vraagafhankelijk vervoer (bel- en buurtbussen en taxi’s) kan tot op zekere hoogte worden voorzien in behoeften van mensen die minder mobiel zijn.

 

Het CDA zet zich in voor het in stand houden van dependances van scholen voor basisonderwijs in de dorpen. Samenwerking is hierbij van groot belang en daarbij wordt een appel gedaan op de besturen van regionaal gefuseerde scholen die over voldoende leerlingen beschikken.

 

7.2 Particulier initiatief

 

Waar nodig en mogelijk stimuleert de gemeente het particuliere initiatief om het voorzieningenniveau in dorpskernen op peil te houden door daarvoor voorwaarden te scheppen en bedrijfsvestiging aan te moedigen. Uiteraard behoren ondernemers het ondernemersrisico zelfstandig te dragen en is een gezonde, economisch duurzame bedrijfsvoering de verantwoordelijkheid van de individuele ondernemer. Niettemin kan het op de weg van de gemeente liggen om, samen met andere partners, een bescheiden winkelaanbod voor de eerste levensbehoeften in kernen in stand te houden.

 

7.3 Zorg op maat

 

Zorg op maat is ook nodig in dorpskernen in het landelijke gebied. Investeren in voorzieningen betekent investeren in leefbaarheid, in sociale samenhang en gemeenschapszin. Hier ligt een belangrijke opgave voor de gemeente, provincies en zorgaanbieders. In het landelijke gebied mag de afstand naar zorgvoorzieningen voor ouderen, huisartsen en apothekers niet groter worden. Voor apothekers en huisartsen moet het financieel mogelijk blijven om zich op het platteland te vestigen. Ook is het van belang dat voor huisartsen op het platteland de mogelijkheid blijft bestaan om naast hun praktijk een apotheek te houden.

 

Ouderen willen zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijven wonen. Om dit mogelijk te maken zijn speciale voorzieningen nodig. Bij het verstrekken van voorzieningen is de hulpvraag van ouderen het uitgangspunt. Het treffen van voorzieningen voor ouderen thuis is moeilijker in kleine kernen. De afstand tot het zorgcentrum is groter, de kosten zijn hoger. Maar deze basisvoorzieningen mogen niet ontbreken in onze landelijke gemeente. In sommige gevallen kunnen voorzieningen ‘op afstand’ (tafeltje-dek-je, thuiszorg, alarmsystemen) uitkomst bieden. In het landelijke gebied is het treffen van voorzieningen voor ouderen vaak noodzakelijk, omdat generatiewoningen, woningen in groepsverband en woon/zorgcomplexen in sommige van onze kernen ontbreken.

 

Ook is het CDA van mening dat de gemeente zich ervoor moet inzetten dat iedere kern beschikt over een gemeenschapshuis waarin diverse activiteiten plaats kunnen vinden. Naast de ontmoetingsfunctie zijn er bepaalde zorgvoorzieningen zoals huisarts, fysiotherapie, thuiszorg, jeugdgezondheidszorg, wijkverpleegkundige, bewegingslessen. Met de provincie en instellingen op zorggebied, zoals thuiszorgorganisaties en Woonzorg Nederland, kunnen coalities gesloten worden om zo’n gemeenschapshuis te realiseren.

 

7.4 Wonen

 

Nieuwbouw is van belang vanwege het draagvlak voor voorzieningen en het sociale functioneren van de lokale gemeenschap. Er moeten voldoende mogelijkheden zijn voor ouderen en jongeren om te kunnen blijven wonen in hun eigen omgeving. Daartoe zal de gemeente keuzes moeten maken wat de doelgroepen voor woningbouw betreft.

 

Het CDA heeft altijd het standpunt ingenomen dat dorpen niet bij voorbaat op slot mogen voor woningbouw. Dat standpunt geldt nog steeds, maar nuancering is wel op haar plaats tegen de achtergrond van de demografische ontwikkelingen die (gaan) spelen. In onze krimpende regio worden immers ook omliggende gemeenten geconfronteerd met daling van het aantal inwoners. Zonder goede afspraken in de regio zouden alle gemeenten voor dezelfde ‘oplossing’ van autonome groei kunnen kiezen. In dat geval ontstaat ongezonde concurrentie die per saldo slecht kan uitpakken voor de regio. Woningbouw voor de natuurlijke aanwas, vooral de starters op de woningmarkt, is daarbij het uitgangspunt.

Daar waar woningbouw geen soelaas biedt om de gevolgen van bevolkingsdaling het hoofd te bieden, zal de gemeente voorwaarden moeten scheppen om de noodzakelijke voorzieningen in dorpen te realiseren dan wel te behouden.

 

Bij de ruimtelijke inrichting van dorpskernen dient rekening te worden gehouden met het karakteristieke van iedere kern (organische groei van dorpen). Dat kan betekenen dat er verschillen bestaan tussen uitbreidingsmogelijkheden per kern. Dit zal dan vooraf vastgelegd moeten worden in ruimtelijke dorpenplannen. Alternatieve woonvormen in vrijkomende gebouwen worden gestimuleerd.

 

7.5 Landbouw en vitaal landelijk gebied

 

De verandering van de agrarische sector in de afgelopen decennia heeft het Rijk doen besluiten de intensieve landbouw te concentreren in ‘landbouwontwikkelingsgebieden’. Dit heeft tot gevolg dat in andere regio’s agrarische bedrijven moeten worden verplaatst of gesaneerd en dat vrijkomende agrarische gebouwen een andere functie krijgen. Deze aanpak schept ruimte voor een andere inrichting van het landelijke gebied.

Met de invoering van de Wet op de inrichting landelijk gebied (WILG) op 1 januari 2007 hebben provincies meer zeggenschap gekregen over plattelandsontwikkeling. Samen met de gemeente, waterschappen en maatschappelijke organisaties hebben provincies afspraken gemaakt over de uitvoering van het Meerjarenplan vitaal platteland (MJP) en de besteding van de middelen uit het Investeringsfonds Landelijk Gebied (ILG).

 

Landbouw, natuur en recreatie vormen de ruimtelijke hoofdfuncties in het buitengebied. Er moet een nieuw evenwicht ontstaan waarbij een duurzame, concurrerende agrarische sector, natuur, recreatie en nieuwe, passende economische bedrijvigheid in onderlinge samenwerking ten volle tot hun recht komen. Het CDA wil de agrariër daadwerkelijk de kans geven om het buitengebied te beheren. Dit mag niet direct leiden tot netto toename van het ruimtegebruik, maar wel tot hergebruik van de bestaande agrarische ruimte. Initiatieven zoals een zorgboerderij, kinderopvang op de boerderij, een boerencamping, of een educatiebedrijf bieden nieuwe perspectieven voor agariërs en plattelandsondernemers.

 

In het kader van de herstructurering van landelijke gebieden is het CDA voorstander van verruiming van de bestemmingsmogelijkheden voor vrijkomende agrarische gebouwen, mits de bestemming en de activiteiten duurzaam zijn en passen bij het karakter van de omgeving. Binnen de mogelijkheden die het Integraal Omgevingsplan (IOP) biedt, zal het bestemmingsplan ruimte moeten bieden voor uitbreiding van de horecafunctie in relatie tot ‘kamperen bij de boer’. Dat geldt ook voor de verkoop van producten van de boerderij.

Het CDA is van mening dat een agrariër niet alleen voedsel produceert, maar ook landschap, en wel bijzonder gewaardeerd landschap. De agrariër is degene die door levering van groene diensten zoals natuur- en landschapsbeheer, vergroten van toegankelijkheid van gronden voor recreatie en door waterbeheer een grote bijdrage kan leveren aan het landschap.

 

7.6 Dorpsraden

 

In bijna alle dorpskernen en wijken bestaat al een dorps- of wijkraad. Waar dat nog niet het geval is, ligt het volgens het CDA op de weg van de gemeente de oprichting van zo’n raad te stimuleren. Tevens verdient het overweging om deze raden zo nodig (financieel) te ondersteunen.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



8. Economische ontwikkeling, arbeidsmarkt en werkgelegenheid

 


8.1 Economische ontwikkeling


 

Een gezonde economie schept banen en stelt zo veel mogelijk mensen in staat om te participeren. Nederland is een open economie; economische groei en daarmee de ontwikkeling van de werkgelegenheid is nauwelijks gericht te beïnvloeden door de overheid, laat staan door een individuele gemeente.

 

Rol gemeente

De gemeente kan echter wél mede bijdragen aan goede randvoorwaarden voor economische ontwikkeling. Het CDA vindt de inbreng van ondernemers zeer belangrijk zodat de gemeente meer vraaggericht gaat werken. Intensief contact met de ondernemersorganisaties is daarvoor een noodzakelijke voorwaarde. Een periodieke bedrijvenpeiling onder alle ondernemers geeft vervolgens nog meer inzicht om de gemeentelijke dienstverlening aan het bedrijfsleven op een hoger plan te brengen.

 

Het CDA wil een goed gemeentelijk investeringsklimaat ontwikkelen, onder meer door het realiseren van één bedrijvenloket per gemeente of per regio, zowel fysiek als digitaal, zodat ondernemers snel en effectief geholpen worden. Het loket neemt tevens de backservice op zich. Verder is het CDA voorstander van het opzetten van accountmanagement binnen de ambtelijke organisatie zodat bedrijven rechtstreeks contact hebben over vraagstukken die verder gaan dan die het bedrijvenloket behandeld. De gemeente organiseert verder regelmatig netwerkbijeenkomsten voor het bedrijfsleven, zodat er meer clusters ontstaan waarin bedrijven elkaars toeleverancier kunnen zijn en elkaar ondersteunen.

 

Voor economische ontwikkeling zijn goede ontsluitingen van bedrijventerreinen en een goede weginfrastructuur onontbeerlijk. Ook goede openbaarvervoer verbindingen, ofschoon primair een taak van de provincie en het rijk, zijn belangrijk. Dikwijls neemt  de gemeente overigens financieel deel aan grensoverschrijdende infrastructurele projecten die van belang zijn voor de gemeente en de regio. Wat bedrijventerreinen betreft zijn, naast goede bereikbaarheid, de trefwoorden ‘schoon, heel en veilig’ uitgangspunt bij ontwikkeling, beheer en onderhoud. De gemeente stimuleert het concept van parkmanagement voor bedrijventerreinen.

 

Het CDA vindt het verder van belang dat, daar waar mogelijk, eerst bedrijventerreinen worden geherstructureerd alvorens nieuwe worden aangelegd. Afstemming in de regio waar bedrijventerreinen en winkelgebieden moeten komen is van groot belang om versnippering van terreinen tegen te gaan. Ongebreidelde groei van bedrijventerreinen, kantoorlocaties en winkelgebieden en de daarmee gepaard gaande concurrentie tussen de gemeenten is niet wenselijk. Het is daarom van belang goede afspraken te maken in regionaal verband over zakelijke ontwikkelingslocaties.

 

Uitgangspunten

Het CDA is voor een sterke gemeente en een sterke markt, waarbij enerzijds verantwoordelijkheden zijn gespreid en anderzijds sprake is van partnerschap waar nodig. De marktsector moet kunnen floreren en de gemeente kan daar goede randvoorwaarden voor scheppen. De gemeente kan wel de markt ondersteunen, maar moet niet op de stoel van de ondernemer plaatsnemen. In een sterke economie kunnen op een verantwoorde wijze voldoende middelen worden vrijgemaakt voor sociaal maatschappelijke doeleinden, zoals onderwijs en participatie voor hen die niet mee kunnen in het reguliere arbeidsproces. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan gerechtigheid en solidariteit in de samenleving.

 

8.2 Werkgelegenheid en arbeidsmarkt

 

Bevordering van werkgelegenheid is van groot belang. Het CDA vindt betaald werk de beste vorm van sociale zekerheid. Betaalde arbeid geeft mensen niet alleen een zelfstandig verdiend inkomen: werken biedt ook mogelijkheden tot verdere zelfontplooiing, het opdoen van sociale contacten en geeft mensen het gevoel erbij te horen in de samenleving. Langdurige werkloosheid is voor veel mensen een tragedie, omdat na verloop van tijd het inkomen daalt naar het sociaal minimum, het sociale netwerk afbrokkelt en de prikkeling tot activiteit steeds minder wordt. Uiteraard geldt dit niet voor iedereen, maar het is wel een reëel gevaar. Juist daarom wil het CDA zich inzetten voor een zo groot mogelijke uitstroom naar werk. De Wet werk en bijstand (WWB) biedt daarvoor veel aanknopingspunten, maar vereist ook door beperktere budgetten heldere keuzes.

 

Rol de gemeente

De gemeente krijgt bij bevordering van werkgelegenheid een grotere rol. De integratie van delen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) tot het werkbedrijf biedt kansen voor de gemeente om goede samenwerkingsverbanden op te zetten. De gemeente zet loonkostensubsidies in voor langdurig werkzoekenden zodat werkgevers gestimuleerd worden om deze mensen in dienst te nemen. Het CDA ziet graag dat de gemeente no risk polissen afsluiten waardoor tijdelijk het risico van ziekte bij langdurig werkzoekenden kan worden weg genomen. Hiermee wordt een belemmering tot de arbeidsmarkt weggenomen.

 

Het CDA is van mening dat de aansluiting van onderwijs en arbeidsmarkt verbeterd moet worden. De gemeente heeft de verantwoordelijkheid voor de re-integratie van bijstandsgerechtigden, heeft veel contacten met bedrijfsleven en het onderwijs. Het CDA steunt het opzetten van één loket voor werkzoekenden en werkgevers in arbeidsmarktregio’s. Het onderwijs tracht meer vraaggericht te werken om in te spelen op de toekomstige arbeidsvraag van werkgevers. Contractonderwijs is hier een voorbeeld van.

 

Uitkeringsgerechtigden moeten dwingender worden toegeleid naar de arbeidsmarkt; tegenover het recht op een uitkering staat de plicht van uitkeringsontvangers om zo snel als mogelijk uit de uitkeringssituatie te geraken door een aanbod van werk of van scholing te accepteren. Voor diegenen die niet mee kunnen in het reguliere arbeidsproces zijn de inspanningen van de gemeente en maatschappelijke organisaties gericht op andere vormen van participatie.

De gemeente moeten daarom zo veel mogelijk verbindingen gaan leggen tussen de WMO, de Wet Werk en Bijstand (WWB), de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), de Wet integratie burgers (WIB) en de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Hierdoor kunnen zo veel mogelijk mensen participeren. Het

Participatiefonds kan daartoe een impuls leveren. Is regulier werk geen optie, dan kan men bijvoorbeeld vrijwilligerswerk in het kader van de WMO doen. Uitkeringsgerechtigden krijgen op deze wijze weer werkervaring en doen weer werkritme op.

 

Jongeren

Jongeren (18-23 jaar) zijn de leeftijdsgroep die de hoogste prioriteit verdient bij werkgelegenheidsbevordering. Daarom wil het CDA dat alle jongeren die een bijstandsuitkering aanvragen direct actief aan de slag gaan in een gemeentelijk traject. Wie (nog) geen diploma heeft, moet de kans krijgen om, eventueel in een leer-werk-traject, alsnog een startkwalificatie te halen. Verder vindt het CDA dat alle jongeren met behulp van sollicitatiecursussen, arbeidstrainingen, het opdoen van werkervaring met behoud van uitkering en actieve samenwerking met bedrijven zo snel mogelijk aan regulier werk moeten worden geholpen.

 

Gezinnen met kinderen

Ten aanzien van eenoudergezinnen die leven van een bijstandsuitkering, vindt het CDA dat sprake moet zijn van een goede balans tussen de ouderlijke zorgplicht voor het kind en het zich beschikbaar stellen voor de arbeidsmarkt. Voor gezinnen met kinderen is het langdurig aangewezen zijn op de bijstand extra moeilijk, juist ook voor de kinderen. Daarom vindt het CDA dat bij gezinnen met kinderen door de gemeente een extra inspanning moet worden verricht bij het bemiddelen van de ouder(s) naar werk.

 

Het CDA erkent echter ook dat het verzorgen en opvoeden van kinderen een belangrijke taak is, die de mogelijkheden tot vinden van werk beperken. Vooral voor alleenstaande ouders kan het moeilijk zijn om zorg en opvoeding van de kinderen te combineren met een fulltime baan. De WWB biedt daarom de mogelijkheid om deze groep geheel of gedeeltelijk een ontheffing te geven van de sollicitatieplicht. Het CDA pleit ervoor hiervan gebruik te maken. Om toch contact met de arbeidsmarkt te houden kan parttime werken voor deze groep financieel worden gestimuleerd door middel van een premie.

 

8.3 Citymarketing

 

De gemeente kan zich onderscheiden door zich op een professionele manier in de markt te zetten. Dit wordt citymarketing genoemd. Bij citymarketing is sprake van een doordachte en samenhangende strategie die de aantrekkelijke kanten van de gemeente laten zien. De activiteiten die daarbij worden ondernomen zijn afgestemd op wensen en verwachtingen van de doelgroep(en) die men wil bereiken. Dat kunnen bedrijven zijn, toekomstige inwoners, toeristen, maar ook maatschappelijke instellingen. Alles met als doel dat zij zich in de gemeente gaan vestigen of deze gaan bezoeken.

 

De gemeente kan citymarketing niet alleen vormgeven. Sterker, een succesvolle citymarketingstrategie vraagt om gelijkwaardige samenwerking tussen gemeente, inwoners, bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen in een professionele organisatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



 


9. Milieu, water, verkeer en vervoer


 


9.1 Milieu, duurzaamheid en klimaatbeleid

 

Een goed leefmilieu (lucht, water, bodem, flora en fauna) is voor ieder van belang.

In dit hoofdstuk wordt volstaan met de rol die de gemeente daaraan kan bijdragen.

 

Uitgangspunten

Rentmeesterschap, solidariteit en gespreide verantwoordelijkheid zijn de christendemocratische uitgangspunten die van bijzondere betekenis zijn als het gaat om het werken aan een goed leefmilieu. Rentmeesterschap betekent dat wij de wereld in dezelfde of, als het kan, in een betere toestand doorgeven aan de komende generaties. Daarom rust er op ons een morele verplichting om schade aan het leefmilieu te voorkomen. Van rijke landen mag daarbij een grotere inspanning worden gevraagd dan van de armste ontwikkelingslanden. Dat betekent dat wij solidariteit tonen met deze jonge, opkomende economieën. De bijdrage die de Nederlandse de gemeenten kunnen leveren aan duurzaamheid gebeurt in samenspel met bedrijven, maatschappelijke organisaties en instellingen. Ieder op basis van zijn of haar eigen verantwoordelijkheid voor een goed leefmilieu, voor nu en in de toekomst.

 

Rol de gemeente

Ook de Nederlandse gemeenten zullen daaraan hun steentje moeten bijdragen. Door zelf het goede voorbeeld te geven, maar ook door gedragsbeïnvloeding en particuliere initiatieven te stimuleren en, waar nodig, te ondersteunen. Gemeentelijk milieu- en klimaatbeleid wordt samen met bedrijven, maatschappelijke organisaties en instellingen vorm gegeven. In dat beleid ligt de nadruk op energiebesparing die voor burgers en bedrijven te halen valt dankzij investeringen in duurzaamheid. Denk bijvoorbeeld aan lagere kosten voor duurzame openbare verlichting (door middel van LED-lampen), het gemeentelijke inkoopbeleid, energiezuinige woningen, duurzame energieopwekking, gedragsbeïnvloeding door regelgeving en subsidies, enzovoort.

 

Duurzaamheid en energiebesparing

De gemeente moet het goede voorbeeld geven als het gaat om duurzaamheid, bijvoorbeeld door de zogeheten millenniumdoelstellingen te onderschrijven, een actief klimaatbeleid te voeren en in haar inkoopbeleid altijd rekening moet houden met duurzaamheid. Verder vindt het CDA dat de gemeente een extra bijdrage kan leveren aan duurzaamheid door te investeren in energiebesparing in gebouwen en in de openbare ruimte. Een mogelijkheid is om de verlichting van openbare gebouwen uit te schakelen tussen middennacht en de ochtend, mits dat in het kader van sociale veiligheid verantwoord is.

 

Het is positief dat de gemeenten doelstellingen formuleren met betrekking tot CO2-reductie of zelfs CO2-neutraliteit. Duurzaamheid gaat verder dan het plaatsen van windmolens; ook energiebesparing door huishoudens en bedrijven en het stimuleren van ‘schoon rijden’ dragen bij aan een vermindering van de uitstoot van CO2.

 

Bij nieuwbouw van woningen zijn duurzaamheid van materialen en energiebesparing uitgangspunt. Het Bouwbesluit wordt regelmatig aangepast aan nieuwe normen voor duurzaamheid en energie (Energie Prestatie Coëfficiënt, EPC), die marktpartijen ook daadwerkelijk kunnen realiseren. Verder heeft de gemeente een taak om bij nieuwbouw duurzame energieopwekking te stimuleren, bijvoorbeeld door middel van zonnepanelen, kleine windmolens, warmteopslag, enzovoort. Er is ook veel winst te boeken als het gaat om duurzaamheid en energiebesparing van bestaande woningen. Met woningcorporaties worden afspraken gemaakt om bij renovatie van woningen te kiezen voor duurzame en energiebesparende investeringen.

 

9.2 Afval

 

Afval wordt steeds meer beschouwd als grondstof voor (nieuwe) productieprocessen. Het afvalstoffenbeleid krijgt daarom op Europees en nationaal niveau nieuwe impulsen, gericht op het nog veel meer her- of anders gebruiken van afval. Het CDA steunt deze benadering van harte, omdat daarmee uitputting van onze aarde wordt tegengegaan. Dit heeft ook gevolgen voor het gemeentelijke afvalbeleid. Vanouds hebben de gemeente een taak ter versterking van het milieubesef van burgers en bedrijven. Die rol kan worden versterkt. De gemeente kunnen via hun milieutoezichthoudende taak afvalstromen van burgers en bedrijven effectief beïnvloeden.

 

Tot slot kan de gemeente gescheiden inzameling van huishoudelijk afval verder stimuleren en zorgen dat het afval op een verantwoorde manier wordt verwerkt. Een schone publieke ruimte bevordert ‘schoon gedrag’ van burgers. Mede daarom is een actieve aanpak van zwerfafval belangrijk.

 

9.3 Water

 

De komende jaren is sprake van grote opgaven op het terrein van het waterbeleid. Dit enerzijds ten gevolge van de klimaatverandering die gevolgen heeft voor de zeespiegel, rivierafvoeren en de intensiteit van regenbuien. Zoals de Deltacommissie (commissie Veerman) heeft aangetoond, vraagt het grote inspanningen om het watersysteem aan deze veranderingen aan te passen. Maar anderzijds maakt ook de opgave de waterkwaliteit te verbeteren, die mede voortvloeit uit de Europese kaderrichtlijn water, aanpassingen van het (afval)watersysteem noodzakelijk.

 

Het is een misverstand te denken dat deze wateropgaven vooral een zaak zou zijn voor waterschappen. Ook de gemeente hebben belangrijke taken op het gebied van het beheer van (afval)water. De recent ingevoerde Wet op de gemeentelijke watertaken getuigt daarvan. Naast het traditionele beheer en onderhoud van riolering zijn in deze wet nu ook gemeentelijke taken geregeld die betrekking hebben op de bestrijding van overlast door overtollig hemel- en grondwater dan wel door te laag grondwaterpeil. Een goede uitvoering van deze taken vergt nauwe samenwerking tussen de gemeente en het waterschap. Gezamenlijke waterplannen en afvalwaterakkoorden geven daaraan een basis.

 

De intensivering van opgaven en uitbreiding van gemeentelijke watertaken maakt stijging van de lasten via de rioolrechten vaak onvermijdelijk. Slimme coördinatie van maatregelen met de ruimtelijke ontwikkeling en intensieve samenwerking met het waterschap kunnen deze kosten beperken. Dat geldt vooral bij verdergaande samenwerking tussen riolerings- en zuiveringsbeheerders.

 

9.4 Verkeer en vervoer

 

Bereikbaarheid, verkeersveiligheid en duurzame vormen van mobiliteit zijn de speerpunten van het gemeentelijke verkeers- en vervoersbeleid dat het CDA voor ogen staat.

 

Stedelijk en zakelijk verkeer

Stad- en dorpskernen moeten maximaal bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de fiets. Voor de bevoorrading van zaken en winkels in autoluwe gebieden dienen goede en praktisch uitvoerbare afspraken te worden gemaakt.

 

Verkeersveiligheid

In woonwijken worden 30 km zones ingesteld en maatregelen genomen die deze snelheid fysiek ook afdwingen. Andere maatregelen ter verbetering van de verkeersveiligheid zijn vrije bus- en fietsbanen, lagere maximumsnelheden, verkeersdrempels, controle op naleving verkeersregels.

 

Openbaar vervoer en fiets

Veel mensen zijn voor hun mobiliteit aangewezen op openbaar vervoer, zowel in steden als in het landelijk gebied. Daar waar mensen een keuze kunnen maken tussen meerdere vormen van vervoer, is het van belang dat het openbaar vervoer in prijs en kwaliteit concurrerend is met bijvoorbeeld de auto als het gaat om (middel)lange afstanden. Daarom is het van belang dat de gemeente regelmatig overlegt voert met de provincie over de optimale bereikbaarheid van alle kernen en wijken.

 

De gemeente draagt zorg voor een goede bereikbaarheid van dorpen, buurten en wijken per fiets evenals voor een goede onderlinge verbinding van fietsroutes (hoofdfietspaden netwerk). Veilige fietsroutes, vooral van en naar scholen, hebben de hoogste prioriteit. Ook de aanleg of uitbreiding van recreatieve fietsroutes in het buitengebied verdienen aandacht. Om het stallen van fietsen beter te kunnen reguleren, zijn (bewaakte) fietsenstallingen in het centrum en bij busstations belangrijk.

 

 

Schoon rijden

Mobiliteit en transport kunnen steeds duurzamer. Openbaar vervoer is natuurlijk al een duurzame vorm van vervoer. Ook het gebruik van aardgas en andere biobrandstoffen van de tweede en derde generatie (dat zijn brandstoffen die geen nadelige invloed hebben op de internationale voedselmarkt) dient verder gestimuleerd te worden


 


A A A     voorleeshulp     inloggen     English
1  2  3  4