Zoveel mogelijk werkgevers moeten het recht op flexibel werken in hun CAO opnemen. Het CDA en GroenLinks hebben een initiatiefwetsvoorstel flexibel werken ingediend om dit te bereiken. Hiermee moet een cultuuromslag worden bereikt. Iedere werknemer in Nederland zou hiermee de mogelijkheid moeten krijgen om een verzoek in te dienen bij zijn werkgever om flexibel te kunnen werken, waardoor werk en zorg bijvoorbeeld beter gecombineerd kan worden. De werknemer krijgt bovendien zelf meer zeggenschap over zijn werkplek en werktijden.
Wat houdt het voorstel in?
Er wordt een aantal belangrijke stappen gezet in het initiatiefwetsvoorstel.
- De werknemer krijgt de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de werkgever om te kunnen werken op de door hem gewenste arbeidstijden en op de gewenste arbeidsplaats. Nu bestaat er in de WAA nog alleen de mogelijkheid een verzoek in te dienen voor aanpassing van de arbeidsduur voor bijvoorbeeld verlof.
- De werknemer kan dit nieuwe verzoek voortaan jaarlijks indienen. Nu is dat slechts eens in de twee jaar en is het een verzoek met beperktere mogelijkheden.
- Een werkgever is wettelijk verplicht binnen twee maanden te reageren. Nu is die termijn nog vier maanden.
- Door aanpassing van de wet zullen werknemers en werkgevers in CAO’s vaker aanvullende afspraken maken over flexibel werken en nader invulling geven aan de mogelijkheden die de Wet Flexibel Werken biedt.
- Ook werknemers bij kleine werkgevers vallen voortaan onder de wet.
Waarom dit voorstel?
De komende jaren worden voor de samenleving grote arbeidsmarkttekorten verwacht in onder andere de zorg en het onderwijs. Om de kosten van de vergrijzing te kunnen opvangen is het van belang dat iedereen die kan werken, naar vermogen bijdraagt. Er bestaat ook een grote behoefte onder werkenden om flexibel te kunnen werken. Meer zeggenschap over de werktijden en de mogelijkheid (deels) thuis te werken is een belangrijke voorwaarde voor veel Nederlanders om meer uren te willen werken. Van de werkende vaders met jonge kinderen wil driekwart gebruikmaken van flexibele werktijden. Dit wordt echter vaak niet met de werkgever besproken. In 80% van de CAO’s worden zaken als flexibel werken en thuiswerken genoemd, maar in slechts 16% van de CAO’s worden concrete afspraken gemaakt over flexibele werktijden.Een toenemend aantal werknemers in Nederland ervaart grote tijdsdruk en tijdsgebrek. De Nederlandse maatschappij is er één van taakcombineerders geworden. Er is in Nederland dan ook behoefte aan een slimmere organisatie van arbeid en dienstverlening, aan een andere organisatie van de tijd en plaats van arbeid en dienstverlening. CDA en GroenLinks willen met dit wetsvoorstel flexibel Werken de combinatie van werk en privé vergemakkelijken. Niet alle taken lenen zich voor flexibele arbeidstijden. Leraren, winkelmedewerkers en verpleegsters zijn op gezette tijden nodig op de werkplek. Maar er zijn wel steeds meer mogelijkheden om flexibel te werken. De secretaresse van een bouwbedrijf valt onder dezelfde CAO als de bouwvakkers, maar er zijn genoeg mogelijkheden om haar werktijden flexibel te kunnen invullen. Zelfs voor de bouwvakkers zijn er mogelijkheden om de werktijden minder strak in te vullen. De indieners van het wetsvoorstel hopen met dit wetsvoorstel een cultuuromslag te bevorderen in het flexibel werken.
Gepubliceerd in de Volkskrant op 21 juli 2010
Het massaontslag bij Organon, hoe pijnlijk ook, moet niet leiden tot inmenging van de politiek in het beleid van ondernemingen, stellen CDA-kamerleden Eddy van Hijum en Elly Blanksma. We moeten juist kansen creëren met een moderne industriepolitiek.
In hun opiniebijdrage van 16 juli reageren Jan Marijnissen en Emile Roemer hun ongenoegen over het massaontslag bij Organon af op het kabinet. “Dat dit zo kan gebeuren, is het ultieme bewijs van het falen van de politiek”, stellen zij. Naast een obligate oproep aan de minister van EZ om moederbedrijf MSD op de knieën te dwingen, schetsen de SP’ers een doembeeld waarin politiek en samenleving de greep op hun bestaan kwijt zijn geraakt.
Voorop gesteld: het verdwijnen van bijna 2200 banen bij Organon is een zware klap voor de getroffen werknemers en hun gezinnen, voor de Brabantse economie en voor de Nederlandse kennisinfrastructuur. Een prachtig bedrijf dat geworteld en groot geworden is in Oss, is verworden tot sluitpost op de balans van een Amerikaanse multinational. Cruciaal was het besluit van Akzo-topman Wijers in 2007 om het bedrijf te verkopen aan Schering-Plough, later Merck/MSD. De beslismacht verschoof hierdoor van Nederlandse bodem naar een directiekamer aan de andere kant van de oceaan.
Door de globalisering van de economie krijgen we steeds vaker te maken met de ingrijpende gevolgen van bedrijfsbeslissingen die soms (ver) buiten onze landsgrenzen worden genomen. Organon is niet het enige voorbeeld. Onlangs besloot het Finse bedrijf Wärtsilä de productie van scheepsschroeven en –motoren te verplaatsen van Nederland naar China. Hierdoor gaan bijna zeshonderd banen verloren. Maar ook Nederlandse ondernemingen zoals Philips, DSM en Unilever maken permanent de afweging welke bedrijfsactiviteiten waar het beste uitgevoerd kunnen worden. En dat is niet in alle gevallen in Nederland.
Nederland kan zich als open economie en handelsland niet aan deze realiteit onttrekken. We zullen daarom des te beter moeten zorgen dat Nederland een aantrekkelijk vestigingsland blijft. Dit kan door een vriendelijk fiscaal klimaat, een goed opgeleide (bèta-)beroepsbevolking, een goede bereikbaarheid en een actieve ondersteuning van innovatie. Maar bovenal door een betrouwbare overheid, die belangrijke sectoren in de eigen economie echt koestert. Nederland heeft veel om trots op te zijn en heeft bedrijven iets te bieden. Wat we in elk geval niet moeten doen is ons goede belastingklimaat te grabbel gooien door de vennootschapsbelasting fors te verhogen en de inkomens van buitenlandse kenniswerkers zwaarder te belasten, zoals de SP wil. Daarmee jagen we alleen maar meer ondernemingen de grens over, en daarmee meer arbeidsplaatsen.
Ondernemers zouden niet alleen de belangen van hun aandeelhouders moeten dienen, maar ook die van hun werknemers en hun omgeving. Het is echter naïef om te denken dat multinationals louter uit ideële overwegingen hun vestigingen in ons land zullen handhaven. Bij beslissingen hierover spelen tal van strategische motieven een rol. Om het kwartje onze kant op te laten vallen, zullen we in de eerste plaats moeten investeren in goede relaties met ondernemingen. Tijdig moeten inspelen op de dynamiek binnen bedrijven. Op het randje moeten onderhandelen en misschien niet altijd het braafste jongetje van de Europese klas willen zijn. We kunnen onze economische structuur alleen versterken door een actieve, moderne industriepolitiek. Een goed voorbeeld is de concentratie van R&D op het gebied van medische voeding en babyvoeding door het Franse bedrijf Danone in Utrecht, na de overname van Numico. Dat is niet komen aanwaaien, maar het resultaat van onze uitstekende kennisinfrastructuur en een actieve lobby. Het kabinet moet echt lering willen trekken uit deze ervaringen.
Voor Brabant is het nu vooral van belang om nieuwe kansen te benutten. Bij onderzoek en ontwikkeling in de farmaceutische industrie komt steeds meer ruimte voor ‘open innovatie’ door netwerken van universiteiten, academische ziekenhuizen en farmaciebedrijven. De kennis en het vakmanschap van de betrokken werknemers zou samen met de inzet van universiteiten en bedrijven misschien kunnen uitmonden in een innovatiecampus. Op deze manier kan er voor een deel van de ontslagen werknemers nieuw perspectief ontstaan op werk. Anderen zullen we actief moeten begeleiden bij het vinden van nieuw werk, al dan niet met omscholing. Klappen vang je op door veerkracht te tonen, niet door in doembeelden te blijven hangen.
Eddy van Hijum en Elly Blanksma zijn Tweede Kamerlid voor het CDA
Dit artikel werd op 21-07-2010 gepubliceerd in de Volkskrant: http://extra.volkskrant.nl/opinie/artikel/show/id/6261/Jaag_ondernemingen_niet_over_de_grens
Gepubliceerd in Zwolle Business - mei 2010
De financiële en economische crisis heeft flink huisgehouden. Ook in onze regio hebben veel ondernemers de gevolgen aan den lijve ondervonden. Banken zijn terughoudend geworden met het verstrekken van nieuwe kredieten.
Veel bedrijven hebben afscheid genomen van waardevolle uitzend- en tijdelijke krachten of moesten zelfs vakkrachten ontslaan. Het aantal ontslagaanvragen en faillissementen nam het afgelopen jaar fors toe. Maar ook veel zelfstandigen zonder personeel kregen klappen te verduren en moesten genoegen nemen met een dalende omzet en een (fors) lager inkomen.
De overheid heeft in 2009 en 2010 getracht om de schade te beperken door vooralsnog niet te gaan snoeien in de overheidsuitgaven. Op deze manier werden de bestedingen in de samenleving enigszins op peil gehouden. Daarnaast werd deeltijd-WW geïntroduceerd en werden in alle regio's Mobiliteitscentra ingericht om de dienstverlening aan bedrijven en werkzoekenden te verbeteren. Ook zijn er maatregelen getroffen om bouwprojecten te stimuleren en om innovatie en vernieuwing een impuls te geven. In de regio Zwolle haakten gemeenten hierop aan door via de 'innovatieversneller' de dienstverlening aan bedrijven te verbeteren. Volgens het Centraal Planbureau heeft dit stimuleringsbeleid er toe geleid dat de afname van de groei met 2% is geremd en er 150.000 werklozen minder zijn dan zonder dit beleid.
Het lijkt er op dat de economie nu langzaam uit het dal kruipt. Voor de komende jaren wordt weer een bescheiden economische groei verwacht. Voor de overheid breekt nu ook het moment aan om de uitgaven en inkomsten weer in balans te brengen. Ter illustratie: in 2011 bedraagt het tekort op de begroting 4,9% en loopt de staatsschuld richting de 70%(!). Om te voorkomen dat we toekomstige generaties opzadelen met onverantwoorde rentelasten zal – binnen een bepaalde termijn – in totaal 29 miljard euro structureel bezuinigd moeten worden.
Alle politieke partijen bezinnen zich momenteel op de vraag hoe snel en op welke manier dit bedrag gevonden moet worden. Voor mij staat één ding als een paal boven water: de overheid zal moeten snoeien in de uitgaven. Het verhogen van de belastingen is onverstandig; dit tast het concurrentievermogen en de koopkracht aan en ondermijnt het economisch herstel. Meer in het algemeen zullen we moeten nadenken over manieren om het ‘verdienvermogen’ van onze economie te versterken. We zullen de financiële en economische crisis moeten uitgroeien en dat kan alleen door ondernemerschap en innovatie de ruimte te geven. We zullen de arbeidsmarkt flexibeler moeten maken. Werknemers zullen uitgedaagd moeten worden om de regie over hun eigen loopbaan te voeren en hun kennis en vakmanschap op peil te houden. De overheid moet kleiner worden en de bureaucratie worden teruggedrongen. Mijn ideaal is een betrokken en ondernemende samenleving en een kleine maar slagvaardige overheid.
Kortom, we staan voor ingewikkelde vragen. Maar het wordt ook een buitengewoon boeiende en uitdagende tijd. Het Nederland van na de crisis wordt nu gevormd. Het is van groot belang dat ondernemers zich in deze discussie laten horen. Werk mee, denk mee en aarzel niet om richting de politiek met goede voorstellen te komen!
Eddy van Hijum
Tweede-Kamerlid CDA
e.vhijum@tweedekamer.nl
Staatssecretaris Klijnsma vindt dat het taboe op gesubsidieerde arbeid moet verdwijnen, zo liet zij onlangs weten. Volgens het CDA bestaat dat taboe echter niet. Gemeenten besteden op dit moment nog honderden miljoenen euro’s aan de oude ‘Melkertbanen’. Het CDA wil dat zo veel mogelijk mensen de stap naar regulier werk maken en wil meer geld vrijmaken voor training, scholing en tijdelijke ondersteuning op de werkplek.
In de jaren ’90 ontstond het idee om mensen die niet in staat waren om een baan te verwerven, een door de overheid betaalde baan aan te bieden. Het onderwijs, sport- en cultuurverenigingen maakten dankbaar gebruik van deze regeling om “gratis” arbeidskrachten te krijgen die tal van waardevolle werkzaamheden uitvoerden waarvoor men zelf (zogenaamd) geen budget beschikbaar had. Zelfs vanuit de ministeries toegekende budgetten voor het scholen van deze ‘Melketiers’ werden elders ingezet en slechts zelden waarvoor ze bedoeld waren.
Aangezien Melketiers een relatief goed inkomen ontvingen was er weinig prikkel om met de opgedane werkervaring te proberen een reguliere functie te bemachtigen. Ook anno 2009 is er van instroom en doorstroom helaas nauwelijks sprake; in 2008 stroomde minder dan 10% uit naar regulier werk. Mede vanwege de teleurstellende resultaten werd de regeling in 2002 stopgezet voor nieuwe personen. Wel kregen gemeenten enige tijd om bestaande gesubsidieerde banen (met rijkssubsidie) om te zetten in reguliere arbeid.
Niettemin geven alle gemeenten samen jaarlijks nog steeds een kleine vierhonderd miljoen euro uit aan oude gesubsidieerde banen, op een totaal budget van 1,6 miljard euro. Met name in de vier grote steden worden hiermee ruim 17.000 Melkertbanen in stand gehouden, op een totaal van 300.000 bijstandsgerechtigden. In een stad als Enschede maken 430 personen gebruik van de Melkertbanen. Het financieren van deze gesubsidieerde arbeidsplaatsen kost deze gemeente ongeveer elf miljoen euro op een budget van 26 miljoen euro. Er blijft dus ‘slechts’ 15 miljoen euro over om inmiddels bijna 4900 bijstandsgerechtigden te helpen aan de slag te komen. Die verhouding is naar onze mening echt scheef en niet te rechtvaardigen in een tijd waarin het aantal werklozen oploopt en iedereen de broekriem moet aanhalen.
Bovendien zijn er alternatieven. Sommige mensen kunnen prima met een vergoeding voor scholing en een tijdelijke loonkostensubsidie aan de slag worden geholpen bij reguliere werkgevers. Voor mensen die daar nog niet aan toe zijn, biedt de Wet Werk en Bijstand (WWB) de mogelijkheid om met behoud van hun uitkering werkervaring opdoen in zogenaamde ‘participatiebanen’. Dit zijn additionele werkzaamheden in een bedrijf of organisatie waarmee de persoon werkervaring opdoet en/of training volgt. De WWB biedt de mogelijkheid om arbeidskosten te vergoeden, scholing en opleiding te betalen en een extra toeslag netto per maand uit te keren. De gemeente Enschede maakt volop gebruik van deze mogelijkheden. Mensen die staat zijn om zelfstandig uit de bijstand te komen ontvangen een netto bonus van € 2000. Het loont dus om regulier werk te aanvaarden.
Er is één belangrijke randvoorwaarde, en dat is dat werkgevers ook banen voor langdurig werklozen beschikbaar stellen. Zeker in de huidige crisis is dat niet vanzelfsprekend. Toch denken wij dat er nog heel veel mogelijk is. Zo moeten werkgevers en vakbonden in hun CAO’s meer mogelijkheden scheppen voor werklozen om in te stromen in een baan op het niveau van het minimumloon. Dit geldt zowel voor werkgevers in het bedrijfsleven, als voor de overheid. De overheid kan daarnaast bij het aanbesteden van bouwprojecten of uitbesteden van diensten (groen, repro, schoonmaak etc) de eis stellen dat een deel van de loonsom beschikbaar wordt gesteld voor langdurig werklozen. In verschillende gemeenten zijn met deze vorm van ‘social return on investment’ positieve ervaringen opgedaan. Ook kunnen werkgevers over de streep worden getrokken door als gemeente bepaalde risico’s en administratieve rompslomp over te nemen en door werkgevers te compenseren voor de lagere productiviteit van de werknemer aan het begin van de arbeidsrelatie.
Wij willen dat mensen zoveel mogelijk participeren in de samenleving. Daarom moeten alle bijstandsgerechtigden die dat nodig hebben ondersteuning en begeleiding ‘op maat’ krijgen. Dan moeten we echter wel kritisch durven kijken naar de uitgaven voor re-integratie en de resultaten die we daarmee bereiken. In plaats van over taboes te spreken, kan de staatssecretaris er beter voor zorgen dat er méér werklozen worden geholpen aan regulier werk.
Myra Koomen, wethouder Werk en Inkomen gemeente Enschede
Eddy van Hijum, Tweede Kamerlid voor het CDA
Dit opinieartikel verscheen op 5 december in de Tubantia. Hierboven vindt u de orginele tekst van het artikel.
Geplaatst in de Volkskrant op 22 augustus 2009
In Nederland zijn we gewend hard te onderhandelen, zonder elkaars belangen uit het oog te verliezen. Dat is ontstaan uit eeuwenlang samenleven in de polder: Als je niet samenwerkt, krijgt iedereen natte voeten. Met hun misplaatste tirade richting minister Donner in de Volkskrant van 3 augustus plaatsen FNV-voorman Henk van der Kolk en andere vakbondsleiders zich echter ver buiten deze poldertraditie. De minister zou de crisis misbruiken om zijn hervormingsagenda door te drukken en geen oog hebben voor kwetsbare werknemers. Van der Kolk c.s. verwijzen naar recente maatregelen rond ‘onmisbaarheid’ bij ontslag en het uitbreiden van tijdelijke contracten voor jongeren.
Ik begrijp niet wat de vakbondsmannen bezielt om op deze wijze uit de heup te schieten. De samenleving kampt met een ernstige economische crisis, en over de aanpak daarvan heeft het kabinet afspraken gemaakt met vakbonden en werkgevers in een sociaal akkoord. Samen de schouders eronder, zou je zeggen. In plaats daarvan kiezen Van der Kolk en de zijnen de aanval en doen zij alsof het kabinet werknemers niet ziet staan. Het besef van de ontwrichtende omvang van de crisis en de noodzaak van een gezamenlijke aanpak lijkt niet tot hen doorgedrongen.
Dan de verwijten zelf. Met de verruiming van het ‘onmisbaarheidscritrium’ voert de minister een CDA-motie uit, die in de Tweede Kamer brede steun heeft gekregen. Het wordt voor werkgevers iets eenvoudiger om onmisbare vakkrachten te behouden bij ontslagrondes. Dit sluit naadloos aan bij afspraken uit het sociaal akkoord over behoud van vakmensen en kenniswerkers. Aan de ontslagbescherming zelf verandert niets; werkgevers moeten blijven aantonen dat er een bedrijfseconomische noodzaak is voor ontslag. Maar om vakkrachten te behouden, kunnen werkgevers afwijken van het gangbare afspiegelingsprincipe (binnen elke leeftijdsgroep moeten de ‘last in’-werknemers het eerst worden ontslagen). In overleg met de vakbonden zijn nadere voorwaarden opgesteld om willekeur bij de selectie te voorkomen. Het is een evenwichtige nieuwe regeling.
Een tweede verwijt betreft de mogelijkheid om het aantal toegestane tijdelijke contracten voor jongeren uit te breiden tot vier. Ook het CDA staat niet te juichen bij het eindeloos verlengen van tijdelijke contracten zonder perspectief op vast werk. Maar als in deze tijd de keuze is: tijdelijk werk of geen werk, dan is de afweging snel gemaakt. We moeten voorkomen dat jongeren langdurig langs de kant komen te staan. Ook hier heeft minister Donner niets anders gedaan dan een Kamermotie uitvoeren. En ook hier hadden de vakbonden zich in het sociaal akkoord zelf al gecommitteerd aan meer flexibiliteit. Laten vakbonden en werkgevers ervoor zorgen dat al die beloofde extra plekken voor jongeren er ook echt komen.
Het verwijt aan de minister (en de Kamer) dat zij de positie van werknemers uithollen, is dus uit de lucht gegrepen. Het laat wel zien dat de vakbond weinig oog heeft voor de werkelijkheid op de arbeidsmarkt. “Er bestaat al voldoende flexibiliteit”, stellen Van der Kolk c.s. Zij negeren dat deze flexibiliteit momenteel vooral wordt opgebracht door uitzendkrachten, mensen met tijdelijke contracten (veelal jongeren) en zelfstandigen zonder personeel. Deze groepen hebben tot dusverre de grootste klappen van de crisis opgevangen. En juist deze groepen hebben niet zoveel aan de ontslagbescherming en - vergoedingen waarvoor Van der Kolk c.s. zo opkomen. Deze tweedeling op de arbeidsmarkt wordt door hen stilzwijgend geaccepteerd.
De positie van mensen die hun baan hebben verloren, of die hun baan dreigen te verliezen, wordt zelfs verder verslechterd door de onverminderde loonstijging. De loonkosten van (vaste) werknemers nemen momenteel sterker toe dan de inflatie, die in juli daalde tot 0,2 procent. De stijging van de cao-lonen vlakt weliswaar af, maar bedroeg in het tweede kwartaal van 2009 nog altijd gemiddeld 3 procent. Dit staat op gespannen voet met het sociaal akkoord, waarin werk boven inkomen wordt gesteld. Over de gevolgen voor de overheidsuitgaven heb ik het dan nog niet eens gehad. De vakbonden hebben met loonmatiging dus zelf een belangrijke sleutel in handen om de solidariteit in de samenleving te behouden.
Tot slot het vermeende gebrek aan aandacht voor kwetsbare werknemers. Zeker in de huidige tijd valt het voor sommigen niet mee om aan de slag te komen. Maar ook daar berust het kabinet niet in. Om de kansen van ouderen op de arbeidsmarkt te vergroten, zijn forse premiekortingen en een no-riskpolis voor werkgevers ingevoerd. Er is 250 miljoen euro uitgetrokken om de jeugdwerkloosheid in te dammen. Op 1 januari treedt de nieuwe Wajong in werking, een wet gericht op de participatie van jongeren met een beperking. Minister Donner heeft de Kamer onlangs geïnformeerd over nieuwe initiatieven om aangepaste arbeidsplaatsen te creëren voor ‘Wajongeren’. Stellen dat er geen aandacht is voor kwetsbaren op de arbeidsmarkt is dus, alweer, een karikatuur. Wel blijven we afhankelijk van de afspraken die sociale partners in onder meer cao’s maken.
Kortom, ons land staat voor een enorme krachttoer om droge voeten te houden. Laten we elkaar in deze tijd geen vliegen afvangen, maar verantwoordelijkheid nemen en afspraken uit het sociaal akkoord nakomen. In de beste poldertraditie.
Uit: Zwolle Business, september 2008
Als ondernemer besteed je liefst zo veel mogelijk van je tijd en energie aan het ontwikkelen en vermarkten van je product. Administratief gedoe en verplichtingen die de overheid oplegt kunnen daar behoorlijk van afleiden. Een van die verplichtingen is de loondoorbetaling bij ziekte en de plicht om de re-integratie van zieke werknemers te bevorderen. Met name van kleinere ondernemers hoor ik de laatste tijd steeds vaker dat hiermee wel erg veel van hen wordt gevraagd. Zeker als de uitval door ziekte ook nog eens het resultaat is van een ongelukje tijdens de ski-vakantie.
Ik kan me bij dat gevoel zeker iets voorstellen. Het verlengen van de loondoorbetaling bij ziekte tot twee jaar en de aansluitende Poortwachterstoets is echter een van de meest effectieve maatregelen gebleken die de vorige kabinetten hebben genomen. De aandacht bij werkgevers voor preventie en arbeidsomstandigheden is enorm toegenomen en het ziekteverzuim is spectaculair gedaald. Ook is er meer aandacht gekomen voor de mogelijkheid van re-integratie van zieke werknemers binnen de eigen organisatie. Mede als gevolg van deze ontwikkelingen is de instroom in de regelingen voor arbeidsongeschiktheid sterk afgenomen. We zijn er dus in geslaagd om uitval door ziekte beter te voorkomen en een snelle werkhervatting te bevorderen. Mede met dank aan de inzet van werkgevers.
Dat laat onverlet dat er ook nog het nodige te verbeteren valt. Zo is het de vraag of in sommige gevallen twee jaar loondoorbetaling niet nodeloos lang is. Ook moet er aandacht blijven voor de verantwoordelijkheid en inspanningen van werknemers in het hele proces. Kleinere werkgevers lopen daarnaast met name tegen het probleem aan dat de mogelijkheden tot herplaatsing binnen hun organisatie beperkt zijn. Zij zijn dan afhankelijk van de mogelijkheden en ruimte die collega-werkgevers bieden om hun zieke werknemer te plaatsen. Dit wordt wel "re-integratie tweede spoor" genoemd. Er zijn verschillende mogelijkheden om als werkgevers de kosten en baten van een dergelijke plaatsing te delen, zoals een detachering tegen vergoeding. Niettemin komt van werk-naar-werk begeleiden van zieke werknemers nog maar op beperkte schaal voor.
Enige maanden geleden was ik met een aantal collega's op bezoek bij het Poortwachtercentrum (PWC) in Noord-Holland. Eigenlijk is dit centrum weinig meer dan een netwerk van werkgevers die onderling personeel uitwisselen en zo hun risico's delen. Het initiatief werkt zo goed, dat ik samen met mijn collega Ton Heerts aan minister Donner heb gevraagd om dergelijke initiatieven ook op andere plekken in het land te ondersteunen. Dit heeft geleid tot een regeling voor financiele bijdragen aan het oprichten van PWC's in de rest van het land in de aanvangsfase.
Ook in de regio Zwolle is inmiddels tot mijn enthousiasme een PWC in oprichting. Al tijdens de eerste informatiebijeenkomst, waarvoor ik was uitgenodigd, bleek de meerwaarde van zo'n netwerk van werkgevers. Ondernemers raakten met elkaar in gesprek en maakten matches tussen vacatures en te re-integreren werknemers. Het initiatief wordt gedragen door VNO-NCW en een aantal grote werkgevers in de regio. Dat is op zich een goede zaak, maar al tijdens de bijeenkomst heb ik opgemerkt dat juist ook het midden- en kleinbedrijf aangesloten moet raken op dit netwerk. Ik blijf de ontwikkeling van het PWC Zwolle met veel belangstelling volgen, en hou me aanbevolen voor ervaringen van werkgevers.
CDA Overijssel: http://www.cdaoverijssel.nl/
CDA Raalte: http://www.cdaraalte.nl/
Mijn adoptiewijk Holtenbroek: http://www.kleurrijkholtenbroek.nl/
Actiesite Overijssel: http://www.handenafvanoverijssel.nl/
Notitie gastouderbureaus: http://www.cda.nl/Upload/2011_docs/Notitie%20gastouderbureaus.pdf
Discussienota familie- en gezinsbeleid: http://www.cda.nl/Upload/2011_docs/Discussienota%20gezinsbeleid%20-%20Van%20Hijum.pdf