De cultuurfilosoof George Steiner noemde de Franse Revolutie de meest ingrijpende gebeurtenis sinds de komst van het christendom. Die waarneming gold de westerse cultuur, maar ook het christendom zelf. Niet te ontkennen valt dat het Christendom sindsdien in onze cultuur bezig is aan een ‘bumpy ride‘. De kritiek op de religie betrof de gevestigde kerk, maar ook het bovennatuurlijke en een God als zodanig. En die kritiek sloeg aan. Weliswaar is inmiddels het besef groeiende dat religie niet zomaar uit te bannen is. Maar voor velen blijft het Nietzscheaanse inzicht gelden, dat God wel dood is, maar dat het even duurt voor wij de consequentie daarvan aandurven en aankunnen.
In reactie op deze ingrijpende gebeurtenis is de christendemocratische beweging ontstaan en religie behoort op de dag van vandaag tot het ‘DNA van het CDA’. Maar dit religieuze DNA is een ingewikkeld onderwerp in onze plurale samenleving.
Heel lang werd het christendemocratische gedachtegoed ingezet om het pluriforme karakter van het publieke domein te verdedigen. Christenen eisten niet alleen hun eigen plaats op in het publieke domein, maar eisten principieel dat iedere overtuiging er toegang kreeg. De vrijheid van geweten mocht door kerk noch staat geschonden worden en iedereen telde mee als schepsel van God. De christendemocratie stond voor een vrije samenleving.
Maar inmiddels veranderde er wel iets in die samenleving. Het ging na de Tweede Wereldoorlog niet alleen meer om de vrijheid van die samenleving, maar ook om de waarden waar ze voor stond. Om die reden werden het subsidiariteitsbeginsel en dat van soevereiniteit in eigen kring in de jaren vijftig opnieuw geïnterpreteerd: niet langer stond de vrijheid van de samenleving in het christendemocratisch gedachtegoed centraal, maar haar verantwoordelijkheid. Daaruit vloeiden in de jaren zeventig de nieuw geformuleerde kernbegrippen van het CDA voort: gespreide verantwoordelijkheid, gerechtigheid, solidariteit, rentmeesterschap.
De christendemocratie vernieuwde zich dus na de Tweede Wereldoorlog, maar die vernieuwing riep een spanning op. De vrijheid van de samenleving kon onbekommerd verdedigd worden, omdat deze waarde uiteindelijk iedereen ten goede kwam en in principe niemand uitsloot. Maar wie het over verantwoordelijkheid gaat hebben, stelt waarden centraal in de samenleving die veel minder gemakkelijk door iedereen worden geaccepteerd. De vraag voor heden is hoe het CDA haar religieus gewortelde gedachtegoed weer zó kan formuleren en aan de man brengen, dat niet alleen haar leden, maar ook een groot van de samenleving inziet dat ze daar profijt van heeft. Of anders gezegd: kan het christendemocratische gedachtegoed integrerend werken in de samenleving zonder de vrijheid van burgers van andere overtuiging aan te tasten?
Het lijkt er op dat de christendemocratie een grote kracht is geweest in het vrijmaken van het publieke domein, maar kan het, nu dat domein behoefte heeft aan begrenzing en typering, opnieuw een algemeen kader aanbieden, of ontbreekt er daarvoor voldoende steun voor of aanhang van het Christendom? Hiermee hangt samen de vraag naar de betekenis van de kerk in het christendemocratisch denken. Is het mogelijk met effect een christendemocratische samenlevingsvisie uit te dragen zonder voldoende christenen die leven volgens deze visie. Als religie in het DNA zit van het CDA, kan de partij dan zonder kerken of zijn zij het anker van christendemocratische politiek? Het specifieke van de christendemocratie schuilt mijns inziens in deze relatie. Maar hoe kan het CDA tegelijk algemeen zijn?
Mij lijken de vraag naar de kerk en de vraag naar het samenbindende karakter van de christendemocratische samenlevingsvisie cruciaal in de huidige periode van herbezinning op de waarden van de partij.
Prof.dr. George Harinck is directeur van het Historisch Documentatiecentrum voor Nederlands Protestantisme en CDA-lid te Amersfoort.