|
||||||||||||||||||
· Rechten (doctoraal) Universiteit van Amsterdam
· Economie (twee jaar)
· Studentenstage bij advocatenkantoor
· Medewerker jeugd, onderwijs en juridische zaken Amsterdams Centrum voor Buitenlanders
· Lid Commissie Gelijke behandeling
· Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal vanaf 29 mei 2001
· Lid gemeenteraad Haarlem van 1998-2001
· Bestuur PGA (Parliamentarians for Global Action)
· Voorzitter Nederlandse delegatie Organisatie Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)
· Mensenrechtenrapporteur OVSE Parlementaire Assemblee
· Lid fractiebestuur
· Lid presidium Council of Europe Minority Youth Committees
· Lid bestuur Bijzondere Leerstoel Islam Islamitische Universiteit van Amsterdam
· Lid bestuur van het Bijbelsmuseum te Amsterdam
De openbare registers met volledige opgaven van alle Kamerleden van reizen,
geschenken en nevenfuncties inclusief inkomsten vindt u op de pagina Kamerleden >
Openbare registers.
Coskun Çörüz zit in de fractiecommissies Justitie, Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken en Jeugd en Gezin. Hij is woordvoerder jeugdcriminaliteit, veiligheid, politie, mensenrechten en internationaal (straf)recht. Het onderwerp justitiële jeugdinrichtingen, interesseert hem zeer.
Çörüz is gehuwd en heeft 2 kinderen.
“Ik ben geboren in Turkije en kwam op zesjarige leeftijd naar Nederland. Mijn vader behoort tot de eerste generatie Turken in Nederland. “Er was toentertijd een enorm communicatieprobleem en de problemen van nu vinden dan ook hun oorsprong een paar decennia geleden. Pas medio de jaren tachtig kwam het migrantenbeleid op gang en heerste er een terugkeersyndroom. Ook mijn ouders speelden toch altijd met de gedachte ooit terug te keren naar hun mooie dorp in Turkijë.”
Ik begreep dat door goed je best te doen op school, je verder kon komen. Ik was al jong maatschappelijk actief. Gedurende mijn studententijd zat ik in besturen van vele organisaties, bijvoorbeeld jongerenorganisatie, en bouwde daardoor een groot netwerk op. Werd zelfs uitgenodigd om als gastdocent aan de universiteit in Tokyo te doceren.
Hoe kwam ik bij het CDA terecht?
Door mijn netwerk werd ik benaderd door verschillende politieke partijen, die naar mijn mening minder ruimte lieten voor religie: iets wat voor mij juist wel belangrijk is. Uiteindelijk heeft sprak ik met het CDA en dit beviel wederzijds zo goed dat ik lid werd van deze partij. Ik heb de CDA-kaderschool gedaan, dat is een gedegen opleiding die je klaarstoomt voor de politiek. Het komt je niet aanwaaien, je moet er echt voor werken. Na in diverse landelijke commissies en werkgroepen te hebben geparticipeerd werd ik in 1998 in de gemeenteraad gekozen. Tijdens mijn studie rechten werkte ik als tolk bij de rechtbank en liep ik stage op een advocatenkantoor. Verder heb ik gewerkt als consulent en manager. Na een aantal gesprekken met Presidenten van Rechtbanken heb ik uiteindelijk toch niet gekozen voor de rechterlijke macht. “Ik vond mijzelf daar te ongeduldig voor. Per 2001 werd ik bij Koninklijk Besluit benoemd tot lid van de Commissie Gelijke Behandeling.”
Bij die commissie had ik net mijn draai gevonden toen Jaap de Hoop Scheffer belde met de mededeling dat hij mij in de Tweede Kamer verwachtte. Ik stond namelijk op de CDA-kandidatenlijst voor de Tweede Kamer op een opvolgersplaats. Uiteindelijk heb ik toch de stap gezet. Politiek zie ik als een roeping en het moet een toegevoegde waarde hebben. Als Kamerlid moet je dingen voor elkaar boksen. Stoere taal alleen zoals Wilders doet, helpt niet. Wilders begrijpt het niet. Je moet niet bagatelliseren, maar een visie voor de lange termijn hebben. Wilders bereikt juist een averechts effect. Politiek draait alsmaar om timing en dosering en je moet goedwillende mensen weten te binden. Wilders is niet geïnteresseerd in oplossingen.”
Wat mijn de toekomstplannen zijn? Of ik na de volgende Tweede Kamerverkiezingen nog een termijn voor mij zie, in de Tweede Kamer?
“Ik sluit het niet uit. Het is mooi werk. Ook wel zwaar: debatten hier in de Kamer lopen vaak uit tot de nacht. Ook in het weekend is er altijd wel iets van werk zoals partijbijeenkomsten, radio- of tv-interviews en natuurlijk de weekendpost envelop met leeswerk: alle stukken voor de komende week waar je een mening over moet vormen. Veel reizen ook door het land voor spreekbeurten en mensen ontmoeten. Het is geen kantoorbaan van 9 tot 5. Werkweken van 70 uur is heel normaal. Ik probeer een beetje tijd te houden voor één van mijn hobbies: koken. In verkiezingstijd is het natuurlijk helemaal pittig natuurlijk. Als politicus moet je weten hoe mensen buiten de Tweede Kamer ergens tegenaan kijken. Je moet gevoed worden door mensen uit de praktijk bijvoorbeeld op werkbezoeken. Dat doen we het hele jaar door en zeker niet alleen in verkiezingstijd. Ook in het gewone privéleven krijg je die voeding via je vrouw, de kinderen, op het voetbalveld, via de buurt, familie, in de moskee of bij het boodschappen doen. Ik ben bijvoorbeeld woordvoerder Politie en dan moet je natuurlijk weten wat er leeft onder politiemensen want hun argumenten, kritiek, behoeftes kun je gebruiken in een debat. Zo blijf je kritisch naar het kabinet. Verder wil gewoon een goed Kamerlid zijn en vooral ook een bruggenbouwer tussen de verschillende culturen. Uiteindelijk ben ik hier bezig voor mensen. Dat was destijds ook mijn overweging om rechten te studeren: simpelweg mensen helpen met een probleem. Ik heb iets met mensen en rechten. Je moet hier knokken voor je doelen, maar als je ze waar kan maken geeft dat een meer dan voldaan gevoel.”
Wat ik de afgelopen jaren in de Tweede Kamer heb bereikt?
“Door het stellen van schriftelijke vragen kun je politiek iets op de kaart zetten. Bijvoorbeeld de ontvoering van Katja of het niet goed functioneren van het politie informatiesysteem C 2000 tijdens de rellen in Hoek van Holland, geweldsincidenten tegen politie en ambulancepersoneel of chauffeurs in het openbaar vervoer, de Bulgaarse douane die van Nederlandse reizigers verklaringen verlangde dat zij Mexicaanse griep vrij waren, experimenten met de helmcamera. Momenteel ben ik bezig met een initiatiefwetsontwerp dat de aansprakelijkheid van ouders verruimt voor door hun kinderen opzettelijk aangerichte schade. Onze initiatiefnota Gezin boven tehuis is net afgerond.
Verder werk je vooral samen in de politiek om iets te bereiken, binnen de partij, samen met je fractiegenoten dus de andere CDA-Tweede Kamerleden.”
“Binnen de fractie zet ik mij vooral in om Nederland veiliger te maken en overlast en verloedering te bestrijden. Zo heeft de Tweede Kamer en ik dus namens mijn partij, gezorgd voor wetgeving waarbij de burgemeester veel extra bevoegdheden krijgt. De burgemeester moet slagvaardig gebruik gaan maken van zijn bevoegdheden en de overlast aanpakken. Daar hebben zijn inwoners recht op. Wij hier in de Kamer hebben er voor gezorgd dat de burgemeester nu een goed gevulde gereedschapskist heeft”.
In Nederland is reeds gedurende langere tijd sprake van onaanvaardbare vormen van overlast, met name in de steden, wijken en rond wedstrijden in het betaalde voetbal. Een aantal jongeren/mensen veroorzaken in duidelijk aanwijsbare groepen, ernstige overlast of strafbare feiten. Dat hebben we gezien destijds in Gouda. Het gaat dan om hinderlijk en zonder redelijk doel rondhangen in portieken, gebouwen (bedrijven), in plantsoenen, joelen, schelden, bespugen, intimideren, wildplassen, beplakken, kladden en graffiti, auto’s, bushokjes en ander straatmeubilair vernielen en openbare dronkenschap. Kortom gedrag dat zeer belastend is voor de omgeving. Recente voorbeelden in Vught en Hoek van Holland laten zien hoe belangrijk een locaal openbare orde en veiligheidsbeleid is.
Het kabinet heeft van de aanpak van overlast, verloedering, criminaliteit een belangrijk thema gemaakt in het project “Veiligheid begint bij voorkomen”. Het kabinet heeft ingezet op een afname van criminaliteit en overlast van 25% in 2010 ten opzichte van 2002. Hierbij is op locaal niveau een belangrijke rol weggelegd voor de burgemeester als handhaver van de openbare orde en veiligheid.
De burgemeester krijgt een bevelsbevoegdheid om een langer durend gebieds- en/of groepsverbod op te leggen. Een groepsverbod is een verbod om zich binnen een bepaald gebied zonder redelijk doel in groepsverband op te houden. Met het gebiedsverbod krijgt een ordeverstoorder een verbod opgelegd om zich (al dan niet gedurende bepaalde tijdstippen) in een bepaalde straat of gedeelte van een wijk te bevinden. In het debat is er ook nog de avondklok bij gekomen. Zo’n avondklok kan ook voor jongeren en hun ouders belangrijk zijn, jongeren die maar op straat zwalken en van alles uithalen, hun huiswerk niet maken, slaperig op school zitten of helemaal niet komen. Aan het gebiedsverbod kan een meldingsplicht worden gekoppeld. Men moet zich dan bijvoorbeeld melden op een politiebureau op bepaalde dagen/op bepaalde uren of bij bepaalde wedstrijden.
De bevelen zijn er op gericht in te grijpen in die gevallen waarin groepsgewijs gedrag ,waardoor de openbare orde ter plaatse wordt verstoord, zich (opnieuw) dreigt voor te doen. Het gaat hierbij om ernstig overlastgevend gedrag dat reeds eerder heeft plaatsgevonden en dat zich dreigt te herhalen.
Deze nieuwe bevelen kunnen gedurende maximaal 9 maanden worden opgelegd en duren dus aanzienlijk langer dan de nu al bestaande (en ook blijven bestaan) gebiedsverboden en samenscholingsverboden die de burgemeester kan opleggen op grond van zijn “lichte” bevelsbevoegdheid, op basis van de Gemeentewet of op grond van plaatselijke APV’s. Als mensen zich niet aan zo’n bevel houden is dat een strafbaar feit en dus niet mis.
Wat ik ook heb bereikt/aan mee heb gewerkt of mee bezig ben: