Schriftelijke vragen + antwoorden over eetstoornissen

Vragen van het lid Uitslag (CDA) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over eetstoornissen (ingezonden 16 juni 2011).

Antwoord van minister Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 25 juli 2011).

Vraag 1

Kent u het bericht «Een hulpeloze ouder is funest?»1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u op de hoogte van het actiepuntenplan «Voor een betere ketenzorg bij eetstoornissen» dat is aangeboden aan de toenmalige minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport?

Antwoord 2

Ja, ik ben daarvan op de hoogte.

Vraag 3

Deelt u de mening dat niet alleen de persoon die aan een eetstoornis lijdt, maar ook de gezinnen eromheen onder de ziekte lijden?

Antwoord 3

Die mening deel ik zeker. Het moet heel erg zijn voor ouders om hun kind te zien worstelen met deze psychische ziekte. Voordat iemand aanklopt bij de hulpverlening is er al een heel proces, thuis in de gezinnen, aan vooraf gegaan. Eten is een primaire en sociale behoefte. Het moet vreselijk zijn als je kind dit stelselmatig weigert. De onmacht bij ouders en betrokkenen kan ik mij goed indenken.

Vraag 4

Deelt u de mening dat ouders voor een goed resultaat actief bij de behande-ling van hun kind moeten worden betrokken? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit onder de aandacht te brengen bij de verschillende behandelaars? 1 Trouw, 7 juni 2011.

Antwoord 4

Ja, die mening deel ik. De behandeling van eetstoornissen bij kinderen is in de GGZ nu al gericht op het hele gezin. De multidisciplinaire richtlijn eetstoornissen uit 2006 geeft ook aan dat het betrekken van ouders bij de behandeling en het herstel heel belangrijk is.

Vraag 5

Bent u bereid te kijken of het invoeren van een extra contactmoment met de schoolarts mogelijk is?2

Antwoord 5

Het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) ontwikkelt met de JGZ-organisaties en in afstemming met de IGZ een aantal modellen voor een meer flexibele uitvoering van de huidige JGZ-Richtlijn contactmomenten Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg 0–19 jaar. Dit moet er ondermeer toe leiden dat gemeenten via de jeugdgezondheidszorg aan (groepen) jeugdigen meer zorg op maat kunnen bieden (gelet op wat nodig is voor ouder en/of kind). In dit kader zal worden bezien hoe er meer aandacht voor adolescenten kan komen, bijvoorbeeld met een persoonlijk contactmoment op die leeftijd, dan wel op andere manieren, zoals telefonisch contact met de adolescent of een internet-consult. Het is ook van belang dat de JGZ goed samenwerkt met andere organisaties zoals scholen, om de ontwikkeling van jeugdigen goed in beeld te houden. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het zorgadviesteam op school. Wanneer school, ouders of de jeugdige zelf vinden dat er aanleiding tot zorg is (bijvoorbeeld bij een eetstoornis), is het ook altijd mogelijk om de jeugdgezondheidszorg in te schakelen. Om de JGZ te ondersteunen bij het signaleren van eetstoornissen en adequaat handelen te bevorderen wordt een JGZ-Richtlijn «Voedingsgedrag en eetstoornissen» ontwikkeld.

Vraag 6

Deelt u de mening dat een betere verbinding en meer afstemming tussen de verschillende schakels in de zorgketen van eetstoornissen (preventie, vroegsignalering, diagnostiek, behandeling en nazorg) van groot belang is? Is er naar uw oordeel op dit moment sprake van voldoende verbinding en afstemming? Zo niet, hoe wil u dit proces in gang zetten?

Antwoord 6

De signalering van mensen met een eetstoornis en de samenwerking tussen de verschillende schakels in de zorgketen kan zeker nog beter. De multidisci-plinaire richtlijn eetstoornissen is onder andere geschreven om die samen-werking te benoemen en beter tot stand te krijgen. Het veld is zelf verant-woordelijk voor de implementatie van deze richtlijn en dus voor het verder verbeteren van deze samenwerking.2


A A A     voorleeshulp     inloggen     English
1  2  3  4