Voorstel van wet van de leden Van Toorenburg (CDA) en Van der Steur (VVD) tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de verhoging van de strafmaat voor enkele ernstige zedendelicten, onder meer betreffende verkrachting van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren (strafbaarstelling kinderverkrachting)
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de strafmaat voor enkele ernstige zedendelicten te verhogen alsmede gemeenschap met kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren die niet of onvolkomen in staat kunnen worden geacht daartegen weerstand te bieden of hun wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken, als verkrachting aan te merken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 242 wordt ‘twaalf jaren’ vervangen door: vijftien jaren.
B
In artikel 243 wordt ‘acht jaren’ vervangen door: tien jaren.
C
Artikel 244 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
Indien het in het eerste lid omschreven feit wordt gepleegd met iemand die niet of onvolkomen in staat kan worden geacht tegen de in dat lid bedoelde handelingen weerstand te bieden of zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken, wordt het feit gestraft als verkrachting.
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Veiligheid en Justitie,
-----------------------------------------------------
Toelichting bij het initiatiefwetsvoorstel van de leden Van Toorenburg (CDA) en Van der Steur (VVD): strafbaarstelling kinderverkrachting.
De initiatiefnemers achten het wenselijk dat gemeenschap met kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren, die niet of onvolkomen in staat kunnen worden geacht daartegen weerstand te bieden of hun wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken, als verkrachting wordt aangemerkt.
De reden hiervoor is gelegen in het feit dat in het huidige artikel 244 Sr de term verkrachting niet wordt gebezigd, waardoor de gedachte is ontstaan dat een berechting op grond van artikel 244 Sr slechts te kenmerken is als ontucht. Hoewel hiervan strikt genomen juridisch geen sprake is nu in het huidige artikel 244 Sr wordt gesproken over ‘seksueel binnendringen van het lichaam’, leeft in de samenleving de gedachte dat dit niet gelijk staat aan verkrachting. Aanwijzingen hiervoor worden onder meer gevonden in een aan de Tweede Kamer aangeboden petitie die oproept de terminologie gelijk te trekken. Initiatiefnemers hebben geconstateerd dat er in de samenleving begripsverwarring is ontstaan ten aanzien van de ernstigste vormen van zedendelicten. Ouders van seksueel misbruikte kinderen spreken in termen van verkrachting, terwijl daarvan naar de letter van de wet geen sprake hoeft te zijn. Dit heeft geleid tot groot onbegrip, hetgeen de initiatiefnemers zeer onwenselijk achten.
Een volledige gelijkstelling, dat wil zeggen een wijziging van artikel 244 Sr, verdient evenwel niet de voorkeur van de initiatiefnemers, omdat de kwalificatie ‘verkrachting’ in het huidige artikel 244 Sr om redenen is weggelaten, namelijk om verdachten te kunnen laten vervolgen en veroordelen zonder dat de in artikel 242 Sr opgenomen bestanddelen ‘geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid’ dienen te worden bewezen. Zou iedere gedraging vallende onder het bereik van artikel 244 Sr als verkrachting worden aangemerkt, dan zou daaronder bijvoorbeeld ook vallen de met instemming gepleegde tongzoen tussen ietwat oudere kinderen. Dat voert te ver. De term verkrachting dient, naar het oordeel van de initiatiefnemers, gereserveerd te blijven voor seksuele gedragingen tegen de wil van het slachtoffer (artikel 242 Sr) of gepleegd met personen die niet of onvolkomen in staat worden geacht tegen de gedragingen weerstand te bieden of tegen personen die hun wil daaromtrent niet kunnen bepalen of kenbaar kunnen maken. Gedacht wordt daarbij aan de weerloze en wilsonbekwame jongere kinderen. Wordt het extra bestanddeel ten opzichte van artikel 244, eerste lid, (nieuw) Sr vervuld, dan levert het feit dus ‘verkrachting’ op en kan een gevangenisstraf worden opgelegd van ten hoogste vijftien jaar. Artikel 244, tweede lid, (nieuw) Sr houdt een rechtsvermoeden in, want hele jonge kinderen worden niet capabel geacht hun (werkelijke) wil over het hebben van gemeenschap te bepalen.
De initiatiefnemers achten het tevens gewenst om de strafmaat van artikel 242 Sr te verhogen naar vijftien jaren. Zij zijn van mening dat een hoger strafmaximum tegemoet komt aan de behoefte in de samenleving om in uitzonderlijk ernstige zedenzaken een hoger strafmaximum op te kunnen leggen dan thans mogelijk is.
Hierbij wordt eveneens overwogen dat verdachten steeds vaker een onderzoek naar hun geestvermogens weigeren, in een poging te voorkomen dat aan hen een tbs-behandeling wordt opgelegd. De duur van een gemiddelde tbs-behandeling is momenteel acht tot negen jaar, derhalve ongeveer even zo lang als de huidige maximum straf met vervroegde (voorlopige) invrijheidstelling. Verdachten die ‘strategisch kiezen’ voor het uitzitten van een gevangenisstraf zouden hierdoor mogelijk ontmoedigd kunnen worden zich te verzetten tegen behandeling.
Tevens wordt voorgesteld de strafmaat van artikel 243 Sr te verhogen. De huidige strafpositie – acht jaar – achten de initiatiefnemers onevenwichtig als de verwante artikelen 242 Sr en 244 lid 2 (nieuw) Sr naar een strafmaximum van vijftien jaar zouden gaan. Een strafmaximum van tien jaar komt de initiatiefnemers passender voor, het gaat dan wel niet specifiek om kinderen en er is dan wel geen sprake van dwang of geweld, maar het gaat wel om misbruik van de staat waarin het slachtoffer verkeert.
Van Toorenburg
Van der Steur