EVENREDIG EN RECHTVAARDIG
Klik hier voor het rapport (pdf)
In het parlement is de behandeling van de Belastingherziening 2001 reeds gesproken over verdere hervormingen van de inkomstenbelasting. Een meerderheid van CDA, D66 en VVD heeft tijdens de behandeling in de Tweede Kamer een ontwikkeling in gang gezet die zou kunnen leiden in de richting van een flat rate tax. De regering is met de motie-Reitsma opgeroepen de mogelijkheden van een vlakke belasting te bestuderen. Aan de motie ging een studie van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA vooraf (Herstel van draagkracht), met amendementen op het wetsvoorstel van het kabinet. In die studie werd een verkenning naar de mogelijkheden van een één-tariefstelsel bepleit. In het verlengde daarvan en vooruitlopend op het onderzoek van het kabinet is het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA zijn eigen vervolgstudie gestart. Is een vlaktax wenselijk? En zo ja, welke vorm dient zij dan te krijgen?

Het Wetenschappelijk Instituut heeft aan de afwegingen en keuzen dienaangaande in zijn voornoemde studie de eis verbonden dat stelselwijzigingen de solidariteit tussen belastingplichtigen niet mogen aantasten. De collectieve lasten moeten rechtvaardig verdeeld worden en rechtvaardig betekent: in overeenstemming met een ieders draagkracht. Het draagkrachtbeginsel vormt daarom het uitgangspunt. Een beginsel van rechtvaardige belastingheffing is, dat iedereen een bijdrage betaalt naar gelang zijn draagkracht. Daarbij moet worden aangemerkt dat draagkracht niet alleen een kwestie is van bruto inkomen. Ook de gezinssituatie, het vermogen, de leeftijd etc. spelen een rol. Tot op heden is in ons belastingsysteem de hoogte van het individuele inkomen de maatstaf voor draagkracht. Kosten spelen nu geen rol bij het bepalen van de draagkracht, tenzij het gaat om kosten gemaakt om inkomen te verwerven. In subsidieregelingen wordt daarentegen weer wel rekening gehouden met elementaire kosten van levensonderhoud, zoals in de huursubsidie of de eigen bijdragen in de AWBZ. Via op de leefsituatie van mensen toegesneden heffingskortingen en via het maximeren van lasten voor wonen, zorg en opvoeding van kinderen kan in veel gevallen gerichter dan via een algemene tariefsprogressie invulling worden

gegeven aan het draagkrachtbeginsel in de inkomstenbelasting. Dat impliceert dat eenieders mogelijkheid om zijn of haar steentje bij te dragen aan de collectieve lasten wordt bezien met inachtneming van zoveel mogelijk subjectieve relevante omstandigheden die zijn draagkracht bepalen.

Nu het huidige progressieve belastingstelsel in de praktijk sterk proportioneel uitpakt, vooral door de aftrekposten en de mogelijkheden tot arbitrage, is het de vraag of een progressief stelsel nog wel tegemoet komt aan het uitgangspunt dat de sterkste schouders de zwaarste lasten behoren te dragen. In de praktijk wordt dat ideaal niet bereikt. Aan de andere kant werkt een onverkort proportioneel tarief degressief en doet het geen recht aan de notie dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dienen te dragen. Het voornoemde uitgangspunt kan dus niet worden vormgegeven door een flat rate tax zonder meer.

Het invoeren van een vlaktax zal gepaard moeten gaan met flankerende maatregelen. Niet alleen ter compensatie van nadelige inkomenseffecten en draagkrachteffecten, maar ook - wanneer het tarief beneden het huidige effectieve tarief wordt vastgesteld - ter financiering van gederfde belastingopbrengsten. Deze flankerende maatregelen dienen zodanig te worden afgewogen en op zo een manier tegen het vlaktax-tarief te worden afgezet, dat een goede mix ontstaat. Alledrie de elementen moeten tot hun recht komen: een aantrekkelijk tarief, een budgettair-neutrale financiering en evenwichtige inkomensverhoudingen.

Verwante rapporten:

2009 - EEN SOCIALE VLAKTAKS 


A A A     voorleeshulp     inloggen     English
1  2  3  4