Klik hier voor het rapport (pdf)
De opvoedingsonzekerheid is sterk toegenomen. Dit wordt versterkt door de toegenomen incidenten op school en op straat. Ook wordt de maatschappij geconfronteerd met extreme gevallen. In de afgelopen jaren is de schuldvraag aan de orde gesteld: verloedert de maatschappij, voeden ouders hun kinderen niet meer op, faalt de hulpverlening? Een complexe vraag. In dit rapport over jeugdbeleid proberen we de volgende vragen te beantwoorden: Hoe groot zijn de actuele problemen met jongeren? Wat is de oorzaak van deze problemen? Wat kan er beter in de aanpak?
Zodra kinderen op straat en op school komen, hebben ze er al een aantal gezinsjaren op zitten en is de basis gelegd. Leren en spelen veronderstellen basisvaardigheden, zoals respect voor anderen. Zijn die vaardigheden er niet, dan worden instituties als de school ‘overvraagd’. Ouders hebben in de afgelopen jaren een paradoxale opdracht gekregen. Enerzijds werd hun verteld dat hun opvoeding allesbepalend was, anderzijds werd ouders voorgehouden dat hun kind zich zonder enige beperking moest kunnen ontplooien om een gelukkig mens te worden. De grote meerderheid van de ouders is er aardig in geslaagd om in reactie op deze dubbele – en dus vage – opdracht hun eigen grenzen vast te stellen. Een half miljoen gezinnen heeft last van meer structurele problemen of komt om wat voor reden dan ook vaker in de moeilijkheden. Bij enkele procenten, in de orde van grootte van 50.000, is de situatie zo ernstig dat zware ondersteuning bij of zelfs overname van opvoeding eigenlijk geboden is.
Er is wel degelijk sprake van opvoedingsonzekerheid op grote schaal en ouders en instituties hebben last van vage grenzen. We zijn het onderling niet meer eens over wanneer en door wie kinderen en jongeren een halt toe geroepen moet worden bij hun op zich natuurlijke drang om die grenzen te verkennen. De taakverdeling tussen instituties als gezin, school, politie, etc. is nog zeer vaag en moet permanent worden uitonderhandeld door alle betrokkenen. Hoewel alle experts het eens zijn over het belang van vroegtijdige signalering en ondersteuning, is er nog steeds een stelsel van jeugdhulpverlening en jeugdzorg dat niet gericht is op procesbegeleiding maar op opvang, dat niet proactief is maar reactief, dat niet kindgericht is maar instellingsgericht en dat het leeuwendeel van de middelen niet besteed aan ondersteuning maar aan diagnose en organisatiekosten. Reorganisaties hebben een steeds ingewikkelder kluwen van instellingen en bestuurlijke verhoudingen opgeleverd, waardoor de sector in feite op dit moment oncontroleerbaar is (de effecten van de geïnvesteerde middelen zijn domweg onbekend).
Hoe zou een goed werkend systeem er uit zien?
Verwante rapporten:
2010 - VERTROUWEN IN OUDERS