Klik hier voor het rapport (pdf) Met dit rapport wil het WI de contouren van het mensbeeld dat leidend is voor het christen-democratisch denken verkennen en verdiepen. Over christen-democratische mensbeelden is in het verleden al het nodige gepubliceerd. Dit rapport gaat over de wisselwerking tussen personen en instituties. Het verkent een christen-democratische mensvisie in haar verschillende dimensies, tegen de achtergrond van een sterk veranderende wereld. Het toont een beeld van mensen die hun begaafdheden inbrengen in de samenleving en daaraan willen bijdragen. Van mensen die niet nadrukkelijk steeds op hun rechten en strepen staan, maar oog hebben voor de ander, zonder elkaar tot onnodige afhankelijkheid te veroordelen.
Een belangrijk inzicht in de katholieke en lutherse tradities is dat de mens tot zijn bestemming komt in en door het dragen van verantwoordelijkheden. Langs die weg verwerft hij zelfstandigheid, emotionele rijpheid en uiteindelijk vrijheid. De samenleving moet de mens tot het dragen van die verantwoordelijkheid in staat stellen. Het is een klassiek christelijk-sociaal inzicht dat de staat om die reden een begrensde rol heeft. De staat moet de sociale voorwaarden garanderen voor een fatsoenlijk bestaan, maar zich anderzijds niet nodeloos bemoeien met het persoonlijke en maatschappelijke leven. Mensen zijn en blijven natuurlijk wel altijd aangewezen op anderen. Niemand is volstrekt autonoom. We hebben ouders, artsen en leerkrachten nodig om te kunnen leven en overleven. Instituties als scholen, zorginstellingen en bedrijven verschaffen elementaire diensten (respectievelijk onderwijs, zorg, werkgelegenheid). Diensten die soms zelfs zo belangrijk zijn dat zij een plaats hebben gekregen in de catalogus van sociaal grondrechten. Maar dat betekent niet dat zij daarom per se, of zelfs maar bij voorkeur door de overheid geleverd zouden moeten worden. Integendeel, het subsidiariteitsbeginsel (spil in het katholieke denken) en het principe van de soevereiniteit in eigen kring (waar het protestantse denken omheen scharniert) leggen elk om een eigen reden het primaat bij de samenleving, bij maatschappelijke instellingen en instituties. Zij moeten bij voorkeur de elementaire diensten leveren en mensen in staat stellen en toerusten om maatschappelijke verantwoordelijkheid te kunnen dragen. De overheid waakt er op haar beurt over dat de diensten op maat en toegankelijk zijn.
Het is zaak dat maatschappelijke instellingen (scholen, zorginstellingen, bedrijven, vakbonden) meegaan met hun tijd. Als zij mensen toerusten, moeten zij dat immers naar de maatstaven van deze tijd doen. Dat is een grote uitdaging, gezien de dynamiek van deze tijd. De globalisering van de economie en de arbeidsmarkt stellen nieuwe eisen aan bedrijven, aan het personeel, aan hun scholing en toerusting. De vaardigheden waarover mensen als schoolverlaters moeten beschikken, zijn nu behoorlijk anders dan twintig jaar geleden. Het sociale beleid is gaandeweg meer gericht op werkzekerheid als bron van inkomenszekerheid, dan op baanzekerheid en meer gericht op voorzorg dan op nazorg. Kortom, de omstandigheden veranderen. Het toerusten van mensen verloopt vandaag de dag op een andere manier dan in de jaren vijftig of zeventig.