12 januari 2016

In Memoriam: Piet Steenkamp

De getuigenis van Piet Steenkamp  

In de jubileumbundel die in 2005 ter gelegenheid van het 25-jarige bestaan van het CDA werd uitgegeven, merkt Piet Steenkamp op dat als het CDA niet zou bestaan, het uitgevonden zou moeten worden omdat het CDA op tal van terreinen voldoet aan duidelijke behoeften in de Nederlandse samenleving. Uit deze uitspraak spreekt onnodige bescheidenheid, alsof hij slechts zijdelings betrokken was bij de oprichting van het Christen-Democratisch Appèl. Steenkamp mag echter zonder terughoudendheid de uitvinder van het CDA worden genoemd. Kunnen we ons voorstellen dat Frits Philips zich op een zelfde wijze zou uitspreken over het bedrijf Philips en Albert Heijn over de supermarktketen die zijn naam draagt?

Als Piet Steenkamp in 1959 toetreedt tot het partijbestuur van de KVP, is hij al snel overtuigd van de noodzaak van een samengaan met de ARP en CHU. Negen jaar later geeft hij het officieuze startschot voor de moeizame poging de confessionele partijen ARP, CHU en KVP tot samenwerking en uiteindelijk een fusie te bewegen met een beroemde rede op het partijcongres van de KVP. “Er is een Bijbelwoord dat mij bijzonder lief is ”, zo vertelt hij zijn partijgenoten, “en dat luidt: ‘Gij zult mijn getuigen zijn’. Welnu dames en heren, ik geloof dat deze klemmende oproep en opdracht niet beperkt is tot het persoonlijk leven. Daar is geen sprake van! Ik vind dat ik in dit land, vandaag en in de huidige situatie, het beste gestalte kan geven aan die opdracht door bij te dragen tot een moderne evangelische volkspartij.” Er volgen twaalf lange jaren van vergaderen, vele honderden spreekbeurten, schrijven, onderhandelen, bellen, bilateraaltjes, aanmoedigen, inspireren, teleurgesteld worden en bemoedigd raken met op 11 oktober 1980 uiteindelijk de oprichting van het CDA als resultaat.

Wanneer Steenkamp in 1968 het partijcongres van Katholieke Volkspartij toespreekt, verkeren de confessionele partijen in verwarring over de ingrijpende maatschappelijke veranderingen die gaande zijn. De Anti-Revolutionaire Partij (ARP) is als oudste partij van Nederland (1879) het politieke gezicht van de hechte gereformeerde zuil. Hervormd Nederland heeft daarvoor de Christelijk Historische Unie, terwijl de katholieken met eerst de RKSP en na de Tweede Wereldoorlog de KVP eveneens hun eigen politieke partij hebben. Tot halverwege de jaren zestig konden de partijen rekenen op een stabiele en omvangrijke aanhang; wanneer je tot een bepaalde zuil behoorde stemde je bijna automatisch op de partij die jouw zuil vertegenwoordigde. Verkiezingen lieten slechts kleine verschuivingen zien. Maar door ontkerkelijking en ontzuiling raken de banden binnen de zuilen losser; mensen voelen zich minder gebonden aan de partij van de zuil. Als gevolg daarvan raken confessionele partijen vanaf de Tweede-Kamerverkiezingen van 1967 in een electorale vrije val. Ze raken voor het eerst sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 hun absolute meerderheid kwijt.

Een nieuwe generatie van na de oorlog geboren babyboomers morrelt aan de politieke poort. Ze is minder dan haar ouders gehecht aan de oude structuren van de kerk en de daaraan verbonden zuilen. Niet de gemeenschap van de zuil dient te bepalen hoe iemand zijn of haar leven leidt, maar het autonome individu. De jonge nieuwkomers willen de macht van de gewoonte doorbreken; ze eisen invloed en meer democratisering. D66 is het symbool van die vernieuwingsbehoefte met een anti-ideologische politiek en een politiek programma waar democratiseringsvoorstellen, zoals de invoering van een referendum, de gekozen minister-president en burgemeester en een nieuw kiesstelsel, boven aan het lijstje staan. De maatschappelijke veranderingen krijgen ook de PvdA in zijn greep. Een nieuwe generatie van jonge politici grijpt bij de sociaal-democraten de macht. Zij introduceren een nieuwe politiek van polarisatie die zich vooral tegen de christendemocratische partijen richt. De inzet van de vernieuwde PvdA is niets minder dan de marginalisering van de christendemocratie. Ze streeft naar een politiek landschap van een rechts-conservatief versus een sociaal-progressief blok rond de PvdA waarin voor de confessionele middenpartijen geen ruimte meer is.

Onder dit gesternte van ontzuiling, polarisatie en de onverhulde pogingen om de christendemocratie in Nederland van het politieke toneel weg te drukken, starten de christendemocratische partijen met verkennende gesprekken over verdergaande samenwerking en mogelijk zelfs een fusie tot één christendemocratische partij. Menig christendemocraat zal aan het begin van de jaren zeventig ook wel eens door twijfel zijn overvallen of het ooit tot een fusie zou komen. Vooral de culturele verschillen zijn groot. De Antirevolutionairen onderhouden een nauwe band met het Bijbelse evangelie; voor vele gereformeerde politici is dat een directe inspiratiebron om politiek te bedrijven en een kader om elkaar binnen de partij op aan te spreken. Voor katholieken is die band losser; de bijbel is voor hen zonder meer een persoonlijke inspiratiebron en minder om publiek uiting aan te geven. De beginselen tellen voor de antirevolutionairen zwaar, terwijl voor de katholieken de Bijbelse opdracht om verantwoordelijkheid te nemen en te dragen leidraad is. De CHU neemt daarin een minder uitgesproken positie in.

Niemand is beter geschikt dan Piet Steenkamp om die culturele verschillen te overbruggen. De hoogleraar sociaal recht heeft de oecumene met de paplepel ingegoten gekregen. Hij wordt in 1925 geboren als oudste zoon in een Noord-Hollands katholiek gezin. Zijn vader is slager die twee jaar na de geboorte van zijn eersteling een vleesverwerkingsfabriek begint in Uithoorn. Generaliserende kritische opmerkingen over protestanten zijn taboe in de familie. Dat was opmerkelijk in de sterk verzuilde vooroorlogse samenleving waar onbekendheid met de andere zuilen vaak leidde tot wantrouwen. Die opvoeding leidt ertoe dat hij als tiener de voorzitter van de RKSP, dr. Witteman, die in de oorlogsjaren regelmatig bij de familie Steenkamp zit ondergedoken, tegenspreekt als die mijmert over de heroprichting van de RKSP na de oorlog. “Ik bestreed hem daarin. Ik vond dat wij samen met de protestanten een christelijke volkspartij dienden op te richten.” Na de Tweede Wereldoorlog is de twintiger Steenkamp een van de initiators van een Amsterdams jeugdparlement. Daar richt hij geen katholieke maar christendemocratische fractie op.

Van zijn ouders krijgt hij ook een sterke betrokkenheid met politiek en samenleving mee. In de crisisjaren zag hij hoe zijn moeder voor de minderbedeelden zorgde. Die sterke sociale bewogenheid neemt hij later in de politiek mee. En in zijn studie, want hij gaat sociale economie studeren aan de katholieke hogeschool van Tilburg. Voor zijn proefschrift verdiept hij zich in het christelijk sociale denken van de protestanten in een studie naar ‘De gedachte der bedrijfsorganisatie in protestants-christelijke kring’. Hij lijkt aanvankelijk te worden voorbereid om het bedrijf van zijn vader over te gaan nemen. Na afronding van zijn studie en proefschrift gaat hij daarom werken in de vleesfabriek. Als hij opklimt in het bedrijf van zijn vader brengt hij belangrijke principes van de katholiek-sociale leer in de praktijk door inspraak en winstdeling voor de werknemers te introduceren. Hij werkt nog voor het familiebedrijf als hij in deeltijd gaat doceren aan de Technische Hogeschool Eindhoven. Maar uiteindelijk maakt hij de volledige overstap naar de wetenschap. Hij laat zich daarbij leiden door de uitspraak van kerkvader Thomas van Aquino dat inzet voor de publieke zaak de hoogste opdracht is.

Piet Steenkamp is kortom een calvinistische katholiek: Bijbelvast, hardwerkend en met een sterk plichtsgevoel dat hem aanzet tot lange werkdagen. Het proces om te komen tot samenwerking en wellicht een samengaan, kan daarom niet beter worden geleid dan door deze KVP-er die de tale Kanaäns spreekt en als een protestant getuigt van zijn Bijbelse inspiratie om politiek te bedrijven. Wanneer de besprekingen tussen drie partijen in 1972 al dreigen vast te lopen op onenigheid over de grondslag en aard van de nieuw te vormen partij, is het Piet Steenkamp die de pen oppakt en een nota (‘Naar een verantwoordelijke samenleving’) weet te schrijven die breed enthousiasme weet op te roepen bij de voormannen van alle drie de partijen. In navolging op de Assemblée van de Wereldraad van Kerken van 1948 komt hij tot het concept van de verantwoordelijke samenleving waarin “de mensen in hun gezinnen, in hun werk en in al hun sociale relaties hun verantwoordelijkheid voor de ander kwijt kunnen”.

Hij bedenkt de zogenaamde antwoordfilosofie. Steenkamp schrijft: “Het Evangelie is een uitdaging, een opgave en een gave tegelijk. Het is onze opdracht antwoord te geven op de oproep van het Evangelie in de hoop dat velen in ons volk met hun eigen bezieling het antwoord dat wij moeten geven mee willen bepalen.” Volgens Steenkamp moet de nieuwe partij nadrukkelijk geen kerkelijke of exclusief christelijke partij worden. Het evangelie is geen landkaart maar een kompas dat richting geeft. Hoofdstuk 6 van de nota stelt: “Het evangelie is (...) uniek, maar het is niet exclusief, dat wil zeggen het is niet ons bezit, wij mogen het niet monopoliseren. Het samenbindend element en het herkenningspunt zijn onze politieke strategie, ons actieprogram en ons beleid zoals wij die als antwoord op de evangelische oproep blijvend vorm willen geven.” Kortom: niet het christelijke geloof moet de drie partijen en hun leden samenbinden, maar een gedeelde politieke overtuiging. En die kan ook mensen aanspreken die de kerk inmiddels vaarwel hebben gezegd.

Deze nota beoogt de opstap te zijn naar een fusie in 1973 waarna de nieuwe partij in 1975 voor het eerst aan de Tweede-Kamerverkiezingen kan deelnemen. Maar tussen droom en daad, staan veel politieke bezwaren in de weg. Eerst valt het toenmalige kabinet-Biesheuvel en als na de ingelaste Kamerverkiezingen van 1973 de ARP en KVP wel en de CHU niet toetreden tot het kabinet-Den Uyl lijkt de nieuwe partij verder weg dan ooit. De jaren erna volgen ook nog opnieuw oplaaiende grondslagdiscussies, sabotageacties van twijfelaars en een richtingenstrijd rond de vraag of de christendemocratische partijen in 1977 zich wel of niet vooraf moeten binden aan een tweede kabinet-Den Uyl. De stuurmanskunsten en het geduld van Piet Steenkamp worden keer op keer tot het uiterste op de proef gesteld. Een enkele keer overweegt hij de pijp aan Maarten te geven en één keer doet hij dat ook maar daar komt hij ook weer op terug.

Andere hoofdrolspelers roemen nadien het ogenschijnlijk ontembare optimisme en de verbindende gaven van Steenkamp. Hij blijft ook na grote teleurstellingen trekken en sleuren aan zijn grote ideaal: een grote christendemocratische volkspartij. Als hij na weer een teleurstellende bijeenkomst naar huis rijdt, bedenkt hij in de auto dat hij het roer moet omgooien. Hij moet de sleutel tot die nieuwe partij niet zoeken in de Haagse binnenkamers van de partijleiders en -bestuurders, maar aan de basis bij de leden van de drie partijen in het land. Hij trekt door Nederland om zijn getuigenis van een nieuwe christen-democratische partij over te brengen. Zijn vrouw heeft bijgehouden dat hij al die jaren 980 spreekbeurten houdt. Daar ontdekt hij dat de achterban al veel verder is dan hun voormannen in Den Haag. In tal van afdelingen is al lang sprake van innige samenwerking tussen de KVP, ARP en CHU. In veel gemeenten en provincies doen ze in 1974 al met een gezamenlijke lijst en in sommige gevallen zelfs al onder de naam CDA mee aan de Provinciale Staten- en gemeenteraadsverkiezingen. Steenkamp gebruikt die druk van onderop om de weifelaars aan de onderhandelingstafel in beweging te krijgen. Na een nieuwe impasse starten de voorzitters van de afdeling Hoofddorp in 1975 uit ergernis over het stagnerende fusieproces het initiatief “Wij horen bij elkaar”, waarin ze de partijraden aansporen om nu uit te spreken dat de partijen bij de volgende Kamerverkiezingen gezamenlijk zullen optrekken. In korte tijd ondertekenen zo’n tachtigduizend leden het bijbehorende manifest. Piet Steenkamp hoort van het initiatief op de radio en belt spontaan naar één van de drie initiators: “Ik ken je niet, maar ik ben je ontzettend dankbaar”.

Steenkamp zegt dat zijn idealisme hem al die jaren gaande heeft gehouden: “Als ik dat ideaal van een brede evangelische volkspartij niet had gehad, dan had ik het ook niet volgehouden.” Maar hij moet toegeven dat het ook erg heeft geholpen dat hij geen enkele politieke ambitie heeft. “Ik beleef mijn fijnste dagen als ik op de hogeschool in Eindhoven zit”, zegt hij daarover. Hij bedankt meerdere keren voor verzoeken om minister te worden of de Tweede Kamer in te gaan. Hij is zelfs even in beeld voor het lijsttrekkerschap in 1977 als de drie partijen voor het eerst gezamenlijk mee doen aan de Kamerverkiezingen. Maar zelfkennis weerhoudt hem ervan om de stap te wagen. Steenkamp is altijd op zoek naar harmonie en kan niet goed uit de voeten met ruzie. Hij beseft dat conflict bij de politiek hoort als lesgeven bij het hoogleraarschap en dus dat hij zich niet in het hart van de politiek moet begeven. Volgens Steenkamp zijn de fabrikanten van slaapmiddelen steenrijk geworden aan zijn jarenlange inspanningen voor de totstandkoming van het CDA. Een politieke baan zou het aantal slapeloze nachten alleen maar hebben doen toenemen.

Als het CDA uiteindelijk op 11 oktober 1980 tijdens een feestelijk congres in het Congresgebouw in Den Haag het licht ziet, betekent dat als vanzelf dat hij een stap terug doet. Zijn missie zit erop en is geslaagd. Na zeven jaar voorzitterschap van het federatieve verband dat moest leiden tot het CDA, geeft hij de voorzittershamer over aan Piet Bukman en wordt hij benoemd tot erevoorzitter van het CDA. Hij blijft wel lid van de Eerste Kamer namens het CDA, een functie die hij bij zijn afscheid in 1999 ruim 34 jaar heeft vervuld. Van 1983 tot 1991 is hij zelfs voorzitter van de Senaat. Het zijn rollen die hem op het lijf zijn geschreven: hij kan er zijn liefde voor de inhoud en het samenbrengen van mensen kwijt en, heel belangrijk, hij hoeft er zijn fijne dagen aan de Hogeschool niet voor op te geven.

Piet Steenkamp blijft na 1980 met liefde betrokken bij zijn geesteskind het CDA; om te bemiddelen, mee te denken of nog eens voor te houden waar het hem bij de oprichting allemaal om was te doen. In 1991 doet hij dat in de formele rol van voorzitter van de Commissie Uitgangspunten CDA. Maar meestal bewandelt hij na 1980 de informele weg via een gesprek met deze of gene of een interview. In 2013 gaat hij bij hoge uitzondering nog in op een verzoek tot een gesprek voor Christen Democratische Verkenningen. De dan 88-jarige geestelijk vader van het CDA hoeft zich niet meer zo nodig publiekelijk uit te spreken, “maar tegen het mooiste blad van de wereld” kan hij geen Nee zeggen. Even scherp en helder als immer zet hij de unieke positie van het CDA neer: “Wij kiezen niet de mensen die bij ons horen, de mensen moeten ons kiezen. Waarin dat onderscheidende precies zit? In de verbondenheid met de christelijke traditie: tussen alle godsdiensten is het christendom uniek door zijn nadruk op de praktijk van de sociale deugden en de menselijke waardigheid: de gehele mens doet er toe.”

Het is nu onze opdracht om het CDA in de geest van Piet Steenkamp voort te laten leven en te getuigen van onze politieke opdracht om het appèl dat elke dag op ons wordt gedaan te beantwoorden.

Rien Fraanje | Wnd. directeur Wetenschappelijk Instituut voor het CDA

Bronnen:

Pieter Gerrit Kroeger en Jaap Stam, De rogge staat er dun bij. Macht en verval van het CDA 1974 - 1998, Balans, 1998.

Wetenschappelijk Instituut CDA, De groei naar het CDA. Momenten en impressies uit dertien bewogen jaren, Uitgeverij Wever, 1980.

Rijk van Ark e.a., 25 jaar CDA. Tussen macht en inhoud, Tirion, 2005.

Piet Steenkamp, Het woord “appèl” maakt het CDA uniek, in: CDV (33), Lente 2013.

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.