Opinieartikel
 
“Niet verplicht, maar zeker niet vrijblijvend”
 
‘We hebben steeds meer contacten, in steeds minder tijd en vooral met gelijkgestemden. Gescheiden werelden zijn niet altijd zichtbaar en wie zich erin bevindt, klimt daar niet zo snel uit.’ Met deze woorden sloeg Kim Putters, directeur van het Sociaal- en Cultureel Planbureau (SCP), een jaar geleden tijdens de Machiavellilezing de spijker op zijn kop. Een jaar eerder toonde Margalith Kleijwegt eenzelfde beeld in de reportage ‘Twee werelden, twee werkelijkheden’ over de sociale scheidslijnen in het onderwijs. Jongeren met verschillende achtergronden komen tegenwoordig steeds minder met elkaar in aanraking. Dat begint al bij de allerjongsten in het basisonderwijs, waar leerlingen van lager opgeleide ouders vaak naar dezelfde scholen gaan en andersom. Deze toenemende segregatie en doorgeslagen individualisering gaan op termijn ten koste van de samenhang en gezamenlijke identiteit in onze samenleving.
 
Maatschappelijke diensttijd als medicijn
Voor de overheid ligt op dat gebied dus een grote uitdaging. Daarom is het zo belangrijk dat het plan voor een maatschappelijke diensttijd voor jongeren een plek heeft gekregen in het Regeerakkoord. Om tegen de stroom van deze ontwikkelingen in, ervoor te zorgen dat jongeren uit alle bevolkingslagen elkaar weer ontmoeten en tegelijkertijd iets teruggeven aan de samenleving. Net als vroeger bij de militaire dienstplicht. Tegenwoordig wordt vooral de nadruk gelegd op de rechten die iemand heeft, maar is nauwelijks aandacht voor de plichten die daarbij horen. Juist een maatschappelijke diensttijd kan jongeren uit die comfortzone halen én een brug slaan tussen de gescheiden werelden waarin steeds meer wordt geleefd. Het is dan ook een goede zaak dat staatssecretaris Paul Blokhuis (VWS) dit jaar gebruikt om te experimenteren op welke manier de diensttijd vormgegeven kan worden, zodat we er volgend jaar écht mee aan de slag kunnen. Hij heeft aangegeven hierin vooral samen met jongeren op te willen trekken, om aan te sluiten bij hun belevingswereld. Zijn zorgvuldige aanpak valt te prijzen, maar tegelijkertijd moet worden gewaakt voor te veel vrijblijvendheid. Welke richting wil de staatssecretaris zelf op? Het is nu tijd om op een aantal onderdelen de regie te pakken.
 
Niet verplicht, maar zeker niet vrijblijvend
In het Regeerakkoord is vastgelegd dat de maatschappelijke diensttijd geen verplichting vormt. Maar dat betekent niet dat de keuzes van jongeren zelf per definitie leidend moeten zijn bij de inrichting van de diensttijd. Er moet juist worden voorkomen dat de typische invulling bijvoorbeeld alleen aansluit bij hoger opgeleiden of praktisch opgeleide jongeren. En ook meer focus op sectoren waarbinnen de maatschappelijke diensttijd kan plaatsvinden, zoals de zorg of defensie, draagt bij aan duidelijkheid. De toegevoegde waarde voor jongeren is namelijk ruimschoots aanwezig, zoals een pré bij sollicitaties, een gepaste vergoeding en sociale verbinding. En vooral voor jongeren zonder startkwalificatie kan een meer verplichtende variant van de maatschappelijke diensttijd zorgen voor uitzicht op een baan. Het is dan ook aan de staatssecretaris om te waken voor vrijblijvendheid en de regie te pakken, zodat de maatschappelijke diensttijd doet waar ze voor bedoeld is: de onderlinge samenhang vergroten en jongeren iets terug te laten doen voor de samenleving.
 
Michel Rog
Tweede Kamerlid CDA
 
 

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.