In de samenleving en in de politiek wordt de discussie over de zin of onzin van ontwikkelingssamenwerking gevoerd. Dat is niet verwonderlijk: na zes decennia inzet op ontwikkelingssamenwerking is het hoog tijd om ons af te vragen of we nog wel zinvol bezig zijn. Zijn de inspanningen nog wel effectief? Hebben donoren nog steeds een rol en, zo ja, wat zou die moeten zijn? Is het huidige ontwikkelingsbeleid nog toereikend om de vragen van vandaag te kunnen beantwoorden?
Deze notitie gaat in op deze vragen en geeft richting aan de nieuwe lijn van de CDA Tweede Kamerfractie. Tevens beoogt het een aanzet te zijn voor komende discussies. In de volgende twee hoofdstukken wordt ingegaan op de accenten en prioriteiten die het CDA voor ogen heeft. Elke paragraaf wordt afgesloten met een apart kader waarin het CDA-voorstel concreet wordt weergegeven.
Heroriëntatie op ontwikkelingssamenwerking
De antwoorden die we middels het huidige beleid van ontwikkelingssamenwerking geven
op mondiale vraagstukken passen niet meer bij deze tijd. Hierbij zijn twee aspecten van
belang. Ten eerste kenmerkt deze tijd zich door sterke verwevenheid en onderlinge
afhankelijkheid van landen en mensen wereldwijd. Kort gezegd: alles heeft met alles te
maken. Zo kan armoedebestrijding kan niet los gezien worden van vragen op gebied van
duurzaamheid en leiden honger en conflicten in Afrika tot migratie, iets wat ook directe
gevolgen heeft voor Nederland. Het andere belangrijke aspect is dat mensen in
ontwikkelingslanden mondiger en mondialer geworden zijn. Terecht verwachten zij dat
partnerschappen en gelijkwaardigheid een belangrijker rol spelen in relaties tussen
ontvangende en donerende landen. Deze verzakelijking van de relaties moet er toe leiden
dat er scherpere eisen aan ontwikkelingslanden gesteld worden en het initiatief meer aan
OS landen zelf overgelaten wordt.
Deze tijd vraagt om het openbreken van het bastion dat ontwikkelingsamenwerking
tot nu toe geweest is. Dit betekent:
1) 0,7% BNP handhaven voor ontwikkelingssamenwerking, de extra 0,1% BNP
bestemmen voor interdepartementaal beleid voor ontwikkeling;
2) 0,1% BNP voor natuur, milieu en water integreren in 0,7% BNP met focus
op duurzaamheid, behoud van biodiversiteit en energievoorziening;
3) flexibel omgaan met de landenlijst, waarbij kansrijke initiatieven in nietpartnerlanden
ook mogelijk moeten zijn.
Te lang is effectiviteit onderbelicht gebleven en ging het meer om het vasthouden aan de
oude, platgetreden wegen, waardoor versnippering optrad in het beleid, vastgeroeste en
verouderde ideeën tegen elke prijs gehandhaafd moesten worden en er dus geen ruimte
was voor innovatieve ideeën. Door te denken dat puur het geven van geld de oplossing is
voor het armoedevraagstuk, hebben donoren de afhankelijkheid van ontvangende landen
in sommige gevallen eerder vergroot dan verkleind. Door gebrek aan resultaatseisen en
toetsingscriteria zijn ongewenste en ineffectieve situaties te lang in stand gehouden. Door
te denken dat onze vormen van ontwikkeling en democratie de enig denkbaren zijn, is er
te weinig ruimte gelaten voor eigen ontwikkelingsprocessen elders. We moeten daarom
kritisch stil staan bij wat onze rol, onze toegevoegde waarde kan zijn. Want dát we een rol
te spelen hebben, staat vast. Als rijk land, met gezag op het gebied van
ontwikkelingssamenwerking, hebben we een verantwoordelijkheid die we niet willen
ontlopen.
Juist nu, in een tijd van opstapelende crises, blijkt het belang van kijken over de dijk. Het
CDA kijkt verder dan de Nederlandse grens en vindt dat we moeten inspelen op
wereldwijde ontwikkelingen. Meer dan ooit zijn landen en mensen met elkaar verbonden
en het Christen-Democratische uitgangspunt van rentmeesterschap krijgt daarmee een
hernieuwde betekenis: duurzame betrokkenheid bij de naaste, de weidegenoot. Niet
alleen omdat je nu eenmaal dezelfde weide deelt en dus afhankelijk bent van elkaar, maar ook omdat die weide in goede staat overgedragen moet worden aan komende
generaties. Daarmee is ontwikkelingssamenwerking vandaag de dag niet meer alleen
gefundeerd in morele verplichtingen en solidariteit maar dient een veel breder doel: een
welbegrepen eigenbelang. Rust en veiligheid daar, komt ook onze veiligheid ten goede.
Economische groei en sterke samenlevingen daar, bieden ons, handelsnatie bij uitstek,
kansen die we niet onbenut willen laten. De CDA-fractie staat daarom onverkort achter
het belang om de internationaal afgesproken millenniumdoelstellingen (MDGs) te halen.
Daarvoor moeten de nodige financiële middelen door Nederland en door de andere
landen beschikbaar worden gesteld. Als landen zich aan de gemaakte afspraken houden
om te voldoen aan de internationaal afgesproken norm van 0,7% van het BNP voor
ontwikkeling, zullen er meer middelen beschikbaar komen voor
ontwikkelingssamenwerking. Nederland moet de andere landen blijven aanspreken op de
gemaakte afspraken en zijn gezag op dit terrein inzetten op de effectiviteit van de
ontwikkelingsinspanningen.
De tijd van hulp is voorbij. De CDA-fractie wil investeren in mensen en samenlevingen.
Grondslag hiervan is het besef dat mensen zichzelf ontwikkelen en hun eigen problemen
moeten oplossen. Dat betekent dat capaciteitsopbouw, een sterke middenklasse en een
lokale intellectuele elite van belang zijn. Daarom blijft de autonome kracht van het
maatschappelijk middenveld, -religieuze organisaties, vakbonden,
medefinancieringsorganisaties-van belang en is slechts onder duidelijke voorwaarden
begrotingssteun een optie. De CDA-fractie wil blijven investeren in sociale sectoren, in
onderwijs (óók beroepsonderwijs, hoger-en universitair onderwijs) en gezondheidszorg
(basisgezondheidszorg én gespecialiseerde zorg rond mondiale thema’s zoals HIV/AIDS
en reproductieve gezondheid). Onderwijs en gezondheidszorg zijn immers
basisvoorwaarden voor ontwikkeling en mogen niet verwaarloosd worden. De CDA-fractie
wil investeren in duurzaam beheer van internationaal gemeenschappelijke publieke
goederen, goederen die niet onuitputtelijk zijn zoals energie, water, grondstoffen,
biodiversiteit en schone lucht. Om deze doelen te realiseren is er geld nodig. Het CDA
handhaaft daarom onverkort 0,7% van het BNP voor ontwikkelingssamenwerking.
A Meer ruimte voor interdepartementaal beleid
De laatste jaren is gebleken dat interdepartementaal beleid een meerwaarde heeft. Een
duidelijk voorbeeld is de internationale erkenning van de 3D-benadering in Afghanistan.
Vanuit de regering worden noodzakelijke stappen gezet, er zijn gezamenlijke missies van
EZ en OS, gemeenschappelijke beleidsvoornemens op gebied van LNV en OS, Justitie
en OS, VROM en OS en kansen op terrein van OCW en OS. Naar de mening van de
CDA-fractie is het niet genoeg. Daadwerkelijk gezamenlijke inzet, buiten gebaande paden
om, ontbreekt nog. Een obstakel daarbij is dat financiering van beoogde activiteiten niet
altijd voldoen aan de criteria van officiële ontwikkelingshulp (ODA) die zijn opgesteld door
het ontwikkelingscomité van de Organisatie voor Economische Samenwerking en
Ontwikkeling (OESO-DAC), Het CDA hecht aan de OESO-DAC criteria maar is van
mening dat meer flexibiliteit de effectiviteit van inzet op ontwikkeling ten goede kan
komen. Dat zien we duidelijk in de 3D benadering. Goede voorstellen lopen soms vast op
het feit dat niet alle elementen daarvan onder deze officiële criteria vallen. Daar moet
verandering in komen, zodat er ruimte komt – ook financieel – voor goede
interdepartementale voorstellen. Daarbij spreekt het voor zich dat deze financiële
middelen besteed moeten worden aan ontwikkelingsrelevante doelen, dus uitgevoerd
samen met het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking.
VOORSTEL: De CDA-fractie wil de afgesproken 0.7% van het BNP voor
ontwikkelingssamenwerking handhaven volgens de OESO-DAC criteria. De 0.1% van het
BNP die Nederland extra beschikbaar heeft voor ontwikkeling moet voor
interdepartementaal beleid flexibel worden ingezet. Flexibel betekent: eventueel los van
de OESO-DAC criteria, maar wel altijd in samenwerking met het ministerie voor
ontwikkelingssamenwerking. De 0,1% van het BNP bestemd voor water en milieu moet
worden geïntegreerd in de 0,7% BNP ODA . Het CDA wil dit realiseren in de volgende
kabinetsperiode.
B Focus op duurzaamheid, biodiversiteit en energievoorziening
Inzet op water en milieu, duurzaamheid, biodiversiteit en energievoorziening is van groot
belang. Het CDA ziet de noodzaak alle zeilen bij te zetten om de verwoestende effecten
van klimaatverandering aan te pakken. De opwarming van de aarde zet onverminderd
door en treft met name ontwikkelingslanden. Verwoestijning, droogte, overstromingen en
onveilig water hebben gevolgen voor de voedselproductie en leiden tot conflict en
migratie. Hierop inspelen, is in ons aller belang. Ontwikkelingslanden beschikken lang
niet altijd over de noodzakelijke middelen om deze problemen het hoofd te bieden. De
aanpak van deze grootschalige problematiek vergt een gezamenlijke inzet, waaraan niet
alleen donoren, maar ook ontwikkelingslanden zelf, een bijdrage moeten leveren.
Duurzaamheid en behoud van biodiversiteit moeten veel meer geïntegreerd worden in het
ontwikkelingsbeleid. Het CDA wil dat de 0,1% van het BNP voor natuur, milieu en water
wordt geïntegreerd in de 0,7% van het BNP. Dit zal noodzakelijkerwijs leiden tot een
herprioritering van het OS-beleid. Bewustere keuzes moeten worden gemaakt die op
langere termijn leiden tot een verhoging van de effectiviteit. Cruciaal is dat in Kopenhagen
eind 2009 een nieuw mondiaal klimaatverdrag wordt gesloten. Dit kabinet zet daarnaast
stevig in op hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden. In het behalen van de MDGs
en inzet op gevolgen tegen klimaatverandering zit synergie. De CDA-fractie vindt dat de
middelen geconcentreerd moeten worden ingezet, gebruik makend van innovatieve
technologieën en expertise, zoals die in Nederland aanwezig zijn. Het gaat hierbij onder
andere om duurzame oplossingen voor energietekorten, waterzuiveringstechnieken en
het tegengaan van verwoestijning. Het behoud van bestaand bos en herbebossing zijn
daarbij van belang. Eén van de vele innovatieve oplossingen om verdere
milieudegradatie te voorkomen is herbebossing van gemengde bossen met
suikerpalmen. Dergelijke bossen zorgen voor regen, beschermen bestaande bossen,
bestrijden erosievorming, houden water vast en zorgen voor voedselzekerheid.
De bioethanolproductie die hieruit voortkomt, zorgt voor werkgelegenheid en opbouw
van lokale economieën. Een dergelijk gemengd bos is al productief binnen één à twee jaar.
Expertise op dit gebied is ontwikkeld in Wageningen. Momenteel loopt er een
veelbelovende pilot in Indonesië. Ook Colombia en Tanzania willen experimenteren met
de aanplant van suikerpalmbossen en hebben daarvoor middelen beschikbaar gesteld.
Hier ligt een vernieuwende kans die we niet mogen missen.
VOORSTEL: De CDA-fractie wil een brede en grootschalige inzet op duurzaamheid,
biodiversiteit, en energie. Dit moet geïntegreerd worden binnen de 0,7% van het BNP
voor ontwikkelingssamenwerking. In praktijk moet hierop meer getoetst worden. Cruciaal
is de totstandkoming van een nieuw mondiaal klimaatverdrag. Er bestaat een duidelijke
synergie tussen het behalen van de millenniumdoelen en de aanpak van
klimaatverandering.
C Flexibel omgaan met niet-partnerlanden
Het huidige Nederlandse ontwikkelingsbeleid wordt uitgevoerd in 36 landen in Afrika, Azië
en Latijns-Amerika, de zogenaamde partnerlanden. De motivatie hierachter is dat het
budget voor ontwikkelingssamenwerking hierdoor zo effectief mogelijk kan worden
besteed. Inderdaad kan Nederland niet alle ontwikkelingslanden steunen en moeten er
keuzes worden gemaakt. Het CDA is van mening dat ontwikkelingsbeleid juist effectief
kan zijn als niet altijd te rigide wordt vastgehouden aan lijsten en bestaand beleid, maar in
te springen op ontwikkelingen die kansrijk zijn en het verschil kunnen maken. Het moet
mogelijk worden dat kansrijke initiatieven in niet-partnerlanden, waarbij Nederland een
toegevoegde waarde heeft, gesteund worden vanuit het ontwikkelingsbudget. Juist door
keuzes te maken en niet altijd uit te gaan van automatisme binnen het OS-beleid, kunnen
onze inspanningen effectiever zijn. Een concreet voorbeeld is de aanpak van problemen
in grote steden in India en Brazilië. Nederland beschikt over veel kennis en expertise op
gebied van aanpak van grootstedelijke problemen zoals afvalverwerking,
energievoorziening, sanitatie en waterbeheer, waarmee de levensomstandigheden van
miljoenen mensen verbeterd kunnen worden. Aanvragen vanuit die landen komen echter
niet aanmerking voor (co-) financiering omdat ze niet op de Nederlandse landenlijst
staan. Een ander voorbeeld zijn voorstellen op gebied van milieu, zoals herbebossing in
middeninkomenslanden in Midden-en Zuid-Amerika, die om dezelfde reden worden
afgewezen.
VOORSTEL: De CDA-fractie wil dat de regering minder rigide omgaat met de lijst van
partnerlanden. Kansrijke initiatieven uit niet-partnerlanden die het verschil kunnen maken
en waarbij Nederland een toegevoegde waarde heeft moeten in aanmerking kunnen
komen voor financiële ondersteuning. Deze aanvragen moeten niet al bij voorbaat
worden afgewezen.
Prioriteiten
Naast de genoemde keuzes in het vorige hoofdstuk, stelt de CDA-fractie de volgende
prioriteiten:
A Landbouw
Het is goed dat de landbouwsector terug is op de ontwikkelingsagenda. Stimulering van
(kleinschalige) landbouw en duurzame voedselproductie zijn immers de sleutel om
honger tegen te gaan. Daarnaast blijken investeringen in deze sector effectief in het
bevorderen van economische onafhankelijkheid omdat er al snel inkomsten worden
gegenereerd met landbouwproductie. Kleine boeren, vaak vrouwen, hebben hier direct
voordeel van. Op gebied van landbouw liggen er ongekend grote uitdagingen. De huidige
voedselcrisis maakt dit extra duidelijk. Reden voor veel conflicten in de wereld zijn de
gevolgen van klimaatverandering en daaruit volgend het gebrek aan grond voor
voedselproductie. De hoeveelheid productieve grond voor landbouw zal steeds meer
afnemen. Daarnaast dreigen de komende decennia enorme tekorten te ontstaan aan
voldoende zoet water, waarvan landbouwontwikkeling grotendeels afhankelijk is. Dit vergt
een nieuwe aanpak, waarbij effectiviteit en innovatie op gebied van landbouw,
watermanagement en voedselproductie, leidend moeten zijn. Op deze terreinen beschikt
Nederland over een grote reputatie met wereldbefaamde kennisinstituten (Wageningen,
TNO, Deltaris, etc) en een heel actief innovatief bedrijfsleven. Nederland moet deze in
Nederland aanwezige kennis in het buitenland meer promoten en gebruik ervan
stimuleren. Door Publiek-Private samenwerkingsverbanden (PPS) van overheden –ook
lagere –, kennisinstituten en bedrijfsleven wordt actief ingespeeld op deze kansen. De
uitdaging is om deze PPS zo goed mogelijk te benutten voor een effectief Nederlands
ontwikkelingsbeleid. Er dient vanuit ontwikkelingssamenwerking naast geld, ook actieve
ondersteuning geboden te worden in plaats van onnodig bureaucratische barrières op te
werpen. PPS kan zorgen voor een multiplier effect voor de investering van iedere euro
ontwikkelingsgeld. Een voorbeeld van een PPS in een beginfase is het Friese
samenwerkingsverband van Millenniumgemeenten, Vitens, de provincie, waterschappen
en deskundige NGO’s op gebied water en sanitatie. Initiatieven vanuit de regio, het
maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven leveren een zichtbare bijdrage aan het
draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking in de Nederlandse samenleving.
VOORSTEL: Landbouw blijft een prioritair onderwerp in het ontwikkelingsbeleid. De
CDA-fractie wil dat de regering de in Nederland aanwezige (innovatieve) kennis op
gebied van landbouw, voedsel en water in het buitenland uitdraagt. De Nederlandse
regering moet brede samenwerkingsverbanden (PPS) stimuleren, waarbij het gaat om de
kernkwaliteiten van Nederland op deze terreinen. Naast een financiële bijdrage moet de
regering een ondersteunende inzet leveren aan deze samenwerkingsverbanden.
B Bedrijfsleven
De rol die het bedrijfsleven in Nederland en in ontwikkelingslanden kan spelen, is lange
tijd onderbenut geweest. Het bedrijfsleven creëert banen en daarmee economische
onafhankelijkheid, die allereerst de middenklasse versterkt. Het is goed dat de minister
voor Ontwikkelingssamenwerking het bedrijfslevenfonds ORIO aanzienlijk heeft
opgehoogd. Het gaat hier veelal om infrastructurele projecten, die met name voor grotere
bedrijven interessant zijn. De CDA-fractie is echter van mening dat ook de rol van het
MKB verder uitgebreid en benut moet worden. We zien dat (vrouwelijke) ondernemers in
ontwikkelingslanden hun kleinschalige projecten, vaak opgestart met microkredieten
ontstijgen en willen doorgroeien naar MKB. Hierdoor neemt de vraag vanuit
ontwikkelingslanden voor ondersteuning op gebied van MKB toe. Daarom wil de CDA-
fractie dat een deel van de ORIO-middelen ook voor MKB beschikbaar wordt. Daarnaast
bestaat er veel vraag vanuit ontwikkelingslanden naar scholing, op gebied van transport,
verkoopmethoden, de opbouw van verwerkende industrie en ICT. De Nederlandse
regering moet hierop actiever inzetten. Evenzeer is het van belang dat er voldoende en
gedegen informatie beschikbaar is en dat ambassades voorlichting en begeleiding
kunnen geven. Innovatieve MKB kan in ontwikkelingslanden nog meer gestimuleerd
worden. Hierbij moet er prioriteit zijn voor behoud van biodiversiteit en duurzaamheid.
VOORSTEL: De CDA-fractie wil een verdere uitbreiding van het betrekken van het
bedrijfsleven bij ontwikkelingssamenwerking, met name van het MKB. Hier liggen kansen,
onder andere op terrein van innovatie, het versterken van de lokale verwerkende industrie
en ICT. De rol die het MKB kan spelen, moet gestimuleerd worden. Daartoe moeten er
middelen en deskundigheid beschikbaar zijn. Binnen ORIO moet meer ruimte komen voor
het MKB. Ambassades moeten het MKB informatie beschikbaar stellen en de nodige
ondersteuning verlenen.
C Maatschappelijk middenveld
Volgens het CDA speelt het particulier initiatief een belangrijke en eigenstandige rol bij de
ontwikkeling van vitale samenlevingen, het vergroten van het eigen probleemoplossend
vermogen en het versterken van de middenklasse. Kerken, vakbonden, media en andere
maatschappelijke organisaties vervullen een wezenlijke rol bij de opbouw van de
samenleving. Met name in fragiele staten en in donorloze ontwikkelingslanden kan het
maatschappelijk middenveld activiteiten uitvoeren die vaak moeilijker door de
Nederlandse overheid gedaan kunnen worden. Ook hier moet gekeken worden naar de
effectiviteit van de inspanningen. Het CDA staat positief tegenover de voorstellen van de
minister om versnippering tegen te gaan, het aantal organisaties dat subsidie ontvangt te
beperken en de 25% eigen bijdrage voor de organisaties overeind te houden. Vanwege
de belangrijke rol van maatschappelijke organisaties moeten financiële middelen
beschikbaar blijven. Er dient evenwicht te blijven tussen de kanalen (bilaterale en
multilaterale). Het CDA is tegen verstatelijking van de inzet van het maatschappelijk
middenveld; complementariteit, in de zin dat het maatschappelijk kanaal doet wat de
regering niet kan of wil, is juist de meerwaarde. Bijvoorbeeld in Zimbabwe. Nederland kan
momenteel nog niet samenwerken met de Zimbabwaanse regering, wel is er dringend
behoefte aan steun. In dergelijke situaties kunnen maatschappelijke organisaties hun rol
vervullen. In Zimbabwe bijvoorbeeld door het mogelijk te maken in meer schoolboeken te
voorzien. Nu moeten dertig schoolkinderen samen doen met één boek. Naast het belang
van complementariteit, moet er ook ruimte blijven voor kleinschaligheid en niet slechts
een premie op de hoogte van de uitgaven. Het gaat om de impact van de inspanningen
en om kwaliteit.
VOORSTEL: Voor de CDA-fractie zit een belangrijke meerwaarde van het Nederlandse
ontwikkelingsbeleid in het evenwicht tussen de verschillende financieringskanalen.
Inspanningen via het maatschappelijk middenveld mogen niet ten koste gaan van
besteding via multilaterale organisaties. Er moet ruimte blijven bestaan voor kleinschalige
activiteiten die een grote impact hebben op de ontwikkeling van vitale samenlevingen.
D Opbouw van de rechtsstaat
De opbouw van de rechtsstaat en goed bestuur zijn voorwaarden voor ontwikkeling en
het stimuleren van de private sector. Een zwakke juridische sector is niet alleen een
probleem in landen waar geweld toeneemt en er grootschalige schendingen van
mensenrechten plaatsvinden, zoals in het Grote Merengebied, Colombia, Guatemala en
Sri Lanka. Dit is ook een probleem in het groeiende aantal landen dat zich ontworstelt
aan armoede en een middeninkomensland wordt. Een gerichte inzet op die landen kan
ervoor zorgen dat ze niet steeds terugvallen in armoede en conflict. Daarbij speelt de
opbouw van een sterke middenklasse een cruciale rol, maar ook het versterken van de
juridische sector is een factor van belang in het tegengaan van corruptie, het aanpakken
van straffeloosheid en het versterken van autonomie van de middenklasse. Een sterke
juridische sector is ook van belang voor het aantrekken van investeringen door het
bedrijfsleven en het MKB. Daarom wil de CDA-fractie meer inzet op de versterking van de
rechtsstaat. Soms kan dat het beste in internationaal verband. Het Nederlands profiel als
land van recht en rechtspraak en als land met hoogwaardige kennisinstituten op gebied
van rechtswetenschap kan juist in die landen het verschil maken. De winnares van de
eerste mensenrechtentulp, Justine Masika Bihamba, heeft dit expliciet aangegeven en
Nederland gevraagd rechters en advocaten te leveren om mensen op te leiden.
Nederland heeft goede ervaring met het uitzenden van deskundigen voor korte perioden,
bijvoorbeeld via het Programma Uitzending Managers (PUM).
VOORSTEL: De CDA-fractie wil dat het bevorderen van de rechtsstaat, mensenrechten
en goed bestuur hoog op de ontwikkelingsagenda staan, waarbij niet slechts ingezet
wordt op fragiele staten. Vanuit de vraag uit ontwikkelingslanden voor ondersteuning van
de opbouw van de rechtsstaat en adequaat werkende juridische instellingen moet er een
uitgebreidere pool van deskundigen op juridisch gebied worden gevormd. In dit kader kan
het leggen van contacten, bevorderen van uitwisseling en het aangaan van partnerschappen tussen instituten voor (juridisch) wetenschappelijk onderwijs, van betekenis zijn.
E Europees Ontwikkelingsbeleid
Grote uitdagingen van deze tijd vragen om een internationale aanpak. Vandaar dat de rol
van de EU op gebied van grensoverstijgende problematiek en op gebied van
ontwikkelingssamenwerking van belang is. Deze inzet moet echter niet haaks staan op
het Nederlandse beleid. Het CDA vindt dat de EU meer werk moet maken van
donorharmonisatie, afstemming, coördinatie en specialisatie op dit terrein, met een
grotere aandacht voor de doelmatigheid in de bestedingen. De Europese Commissie
besteedt grote bedragen aan ontwikkelingssamenwerking in landen waar Nederland
omwille van de interne situatie geen OS-geld wil investeren. Zo besteedt de Europese
Commissie € 122 mln voor de periode 2009 – 2013 in Eritrea. Nederland heeft juist de
relatie met Eritrea beëindigd vanwege de slechte humanitaire situatie en schendingen
van mensenrechten. Meer dan 50% van de EU-bestedingen aan ontwikkelingslanden
gaat via het geven van begrotingssteun, waarbij direct gelden worden overgemaakt naar
de algemene middelen van het ontvangende land. Onlangs heeft de Europese Commissie besloten € 175 mln uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) te besteden aan begrotingssteun voor Rwanda, terwijl Nederland juist besloten had haar bijdrage aan begrotingssteun op te schorten vanwege de onduidelijke rol van dat land in Congo.
Begrotingssteun kan zijn voordelen hebben, mits er duidelijke voorwaarden aan worden
gesteld. Vanuit Europa gebeurt dat niet. Het CDA vindt dat op EU niveau kritischer moet
worden gekeken naar de besteding van OS-middelen, met name ten aanzien van
begrotingssteun. Wanneer het EOF beleid financiert dat haaks staat op het Nederlandse
beleid, moet dit consequenties hebben voor de Nederlandse bijdrage aan het EOF.
Tegelijkertijd moet er een brede kritische dialoog gevoerd worden met de andere
Europese landen over effectiviteit in ontwikkelingsamenwerking en zeker over de inzet
van begrotingssteun. Dat moet gebeuren op niveau van de regering maar ook het
parlement heeft hierin een taak.
VOORSTEL: De CDA-fractie vindt dat er een einde moet komen aan automatische
bijdragen aan het Europees ontwikkelingsfonds. Als met dat geld beleid gefinancierd
wordt dat haaks staat op het Nederlands beleid, zoals in het geval van begrotingssteun,
moet dit consequenties hebben. Naast de regering heeft ook het parlement een taak in
het voeren van een kritische dialoog over het Europees ontwikkelingsbeleid. Die dialoog
moet de regering op niveau van de lidstaten onverminderd voortzetten. Op niveau van
parlementen, inclusief het Europees Parlement, moet die discussie ook worden gevoerd.
Parlementsleden moeten in interparlementaire fora het EU-beleid kritisch aan de orde
stellen en collega’s uit andere landen hierop aanspreken.
–
CDA Tweede Kamerfractie
Postbus 30805
2500 EA ’s Gravenhage
Telefoon: 070 -318 30 20
Fax: 070 -123 45 67
E-mail: info@tweedekamerfractie.cda.nl
CDA Tweede Kamerfractie
Postbus 30805
2500 EA ’s Gravenhage
Telefoon: 070 -318 30 20
Fax: 070 -123 45 67
E-mail: info@tweedekamerfractie.cda.nl