26 januari 2016

Antwoorden op vragen van Lid Geurts aangaande natuurstatistieken

Geachte Voorzitter,

Hierbij stuur ik u mede namens de minister van Infrastructuur & Milieu de antwoorden op de vragen die zijn gesteld door het lid Geurts over ‘de manipulatie van de natuurstatistieken van het Planbureau voor de Leefomgeving’ ingezonden 14 december 2015 (2015Z24402).

Bent u bekend met het bericht ‘Planbureau manipuleert Nederlandse natuurstatistieken’?[1]

Antwoord

Ja.

2

Bent u bereid om een inhoudelijke reactie te geven op twee zaken uit het rapport ‘Sjoemelnatuur’, te weten de kritiek op de manier van meten van biodiversiteit door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de 15% reductie van de biodiversiteit sinds 1990?

Antwoord

De indicator waarnaar in het genoemde rapport wordt verwezen, de Mean Species Abundance (MSA), presenteert het biodiversiteitsverlies (in kwantiteit en kwaliteit) ten opzichte van de ongestoorde situatie, waarbij de mens geen invloed op een ecosysteem had.

De MSA is een internationaal meetinstrument, dat middels het PBL-model GLOBIO wordt gebruikt bij onder andere de ‘Global Biodiversity Outlook’ van de Conventie inzake Biologische Diversiteit (CBD) en de ‘Environmental Outlook’ van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Aan de hand van veranderend landgebruik (dus geen grote wateren) wordt in het model het verlies berekend van natuurareaal door landbouw en verstedelijking en kwaliteitsverlies door klimaatverandering, verzuring, vermesting en versnippering. De indicator wordt met name gebruikt voor het beschrijven van veranderingen over langere perioden en het vergelijken van grote gebieden onderling.

De indicator wordt niet gebruikt om het beleid voor de Nederlandse natuur te evalueren. Daarvoor worden de doelen in de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Rode Lijst indicator gebruikt.

Daarnaast is een uit onafhankelijke leden bestaande Begeleidingscommissie van het PBL verantwoordelijk voor toezicht op de wetenschappelijke kwaliteit en de maatschappelijke relevantie van het werk van het planbureau.

Deze onafhankelijkheid van het PBL is geregeld in de ‘Aanwijzingen voor de Planbureaus’ (Staatscourant 2012, 3200).

3

Bent u het eens met de stelling dat de grafiek zoals weergegeven op de website van het PBL onder het kopje ‘Feiten en cijfers' een vertekend beeld geeft van de biodiversiteit van Nederland, omdat de titel ‘Biodiversiteit - Nederland, Europa en mondiaal’ suggereert dat uniform wordt gekeken naar het voorkomen van dier- en plantensoorten terwijl dat niet zo is? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet? [2]

4

Deelt u de mening dat het beter zou zijn als het PBL bij hun grafieken op hoofdlijnen aangeeft op welke wijze de grafiek tot stand is gekomen, zoals het zwaarder meewegen van bepaalde soorten die op de Rode Lijst staan? Deelt u de mening dat de weergave van meerdere grafieken, waarbij bijvoorbeeld alle soorten, ook diersoorten in het water bijvoorbeeld, meegenomen worden, een toevoeging zou zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u hier bij het PBL op aandringen?

Antwoord op 3 en 4

Een technische toelichting over de totstandkoming voor alle indicatoren staat in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.

5

Bent u in uw streven naar een robuuster natuurbeleid ook bereid om te gaan werken met een dynamischer natuurperspectief in plaats van de focus op het ‘herstellen’ van natuur? Want kunt u aangeven of het ecologisch mogelijk is om met natuurbeleid terug te gaan naar ‘vroeger’?

Antwoord

In de Rijksnatuurvisie (Kamerstuk 33576, nr. 14) is benadrukt dat nog meer ruimte voor natuurlijke processen, en dus een natuurlijke dynamiek, goed zou zijn voor natuur. Voor welke benadering in een specifiek gebied gekozen wordt hangt uiteindelijk af van een kundige beoordeling van het betreffende gebied, in combinatie met een maatschappelijke afweging van de kansen en risico's.

Wanneer gesproken wordt van natuurherstel wordt gedoeld op het creëren van (dynamische) condities die het mogelijk maken dat soorten zich (beter) kunnen ontwikkelen. De inschatting van deze condities wordt gebaseerd op - deels historische - kennis over de ecologische mogelijkheden in een gebied en over vergelijkbare en zoveel mogelijk ongestoorde ecosystemen.

6

Kunt u het biodiversiteitrendement van natuurontwikkeling in termen van soortenrijkdom en populaties per uitgegeven euro weergeven? Zo nee, hoe worden dan de resultaten van investeringen in natuur gemeten?

Antwoord

Ik benut de Balans van de Leefomgeving, de evaluaties in het kader van het Natuurpact en de rapportages in het kader van EU en mondiale afspraken, respectievelijk de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Conventie inzake Biologische Diversiteit (CBD), om te beoordelen of het beleid en de bijbehorende financiële middelen de resultaten oplevert die het beoogt. Zoals ook geconcludeerd wordt in mijn brief van 24 december jl. over de beleidsdoorlichting van beleidsartikel 18 Natuur en regio (Kamerstuk 30991, nr. 29) is met die beleidswijzigingen een koers ingeslagen die de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid vergroot.

(w.g.)               Martijn van Dam

Staatssecretaris van Economische Zaken


[1] ‘Planbureau manipuleert Nederlandse natuurstatistieken’, Volkskrant, 26 november 2015.

 

[2] Infographic ‘Biodiversiteit - Nederland, Europa en mondiaal’, Planbureau voor de Leefomgeving, 17 mei 2015 (http://www.pbl.nl/onderwerpen/natuur-landschap-en-biodiversiteit/feiten-en-cijfers/infographics/biodiversiteit-nederland-europa-en-mondiaal).

 

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.