Zoeken

Haren

Naar CDA.nl

16/09/2011Standpunt René R. Valkema (CDA), lid van de voorbereidingscommissie Haderaplein.

Categorie: Haren

De voorbereidingscommissie[1] heeft als belangrijkste taak om, zoals de motie zegt, te komen met een definitief voorstel om op basis van moverende redenen een raadsonderzoek uit te voeren (of juist niet) en daarbij de eventuele onderzoeksvragen te formuleren. Ik ben volstrekt blanco in de commissie gestapt. Ik was en ben van mening dat deze commissie op professionele basis, los van emotie of politiek, tot een gemotiveerd oordeel moet kunnen komen in een aan de raad aan te bieden definitief voorstel. Dat de commissie daarin niet slaagt beschouw ik als een afgang.  

Ik kan mij niet vinden in het eindverslag van de commissie. Ik wil mij middels dit schrijven volledig distantiëren van de werkwijze, de inhoud en de uitkomsten. Wat ik hierna zal toelichten. 

De commissie heeft criteria opgesteld op basis waarvan de door haar opgestelde onderzoeksvragen moeten worden beoordeeld. Ik heb kritiek op de werkwijze, omdat confrontatie van onderzoeksvragen en criteria nooit inhoudelijke met elkaar is besproken. Er zijn nooit conclusies getrokken. Op basis van die confrontatie kom ik wel tot de conclusie dat een nog in te stellen raadsonderzoek het enige antwoord kan zijn.

De commissie schrijft zelf in haar eindverslag dat de ‘controle-instrumenten die gemeenteraad ter beschikking staan geen bijdrage kunnen leveren aan het beantwoorden van de centrale vraag’.

Ook de overige afwegingen spreken meer in het kiezen voor een raadsonderzoek dan tegen een raadsonderzoek. Daaruit trek ik de conclusie: een raadsonderzoek kan dat antwoord geven. 

We hebben als commissie een scope vastgesteld. Van besluitvorming Haderaplein tot het boventafel komen van de gewraakte brief. We zagen dit als ‘oorzaak-gevolg’. Waarbij de brief van 10 februari 2010 het gevolg was van het eerder genomen besluit in juni 2009. Dan moet je daarna ook bereid zijn de achterliggende dossiers in je onderzoek te betrekken. Dat nu heeft de commissie ondanks mijn verzoeken steeds geweigerd. De laatste versie van het eindverslag vind ik daarom geen goede weergave van de gevoerde discussie in de commissie. Daarmee verglijd de scope naar het slechts willen kijken naar de brief van 10 februari 2010. Wie het eindverslag leest, kan zien dat onderwerpen buiten het vooronderzoek zijn gehouden. In de motie van 21 oktober 2010 waarin de gemeenteraad het voornemen uitspreekt om te komen tot een raadsonderzoek wordt juist het aspect van besluitvorming belangrijk gevonden. 

Uit de achterliggende stukken blijkt dat de raming in juni 2009 ‘te hoog is en te hoog was’. De vraag is legitiem of deze constatering in juni 2009 bekend was of kon zijn bij college of wethouder. Ik beschik over informatie dat dit wel degelijk het geval is! Deze informatie kan pas worden omgezet in feiten wanneer de commissie bereid is tot verificatie over te gaan door mensen te horen. Mijn verzoeken in de commissie om mensen te horen of aanvullend dossier onderzoek te doen  werden door dezelfde meerderheid van de hand gewezen. Alleen al het feit dat de commissie niet bereid is nader onderzoek te doen naar feiten rondom de besluitvorming en de informatieverstrekking daarover betekent feitelijk het negeren van de motie in de raad. Naar mijn overtuiging niet te verdedigen en niet te verantwoorden. Ik heb nu teveel gezien. Daarom zie ik een raadsonderzoek als de enige weg voor herstel van het vertrouwen.  

Wie de verslagen van het college van B&W en de verslagen van de stuurgroep naast elkaar legt komt op basis van hetgeen er geschreven staat tot de conclusie dat er niet sprake is van een bestuurlijk verankerd proces. Er worden opdrachten gegeven door werkgroepen zonder dat er sprake is van een verankering in stuurgroep en/of college. Dat roept vragen op, die we nu niet kunnen beantwoorden. Het horen van betrokkenen had meer duidelijkheid kunnen geven. 

Het eindverslag is meer gebaseerd op opinies van de individuele leden. Daarmee is er subjectiviteit in het proces geslopen. Een professioneel onderzoek dat gebaseerd is op een volledige scope, het volledig willen beoordelen van achterliggende stukken, de bereidheid betrokkenen te willen horen zou naar mijn overtuiging hebben geleid tot een voorstel een raadsonderzoek in te stellen.  

De meerderheid van de commissie gebruikt in haar eindconclusies argumenten tegen een raadsonderzoek die niet rechtstreeks uit het onderzoek voortvloeien. Deze argumenten zijn daarom niet relevant. Deze argumenten vormen wel het dunne cement waarop de eindconclusie van de commissie is gebaseerd. Ik heb meerdere malen geprobeerd de commissie te overtuigen dat zij meer moet doen om tot een gemotiveerde keuze te komen. Het mocht niet baten.  

Alles overziende, zijn er voldoende reden om een raadsonderzoek te willen. De commissie kiest in meerderheid een andere lijn. Ik kan en wil daarvoor niet verantwoordelijk zijn.  

Hoogachtend,

René R. Valkema MBA



[1] Hierna te noemen commissie

Trefwoorden

Naar overzicht

Terug naar boven

Copyright © 2014 CDA