19 december 2017

Beantwoording technische vragen artikel 2:73a APV

MEMO
 
 
Aan: de fractie van het CDA Zuidhorn
 
CC:      
 
Van: burgemeester en wethouders
 
Datum: 1 december 2017
 
Betreft: technische vragen artikel 2:73a APV
 
 
 
Op 30 november 2017 heeft de heer M. Boog namens de fractie van het CDA enkele vragen gesteld over de amendementen aangaande artikel 2:73a van de Algemene Plaatselijke Verordening over carbid. Hieronder staan de inleiding en de vragen van het CDA. De antwoorden op de vragen zijn cursief weergegeven.
 
Inleiding Op 20 november 2017 heeft uw college reactie gegeven op de amendementen APV raadsvergadering d.d. 13 november 2017. Met betrekking op amendementen 2 en 3 – Carbid hebben wij een aantal vragen.   De fracties van de VVD en Groen Links stellen voor om in artikel 2D73a, lid 2 sub c het woord "dier" toe te voegen waardoor de zin als volgt wordt: "er mogen geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaar kan optreden voor mens, dier en/of milieu."
 
Vragen: 1. Is er een acute noodzaak om de dieren beter te beschermen tegen de gevolgen van carbidschieten? Er is naar de mening van het college geen acute noodzaak om de dieren beter te beschermen tegen de gevolgen van carbidschieten. Het college heeft de afgelopen jaren vanaf één adres een aantal carbidgerelateerde klachten ontvangen waarbij een dier was betrokken.
 
2. Wanneer is er sprake van een ‘redelijkerwijs vermoeden’ dat er gevaar kan optreden voor een dier (naast mens en/of milieu)? Formeel kan worden gezegd dat er sprake is van “redelijkerwijs vermoeden” als er objectief waarneembare feiten en omstandigheden zijn waaruit een gevaar blijkt. In de praktijk hangt dit echter af van de omstandigheden van een specifiek geval. Er moet altijd worden gekeken naar de context van een situatie.
 
3. Hoe gaat de gemeente handhaven bij een 'redelijkerwijs vermoeden' tijdens het carbidschieten? Als er op grond van objectief waarneembare feiten en omstandigheden geconstateerd wordt dat er sprake is van (een redelijk vermoeden van) gevaar kan de politie ter plaatse bepalen óf en zo ja hoe er handhavend wordt opgetreden. 
 
-  - 2
4. Stel, iemand heeft problemen met carbidschieten en zorgt ervoor dat een dier in de nabijheid van een carbidplaats komt. Vervolgens doet degene een handhavingsverzoek. Hoe gaat de gemeente hiermee om? Wat zijn dan de gevolgen voor de carbidschieters? Het college is, in dit hypothetische geval, van mening dat de eigenaar van een dier het dier dan willens en wetens in een situatie brengt waarvan aangenomen kan worden dat die schadelijk is voor het welzijn van het dier. Dit kan de carbidschieters redelijkerwijs niet worden aangerekend.  Verder heeft de eigenaar van een dier een zorgplicht ten aanzien van het dier: de eigenaar dient daarbij het welzijn van een dier niet van derden af te laten hangen en, indien nodig, zelf maatregelen te nemen teneinde het welzijn van een dier te waarborgen.
 
Verder schrijft u dat het aantal klachten miniem is. 5. Over hoeveel klachten hebben we het specifiek, waar gingen deze klachten over en waar komen deze klachten vandaan? Er is in de afgelopen jaren een aantal keren een klacht binnengekomen over carbidschieten waarbij een dier was betrokken. Deze klachten waren afkomstig van één adres.
 
6. Kunt u bewijzen dat door indiener van de klacht, de betrokkenen en de gemeente een uiterste inspanning is gedaan om deze klachten op te lossen? Het college heeft geen tot weinig zicht op de inspanningen die door de indiener van de klacht zijn verricht om de klacht op te lossen. De gemeente heeft gesproken met alle betrokkenen waarna door de “carbidschieters” een “verklaring omtrent het schieten met carbid” is ondertekend. In deze verklaring zijn bepalingen opgenomen over het in acht nemen van een bepaalde afstand van aanwezige dierenverblijven. Deze afstand komt overeen met de door klager gevraagde afstand t.o.v. de dierenverblijven. Hieraan hebben zij zich, voor zover wij dit na kunnen gaan, gehouden. 
 
7. Wat is volgens u de relatie tussen deze klachten en de ‘carbid-discussie’ die al jaren in onze raad wordt gevoerd? De eerste klachten, afkomstig vanaf één en hetzelfde adres, over carbidschieten waarbij een dier is betrokken, zijn door ons ontvangen in 2013 en 2014. Mogelijk dat mede naar aanleiding van deze klachten het onderwerp regelmatig aan de orde komt in de raad. 
 
U schrijft ‘daar waar mogelijk maatwerk toegepast’. 8. Kunt u dit toelichten? Mogen wij hier de documentatie van ontvangen? In het geval van bovengenoemde klacht heeft de gemeente gesproken met de betrokkenen waarbij door middel van mediation – waar klager geen gebruik van wenste te maken –is geprobeerd tot een voor alle partijen gedragen oplossing te komen. Deze maatwerkoplossing is destijds gevonden door het ondertekenen van genoemde verklaring.
 
 
Tot slot, mogen wij alle documentatie ontvangen rondom bovengenoemde klachten en de behandeling van de ‘carbid-discussie’ zowel in het college en de raad? Bijvoorbeeld moties, collegeadviezen, memo’s, verslagen, correspondentie etc.
 
In verband met privacyregelgeving ligt het ter zake doende collegeadvies over dit onderwerp, de ondertekende verklaring en de hierop betrekking hebbende correspondentie ter inzage bij de secretaris. Tevens treft u daar de in het verleden ingediende moties aan.

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.