Even voorstellen

Even voorstellen. Ik ben Hugo de Jonge, getrouwd met Mireille, trotse vader van Ismael (15) en Sarah (12). In 1977 ben ik geboren in Bruinisse, mijn vader was dominee en mijn moeder verpleegkundige. In Zeeland heb ik het grootste deel van mijn jeugd gewoond. Toen ik de PABO ging doen ben ik in Rotterdam gaan wonen, om er nooit meer weg te gaan. Ik ben begonnen voor de klas, op Zuid. Op een school waar alles gebeurt, in een stad waar alles gebeurt. Als leraar kun je voor deze kinderen het verschil maken. Een zetje geven in de goede richting. Die verantwoordelijkheid voel je als leraar elke dag.

In 2010 werd ik hier wethouder. Een nieuwe kans om het verschil te maken in het leven van de mensen in deze stad. Voor ouderen die eenzaam zijn, voor kinderen die opgroeien. Rotterdam heeft de problemen van een grote stad. Maar ook de energie en het ondernemerschap. Het geloof in nieuwe kansen, in hard werken, geen woorden maar daden. Die ervaringen nam ik mee toen ik minister van Volksgezondheid werd. Al deze ervaringen hebben mij nu op het punt gebracht dat ik mij met volle overtuiging kandidaat stel voor het partijleiderschap van onze prachtige partij. Om de mouwen op te stropen en samen met u voor het realiseren van onze idealen te gaan, doet u mee?

Aan tafel met

Uw gegevens

* Verplicht veld

Nieuws

Waarom lijsttrekker?

We maken als Nederland een ongekende tijd door. Het coronavirus heeft ons land in de greep. Onze economie is hard geraakt en voor onze gezondheid hebben we veel moeten laten. Maar het virus heeft ook het fundament van onze samenleving blootgelegd. De belangrijkste waarde die in deze crisis overeind is gebleven is de ‘zorg voor elkaar’. Het besef dat we elkaar altijd nodig hebben om problemen het hoofd te bieden. 

De komende jaren staat Nederland voor de opdracht om met elkaar, als een samenleving, deze crisis te boven te komen. We hebben een nieuw verhaal nodig om die verandering vorm te geven. Tegen de polarisatie in, tegen het cynisme, tegen het doorgeschoten individualisme. Een verhaal van samenwerking tegenover confrontatie. Van wederkerigheid tegenover ikke, ikke, ikke. En van verantwoordelijkheid tegenover vrijblijvendheid. 

Het CDA is een brede volkspartij, een partij van het midden. Niet uit verlegenheid, maar uit overtuiging. In het midden worden kloven overbrugd, oplossingen gevonden, mensen samengebracht. Juist in moeilijke tijden heeft het CDA altijd verantwoordelijkheid genomen. In die traditie wil ik staan. Samen met al het talent dat onze partij rijk is wil ik onze partij leiden, als 1 #team CDA.

De komende jaren staan we als Nederland voor de opdracht om met elkaar deze crisis te boven te komen. Juist in moeilijke tijden heeft het CDA altijd verantwoordelijkheid genomen. In die traditie wil ik staan. Daarom stel ik mij kandidaat als CDA-lijsttrekker.

Steunen?

Mail jouw filmpje naar:

Voeg dit kader toe aan jouw Facebook profielfoto:

Speeches Hugo de Jonge

Preek van de Leek in de Kloosterkerk op 24 november 2019

Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,

de maan en de sterren, door u daar bevestigd,

wat is de sterveling, dat u naar hem omziet,

het mensenkind, dat u aan hem denkt?

Een mooi beeld, van de psalmist. Omdat het zo herkenbaar is. ‘s Zomers in de bergen, als je over het randje naar beneden in een gapende, peilloze diepte kijkt - of juist omhoog - en je ziet die machtige onbedwingbare bergtoppen voor je. Of als je op een plek bent waar het ‘s nachts nog echt donker is en je ziet ontelbaar veel sterren als glimmende zandkorrels in de verte op een donker doek geplakt. Wat kun je dan klein en nietig voelen.

Klein en nietig. Voelen we ons niet best vaak ‘klein en nietig’? Als we onzeker zijn over de toekomst. Als we voor ingewikkelde keuzes staan. Als we voor een taak staan die we nauwelijks aan denken te kunnen. Ik heb het bij eigenlijk iedere nieuwe baan die ik kreeg. Toen ik begon voor de klas, dacht ik: maar wat nou als ik het niet goed doe, dan houden die kinderen daar hun leven lang last van. Toen ik als medewerker begon in de Tweede Kamer, dacht ik: maar wat nou als ik het niet goed doe, de wetten die we hier maken daar heeft heel Nederland straks last van. En ja, ook toen ik wethouder werd en minister werd heb ik als een berg opgezien tegen de verantwoordelijkheid.

“Wat is de sterveling dat u naar hem omziet, het mensenkind, dat u aan hem denkt?”

De kleinheid en nietigheid van ons mensen kan ook op een andere manier hard op ons af komen.

Als we naar de beelden van de ontbossing en bosbranden in de Amazone kijken. De beelden van de hongersnoden in Jemen, Zimbabwe, en nog eens 29 landen. En we voelen ons allemaal klein en nietig bij het zien van de journaalbeelden uit Noord-Oost Syrie. Het onvoorstelbare leed van vrouwen en kinderen – onschuldige slachtoffers van destructieve krachten, machtswellust en geopolitieke driften. En niemand die de stopknop in handen lijkt te hebben, of de routekaart met de weg terug. De weg terug naar de overlegtafel. De weg terug naar vrede, recht en veiligheid.

Maar ook dichter bij huis zien we die kleinheid en nietigheid. Ook ook op onze eigen vierkante kilometer zien we het menselijk tekort. Het wijdverbreid racisme en discriminatie - zo zichtbaar pas in het stadion in Den Bosch - maar zichtbaar eigenlijk overal. Het kennelijk onvermogen om de pijn en het verdriet in te voelen, mee te voelen wat het betekent om afgewezen en buitengesloten te worden om je afkomst, je geloof of je huidskleur. Zó fout.

Soms worden we bepaald bij onze nietigheid tegenover het lot. De onmacht die je voelt bij ziekte van iemand van wie je houdt. Gewoon niet weten wat te zeggen wanneer mensen om je heen de naderende dood onder ogen moeten zien.

En dan is er nog de kleinheid in onszelf. Die keren dat we er niet in slagen de vrede in huis te bewaren. Die keren dat we niet over onze eigen kleinheid heen kunnen stappen en de ander het licht niet in de ogen gunnen.

Als we voor de spiegel staan, en het leven - ons eigen leven recht in het gezicht kijken, als we ‘s avonds voor het slapen gaan de dag overdenken, kunnen we maar tot één conclusie komen. Het menselijk tekort is overal. In onszelf, in anderen, je zou er somber van worden.

Maar dan gaat de psalmist verder.

U hebt hem bijna een god gemaakt,

hem gekroond met glans en glorie,

hem toevertrouwd het werk van uw handen,

en alles aan zijn voeten gelegd.

Bíjna een god. Die het werk van Gods handen toevertrouwd krijgt. Wát een contrast.

Waarom zou God dat doen? Zijn werk toevertrouwen aan die kleine en nietige mens die geneigd is tot zoveel narigheid? En hoe komt de psalmist er eigenlijk bij? ‘Bijna een god’? Wat is dan dat ‘goddelijke’ aan ons mensen?

Het antwoord staat in het scheppingsverhaal, in genesis 1: ‘God zei: laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken’ En: ‘God schiep de mens als Zijn evenbeeld.’

Daarom dus. Omdat we als mens naar Gods beeld geschapen zijn. Daarom wordt ons het werk van Zijn handen toevertrouwd.

Maar waaruit blijkt dat dan - dat we naar Zijn beeld zijn geschapen? En wat is dan dat goddelijke aan ons? Welke menselijke eigenschap weerspiegelt dan iets van het goddelijke?

Zou het ons vermogen zijn om er te zijn voor anderen die op ons rekenen? Ons vermogen om ons het lot van de ander aan te trekken en te helpen het ten goede te keren? Ons vermogen tot barmhartigheid? Zeker - het zijn allemaal eigenschappen in de menselijke natuur die iets weerspiegelen van de natuur van onze Schepper.

Ik denk dat dat ‘bijna goddelijke’ ook wijst naar het menselijk vermogen om dingen tot stand te brengen, te maken, te bouwen. Het scheppingsverhaal gaat namelijk verder. God schept de mens naar Zijn beeld, en geeft hem een opdracht. De mens wordt aangesteld over de aarde. Hij krijgt de opdracht die te beheren en te onderhouden. God schept de mens om zorg te dragen voor Zijn schepping.

En ondanks al onze gebreken is het echt indrukwekkend waar mensen toe in staat zijn. Kijk alleen al naar de gezondheidszorg.

Toen mijn oma, Leentje Schoonderwoerd, in 1919 werd geboren, was die gezondheidszorg voor gewone mensen nog nauwelijks voor handen.

Het ziekenhuis was lang een plek waar je je vooral verre van moest houden, want je werd er vaker dood dan levend naar buiten gedragen.

Voor mensen die net als mijn oma in 1919 werden geboren, was de gemiddelde levensverwachting 66 jaar. Nu is dat voor vrouwen 83 en voor mannen 80 jaar. Mijn oma geeft dat percentage overigens nog wel een zetje: ze is onlangs 100 geworden.

En in die honderd jaar heeft ze gezien hoe de zorg beter en beter werd. Hoe steeds minder kinderen stierven, bijvoorbeeld omdat we vaccins ontwikkelden tegen al die infectieziektes die we vroeger nog eufemistisch ‘kinderziekten’ noemden. En ook andere ziektes die vroeger een doodsvonnis waren, zijn nu vaak chronische ziekten. Mijn collega minister Bruno Bruins, lid van deze gemeente, vertelde laatst over zijn vader die als kind de diagnose diabetes kreeg, hij was toen 15. Oud zou hij er niet mee worden, was destijds de verwachting, dus de dokter adviseerde hem vooral van het leven te genieten. En genoten heeft hij, een heel lang leven lang. Want de medische wetenschap en de kwaliteit van de zorg ontwikkelde zich sneller dan de ziekte van meneer Bruins. Diabetes werd steeds beter behandelbaar, dood hoef je er al lang niet meer aan te gaan. En wat voor diabetes geldt, geldt voor heel veel meer ziekten.

Het is echt fascinerend wat mensen in de zorg tot stand weten te brengen.

Mijn broer Marien houdt zich - als hoofd van sectie kinderinfectieziekten van het Radboud - bezig met de bestrijding van infectieziekten. Meningitis, pneumokokken, longontstekingen. Als we bellen en ik hem naar zijn werk vraag, begrijp ik eigenlijk maar heel weinig van de dingen die hij vertelt. En dat is al jaren zo. Ik ga daar niet echt onder gebukt en hij volgens mij ook niet. Ik geniet gewoon van zijn verhalen. Over verbetering van de diagnostiek, over de ontwikkeling van vaccins. Die eindeloze creativiteit, telkens weer op zoek naar een nieuwe weg om een infectieziekte tot stoppen te dwingen. Dat doorzettingsvermogen om door te gaan en opnieuw te beginnen als de gekozen weg blijkt dood te lopen. En de gedrevenheid om tot een resultaat te komen dat echt het verschil maakt in het leven van kinderen.

Ik ben daar keer op keer zo van onder de indruk.

Maar niet alleen in de zorg zien we dit soort scheppingskracht, we zien haar overal.

We zien haar als schijnbaar onmogelijke dingen werkelijkheid worden. De eerste telefoon, de eerste vliegtuigen, de eerste mensen op de maan.

Maar ook in grote maatschappelijke en politieke ontwikkelingen.

Als ongelijkheid en onrecht overwonnen worden, zoals in de beweging waar Martin Luther King woorden aan gaf.

We zien het als na jaren van oorlog een vredesakkoord wordt bereikt. Het  het verdrag van Dayton in ’95 waarmee een einde kwam aan de oorlog op de Balkan, het Goede Vrijdagakkoord in ’98 in Noord-Ierland, of het vredesakkoord vorig jaar tussen Ethiopie en Eritrea.

In ons eigen land, waar we nu al 75 jaar vrede en vrijheid genieten.

U hebt hem bijna een god gemaakt,

hem gekroond met glans en glorie,

hem toevertrouwd het werk van uw handen,

en alles aan zijn voeten gelegd.

Bijna een god. Die het werk van Gods handen toevertrouwd krijgt. ‘Gekroond met glans en glorie’.

‘Geboren worden is een opdracht’ luidt een bekend gezegde, ik meen van Joodse origine. Een opdracht van God, ’...die niet laat varen het werk van Zijn handen’, klinkt het iedere zondag. Juist omdat we naar Zijn beeld geschapen zijn, het ‘werk van zijn handen’ toevertrouwd hebben gekregen, houdt geboren worden de opdracht in om ‘het werk van Zijn handen’ niet te laten varen. God doet een beroep op ons. Het is onze scheppingsopdracht er te zijn voor anderen die op ons rekenen, ons het lot van de ander aan te trekken en te helpen het ten goede te keren, dingen tot stand te brengen, te maken, te bouwen.

Geboren worden is een opdracht. Ik vind het ontzettend mooi om dat zo te zien. Maar, die scheppingsopdracht heeft ook zoiets groots, zoiets onmetelijks in zich, dat het misschien verlammen kan.

Dat, omdat we weten dat we dat we tot grote dingen in staat zijn, we denken ook alleen met grootse prestaties aan onze scheppingsopdracht te kunnen voldoen.

Maar ik denk dat het eenvoudiger is dan dat.

Want of het nou gaat om het klimaat, om vrede, of om het uitbannen van sociaal onrecht, het begint allemaal bij wat we zélf doen. We kunnen ieder op onze eigen plek in alle eenvoud en bescheidenheid het verschil maken.

Het begint bij wat we zelf doen om het leven van een ander een beetje beter te maken.

U hebt hem bijna een god gemaakt,

hem gekroond met glans en glorie,

hem toevertrouwd het werk van uw handen,

en alles aan zijn voeten gelegd.

Kijk bijvoorbeeld naar dat grote vraagstuk van eenzaamheid in onze samenleving.

Meer dan de helft van onze ouderen voelt zich eenzaam.

Dat probleem is zo groot, dat het nauwelijks te overzien is hoe we dat moeten aanpakken.

Want dé eenzaamheid oplossen, dát kan niemand. Maar iemands eenzaamheid verlichten of doorbreken, dat kunnen we allemaal. Gewoon door iemand in het portiek eens aan te spreken, eens aan te bellen bij dat huis waar de gordijnen de laatste tijd dicht blijven.

En eigenlijk geldt dat voor de meeste grote vraagstukken.

De polarisatie in de samenleving doen luwen, dát kan niemand. Maar de eerste stap zetten, met elkaar in gesprek gaan en eens echt willen horen wat iemand bedoelt te zeggen, dat kan iedereen.

Wat dacht u van alle vrijwilligers die ons land rijk is? Bijna de helft van alle Nederlanders is vrijwilliger. Hoe fantastisch is dat! Zorginstellingen, sportclubs, scholen, verenigingen - we leunen met ons volle gewicht op wat vrijwilligers iedere dag doen. U moet het natuurlijk niet verder vertellen, maar als politiek Den Haag een weekje de deuren zou sluiten, dan zou u dat nauwelijks merken. Maar als onze vrijwilligers er ook maar één dag mee zouden stoppen, zou alles zou zo’n beetje stil komen te staan.

U hebt hem bijna een god gemaakt,

hem gekroond met glans en glorie.

Om het verschil in het leven van anderen te maken hoef je geen medisch microbioloog, klimaatgeleerde of mensenrechtenactivist te zijn (al is het natuurlijk wel fantastisch dat we ze hebben).

Het mooie is dat iedereen ‘naar Zijn beeld’ is geschapen en dus die scheppingskracht in zich heeft.

Dat zag ik misschien voor het eerst toen ik het ouderlijk nest had verlaten en ‘Op Zuid’ was neergestreken in de Millinxbuurt in Rotterdam.

Mijn vader had mijn eerste kamer voor me gevonden, hij was er ‘s ochtends op zijn brommertje langsgereden toen hij bij iemand van onze gemeente op bezoek was geweest in het Ikazia-ziekenhuis.

‘Moet je doen, Huug!’ Om de een of andere reden vonden ze het kennelijk nogal nodig dat ik op mezelf ging wonen.

En wist hij veel dat die straat - die best te doen leek als de mensen nog op hun nest lagen - ’s nachts in een soort Sodom en Gomorra veranderde.

Armoede, geweld, drugs, het had allemaal een plekje in de wijk.

De Millinxbuurt was destijds een plek waar je je kinderen liever niet zou zien opgroeien.

Maar ze groeiden er wel op.

En midden in die buurt stond een school, basisschool De Akker.

Een goed gekozen naam. Er werd wat af gezaaid.

Ik ging er stagelopen en kreeg er mijn eerste baan.

En het was daar en toen dat ik verliefd werd op de stad Rotterdam, op de veerkracht van al die kinderen die ‘s ochtends de school in huppelden en op de prachtige taak die je als leraar kunt hebben.

Want school was soms de enige plek waar deze kinderen orde, rust en regelmaat vonden.

Veel van de kinderen bij ons op school kregen van huis uit veel te veel volwassen problemen mee, waarvan je hoopt dat ze kinderen bespaard blijven. Huiselijk geweld, armoede, achterstand.

En juist van veel van de dingen waarvan je hoopt dat kinderen ze wel meekrijgen - aandacht, richting, grenzen, liefde - kregen sommige kinderen veel te weinig.

En daarom was die school zo’n belangrijke plek. Een veilige haven, met de juf of meester als baken.

Voor mij was die ervaring een grote levensles.

Want al wil je nog zo graag, je kunt daar niet élk kind álle ellende besparen, maar je kunt wel elk kind laten merken dat je hem ziet, er voor hem bent en het er niet bij laat zitten.

De onderwijsachterstanden kun je daar niet in je eentje oplossen, maar de kinderen in je klas kun je wel net dat zetje geven dat nodig is.

En de buurt kun je vanuit het onderwijs niet veranderen, maar zorgen dat je school zoveel rust en veiligheid biedt als mogelijk is, dat kun je wel.

En echt waar, iedere keer dat ik in de supermarkt op m’n rug wordt getikt, en ik hoor ‘hey meester Hugo’, en er staat een beer van een vent achter me die me vertelt dat ie een baan heeft, een gezin, dat het goed met hem gaat, dan weet ik dat er heel veel mensen zijn die een steentje hebben verplaatst in de levensloop van zo’n jongen. Dat je je niet hoeft neer te leggen bij de dingen zoals ze zijn, maar dat we in staat zijn de dingen ten goede te keren.

Hoe klein en nietig je je ook voelt.

Je kunt daar iets tot stand brengen.

Duizenden mensen in het onderwijs, in de jeugdzorg, bij de politie laten dat iedere dag zien.

En dat geldt natuurlijk niet alleen daar.

Dat geldt op heel veel plekken.

We zien overal dat we onze kleinheid en nietigheid kunnen overwinnen met onze scheppingskracht.

Ik zie dat op scholen.

In de zorg.

En ik zie het ook in de politiek.

Natuurlijk, de politiek is bij uitstek de plaats waar verschillen mogen botsen, waar de strijd van ideeën moet plaatsvinden. Maar soms lijkt het wel of we harder bezig zijn om ons van elkaar te onderscheiden, dan dat we onze verschillen willen overbruggen.

Dat we ons zó richten op het zo goed mogelijk bedienen van de eigen achterban, dat het algemeen belang naar de achtergrond verdwijnt. Dat we de verschillen in de samenleving niet kleiner te maken, maar ze juist vergroten. Dat we polarisatie niet dempen, maar juist aanwakkeren. Het volume veel te hoog, de oplossingen veel te klein.

En toch - als we in staat zijn tot samenwerking over de grenzen van partijen en belangen heen, als we elkaar de kleur op de wangen gunnen en het licht in de ogen, als we beseffen dat niemand groter wordt door op een ander te gaan staan, dan zijn we in staat om echt van betekenis te zijn, om echt het verschil te maken. Niet voor onszelf of de partijen waar we bij horen, maar voor de mensen om wie het gaat.

Ook dat is die scheppingskracht. Als we in staat zijn over onze eigen kleine nietigheid heen te stappen, zijn we tot grootsheid in staat.

Hoe doen we dat dan? Hoe maken we die scheppingsopdracht waar? Laat ik die vraag op drie manieren beantwoorden.

Het begint bij het ontlopen van de val van het cynisme. Het cynisme dat mooie ideeën in de kiem smoort (‘dat kan helemaal niet, dat is al zo vaak geprobeerd, waarom zou het jou wel lukken’), het cynisme dat intenties verdacht maakt (‘dat doet ‘ie alleen maar om er zelf beter van te worden). Cynisme kan een allesverzengend gif zijn, dat mooie dingen kapot maakt. Maar we hoeven er niet in mee te gaan. We kunnen ons er tegen wapenen. We kunnen die val ontlopen.

En dan: leg je niet neer bij de dingen zoals ze zijn. Berust niet in ons onvermogen, berust niet in onze nietigheid. God wil onze bondgenoot zijn tégen het lot. ‘Some people see things as they are, and say ‘why’? I dream things that never were, and say ‘why not’?’ Een prachtige uitspraak, toegeschreven aan Robert Kennedy, de broer van president Kennedy en aan schrijver George Bernard Shaw.

En tot slot: iedereen heeft het in zich, iedereen is naar Zijn beeld geschapen. Onze kleinheid, onze nietigheid is voor niemand een excuus om het daar dan maar bij te laten. Hoe zou onze dag er uit zien als we onszelf iedere ochtend inprenten dat we ook die dag onze scheppingsopdracht hebben waar te maken? Om dingen tot stand te brengen, te bouwen, te maken? Die kans krijgen we iedere dag opnieuw. Iedere dag opnieuw kunnen we er voor kiezen een betere buur, een betere vriend, een betere partner, een beter mens te zijn.

Iedere dag opnieuw.

En daarmee maakt elk van ons het leven van een ander een beetje mooier.

Daarmee maakt elk van ons de samenleving een beetje sterker.

En daarmee maken we samen waar waartoe we zijn geroepen.

Amen.

Dag van de Christen Democratie op 24 november 2018 - Wat voor land wil jij doorgeven?

Een ‘dag van de christen-democratie’, om het 40-jarig bestaan te vieren van ons wetenschappelijk instituut. Wat een steengoed initiatief van onze Pieter Jan Dijkman!

“Wat voor land wil jij doorgeven?” Een mooie, uitnodigende vraag die ons bepaalt bij de opdracht van de politiek: het vormgeven van de samenleving van morgen. Een vraag ook die bescheiden maakt en oproept tot dadendrang tegelijkertijd. Bescheiden omdat het onderstreept dat we ons land slechts in bruikleen hebben van onze kinderen en kleinkinderen, en dat is een mooie manier van kijken. En tegelijkertijd: aan de slag dus, want morgen begint vandaag.

In 1996 kwam ik in Rotterdam wonen. Op Zuid. In de Millinxbuurt. Volgens mijn vader - die had me getipt - was het goed te betalen en ik begreep toen ik er eenmaal woonde al vrij snel waarom. Drugs, geweld, overlast, achterstanden, het had allemaal z’n plek in de wijk waar ik was komen wonen. De meeste wijkbewoners waren naar elders vertrokken, en degenen voor wie dat niet was weggelegd bleven boos en teleurgesteld achter, in een wijk die nauwelijks meer leefbaar was.

Ik kwam naar Rotterdam omdat ik er de PABO deed. In ’99 kreeg ik er m’n eerste baan, en m’n eerste eigen klas, groep 7 op basisschool De Akker in die Millinxbuurt. Ik zag daar hoe hard het leven voor kinderen kon zijn, hoe weinig sommige kinderen van huis uit meekregen - aan richting, aan grenzen, aan liefde. Wat ze juist te veel van huis meekregen, dat waren volwassen problemen, zorgen die geen kind van tien, elf jaar zou mogen hebben. Deze kinderen waren voor hun ontwikkeling zoveel meer dan waar ook afhankelijk van hun juf of meester. Maar met hard werken was en is het wel degelijk mogelijk om achterstanden in te lopen, om talent tot ontwikkeling te brengen. En juist daarom was het zo onvergetelijk mooi om juist in het leven van deze kinderen een rol van betekenis te mogen spelen.

Het was dezelfde tijd dat in de lerarenkamer bij mij op school al lang het gesprek gaande was over de falende integratie in Nederland. Het beleid toen was geformuleerd in keurige bezweringsformules die precies niet onder woorden brachten wat mensen van dichtbij zagen gebeuren. Als we nou maar zouden zorgen dat mensen een dak boven hun hoofd hebben, een opleiding en werk, zullen ze integreren en zich thuis voelen, werd vaak gezegd. Niet dus. Kort daarna was het Pim Fortuyn die de falende integratie op de politieke agenda zette. Wat je ook vond over de manier waarop hij dat deed: de zorgen van Rotterdammers en zoveel Nederlanders werden eindelijk gehoord en kregen een plek in de politiek.

Het zijn voor mij vormende jaren geweest, die eerste jaren in Rotterdam, wonend en werkend op Zuid. Ik leerde er vele lessen. Laat ik er twee noemen:

  • De eerste is dat je je nooit neer mag leggen bij de dingen omdat ze nu eenmaal zijn zoals ze zijn. Achterstanden zijn geen ‘voldongen feiten’, en mensen mag je nooit opgeven. We kúnnen - met hard werken - het verschil maken in het leven van de mensen die op ons rekenen.
  • En de tweede les is dat we als politiek de zorgen die er zijn serieus hebben te nemen. Het is onze plicht om het gesprek daarover te laten gaan, ook als die zorgen ons onwelgevallig zijn. De politiek is bij uitstek de plek om zorgen te verwoorden, om onvrede te kanaliseren. Politiek hoort naast mensen te staan.

Terug naar de vraag die vandaag centraal staat: ‘Wat voor land wil jij doorgeven?’

‘Geboren worden is een opdracht’ is een - meen ik - Joods gezegde. Ik vind dat prachtig. Je geboorte zien als een opdracht om waar te maken wat je in je hebt, om iets te doen met de talenten die je hebt gekregen, om zin te geven aan je bestaan. Een opdracht om de hoop waar te maken die mensen op je vestigen. Zoals we dat vaak binnen het CDA zeggen: iedereen heeft een taak. Dat geldt voor mij, voor u, voor ons allemaal - op welke plaats we ook ons werk doen.

Het land dat ik wil doorgeven is zo’n land. Een land waarin we elkaar daarop aanspreken: neem je verantwoordelijkheid, je hebt een taak, doe mee. Maak iets van je leven en beteken iets voor de mensen om je heen. En daar hoort óók bij dat we iedereen ook echt in staat stellen om mee te doen: mensen met en zonder beperking, jong en oud, autochtoon en allochtoon. Iedereen.

In het land dat ik wil doorgeven is die samenleving écht een SAMENleving. Laten we eerlijk zijn, zonder het te willen leven we steeds meer langs elkaar heen. Steeds meer groepen in de samenleving die elkaar nooit meer tegen komen: niet in hun wijk, niet op het werk of op school. Gescheiden werelden. Als we niet uitkijken fragmenteert onze samenleving, langs culturele scheidslijnen of langs de lijn van opleidingsniveaus, in allemaal subsamenlevinkjes, ieder z'n eigen ‘ons-soort-mensen’. Het overbruggen van die kloven is een van de belangrijkste opdrachten, zeker voor ons als CDA, als partij van de samenleving. In het land dat ik wil doorgeven – dat wij moeten willen doorgeven - hebben we samen te leven vanuit het besef dat we niet zonder elkaar kunnen, dat we niet zonder een gedeeld verhaal, een gedeelde cultuur, een gedeelde identiteit kunnen.

Het land dat we moeten willen doorgeven is ook een land dat laat zien wat solidariteit tussen generaties echt betekent. Niet ‘what’s in it for me’, maar ‘what’s in it for us all’. Een land waarin we oog hebben voor de problemen op langere termijn  - of het nu een onhoudbaar pensioenstelsel is of een onhoudbare milieuschuld - we mogen onze kinderen er niet mee opzadelen. Om het huiselijk te zeggen: we hebben onze eigen rommel op te ruimen. ‘Na ons de zondvloed’ is een houding die ons niet past. En dat vraagt om leiderschap, niet alleen van de politiek maar van iedereen die verantwoordelijkheid draagt. En - ik kan het niet ongenoemd laten - wat heeft de polder deze week een geweldige kans gemist om juist dat te laten zien, een geweldige kans om de pensioenen houdbaar en eerlijk te maken voor álle generaties.

Werk maken van het land dat we door willen geven. Dat is wat ons te doen staat. En het CDA heeft alles in huis om daarin leidend te zijn, juist nu.Maar dat betekent wel iets voor ons als denkers en doeners binnen het CDA . Ik wil een drietal punten markeren.

1. Het CDA moet de zorgen van mensen als haar opdracht zien

Een partij die samenleving voorop plaatst, die naast mensen staat, heeft ook naast de zorgen van mensen te staan. Heeft die zorgen als haar opdracht te zien. En de belangrijkste van die zorgen passen niet in een rekenmachine. De zorgen die in de ‘burgerperspectieven’ van het Sociaal Cultureel Planbureau steevast in de top 3 staan zijn de zorg, migratie en integratie, en ‘normen en waarden, de manier waarop we als samenleving met elkaar omgaan’. En dat zijn zorgen die we misschien zelf niet allemaal zo ervaren, maar waarvan we wel weten dat ze er zijn. Zorgen die vaak voortkomen uit onzekerheid, uit onveiligheid, uit onbehagen. Zorgen over de toekomst: is er straks voor mij nog wel de zorg die ik nodig heb en kunnen we die zorg nog wel betalen? Zorgen over de spankracht van de samenleving: houden ze daar in Den Haag als het gaat om migratie en integratie eigenlijk wel rekening met wat onze buurt nog aankan? Zorgen die ‘real’ zijn voor veel mensen, en dus ‘real in their consequences’. En geven we daar nu echt het goede antwoord op, of gebruiken ook wij nog te vaak bezweringsformules omdat we de ongemakkelijke werkelijkheid liever ontwijken? Juist als we het vertrouwen willen herwinnen van de mensen die dat aan het verliezen zijn, zullen we die zorgen moeten willen begrijpen, willen verwoorden. Maar daar mogen we het niet bij laten. Megafoon-politiek is niet onze stiel. Juist aan het CDA geldt de opdracht ook een antwoord op die zorgen te formuleren, er een hoopvol perspectief aan te verbinden.

2. Het CDA moet een ‘tegenover’ durven zijn van de geest van de tijd

We kunnen in onze mooie partij avond aan avond discussiëren over plannen voor de toekomst en moties voor morgen. Maar kunnen we, durven we ook te benoemen waar we tégen zijn, wat we niet willen? Durven we onszelf neer te zetten tegenover de geest van de tijd?

  • Tegenover het consumentisme en egoïsme van deze tijd van ‘ieder voor zich en de overheid voor ons allen’. Daartegenover heeft het CDA te plaatsen dat mensen geen klant zíjn van de overheid. Dat de samenleving wordt gedragen door de miljoenen Nederlanders die dag in dag uit vrijwilligerswerk doen, het ‘noaberschap’ voorleven - door de f-jes te trainen, even een boodschap te doen voor de buurman die slecht ter been is, te gaan wandelen met die mevrouw in het verpleeghuis.
  • Tegenover het cynisme en de onverschilligheid van deze tijd over onszelf, over de politiek. Daartegenover heeft het CDA de hoop en de overtuiging te plaatsen dat wel degelijk het verschil te maken is in het leven van mensen. Die enorme eenzaamheid in onze samenleving, daar hoeven we ons niet bij neer te leggen. Uitbuiting en mensenhandel op de wallen, dat is wel degelijk aan te pakken. Ondermijning is geen natuurverschijnsel, die ís te bestrijden. Die vreselijke spiraal van huiselijk geweld en kindermishandeling, die ís te doorbreken.
  • Tegenover de polarisatie van deze tijd. Het CDA hoort dé partij tegen de polarisatie te zijn, zei onze Piet Steenkamp al. Juist nu een aantal partijen van de polarisatie in de samenleving een politiek verdienmodel lijken te hebben gemaakt, heeft het CDA de opdracht de kloven in de samenleving te overbruggen.
  • Tegenover het neoliberale mensbeeld en het ongebreidelde geloof in de zegeningen van de markt. Kijk naar de mensen die vroeger pakjes rondbrachten in loondienst en datzelfde werk nu als gedwongen zelfstandige doen, zonder de zekerheden van pensioenopbouw of van loon als je ziek bent. Kijk naar de aanbestedingen in de zorg die partnerschap, samenwerking en continuïteit van zorg bemoeilijken. De markt - zonder sturing, zonder moraal, zonder gezond verstand - verdeelt de samenleving in winnaars en verliezers. Het CDA mag daar niet met de handen in de zakken naar staan te kijken.

Een tegenover durven zijn. Helder maken waar we tégen zijn. We hebben het karakterologisch misschien niet van nature in ons, redelijke mensen als we zijn. Maar nodig is het wel. Om vervolgens echt helder te kunnen maken waar we vóór zijn.

3. Het CDA hoort sterk te zijn in het midden

Het CDA hoort in het midden. Dat is geen keuze uit verlegenheid, geen keuze uit louter pragmatisme, maar een keuze uit overtuiging. In het midden worden verschillen beslecht, worden mensen samengebracht, strijd gepacificeerd. Het is zoals Sybrand zei op het laatste partijcongres: “Het CDA is sterk in het midden, dat was en is onze gezamenlijke opdracht. Want polarisatie en het uitvergroten van tegenstellingen past ons niet.”

Maar dat vraagt ook iets van onze stijl van politiek bedrijven. Hoewel politiek een mooi vak is, haalt het niet altijd het mooiste in ons naar boven. Als we uit het oog verliezen dat het onze belangrijkste taak is om kloven te overbruggen in plaats van te slaan. Als we het verschil niet máken, maar verschillen juist uitvergroten. Sommige partijen lijken het gedachtengoed in één woord samen te kunnen vatten: Schande! Of tégen! Het gedachtengoed van het CDA is rijker dan dat en vraagt om de ene én de andere kant te belichten. Juist zo doen we recht aan de werkelijkheid. Niet altijd makkelijk wellicht in een tijd waarin de toon steeds hoger lijkt te moeten, en de quotes steeds korter, schreeuweriger, grover en lomper. Ik zeg bewust: líjkt te moeten. Omdat ik er van overtuigd ben dat een grote meerderheid van de mensen in Nederland daar juist helemaal niet op zit te wachten. De stille meerderheid in Nederland verwacht iets anders: politici hebben een voorbeeldfunctie. Niemand wordt groter door op een ander te gaan staan. De Bijbelse notie ‘behandel een ander zoals je zelf behandeld wilt worden’ is ook in de politiek een gouden regel.

Tot slot

Je talenten waarmaken, omzien naar elkaar en de wereld een beetje mooier achterlaten. Dat is het appèl van het CDA, waarvoor ik gevallen ben.

En dat appèl is actueel en tijdloos tegelijkertijd.

Vandaag gaat een mooi avontuur van start. Op basis van al het moois dat de rijke traditie waarop onze partij steunt ons gebracht heeft, gaan we onder leiding van het WI verder bouwen aan een gedeeld verhaal. Een gedeeld verhaal dat zorgen serieus neemt, geborgenheid en zekerheid biedt, hoop en perspectief geeft. Een gemeenschappelijk huis, in de woorden van Pieter Jan Dijkman.

Ik ben heel benieuwd en heb zin om daar aan bij te mogen dragen.

Laat ik afsluiten met een wens - of eigenlijk is het een gebed - van een bekende Heilige (de favoriet ook van veel protestanten), Franciscus van Assisi:

“Moge God ons zegenen met genoeg dwaasheid om te geloven dat we een verschil kunnen maken in de wereld, zodat wij kunnen doen waarvan anderen zeggen dat het niet gedaan kan worden”.

Christelijk Sociaal Congres op 27 augustus 2019

Beste mensen,

Wat mooi om hier vandaag te zijn op het Christelijk Sociaal Congres.

Een belangrijk congres, dat staat in een rijke traditie, die al in 1891 begon.

De ‘sociale quaestie’ - dat was het thema van het eerste Christelijk Sociaal Congres -  waar de grote Abraham Kuyper een rede van zo’n 3,5 uur hield.

Ik dacht: ik waarschuw u maar even, ik ga mijn tijd nemen. ;-)

Kuyper sprak over de Sociale Kwestie aan het eind van de 19e eeuw.

Volgens Kuyper was toen het fundament van de samenleving in het geding. Het was volgens hem tijd om op te staan tegen de schrijnende armoede en uitbuiting die door de liberale orde tijdens de industriële revolutie was ontstaan.

Die industriële revolutie, die viel bijna niet bij te benen.

Sinds de uitvinding van de stoommachine waren fabrieken in razend tempo uit de grond gestampt.

Ze verdrongen de kleinschalige, ambachtelijke werkplaatsen.

En mensen trokken vanuit hun gemeenschap op het platteland naar de anonieme stad.

Op zoek naar werk, op zoek naar een beter leven.

En in die fabrieken maakten arbeiders – ook vaak kinderen - lange dagen en deden ze gevaarlijk werk, voor een schamel loon.

Die ongekende vooruitgang van de negentiende eeuw, was vooral voelbaar voor het handjevol mensen aan het roer van die grote fabrieken en mijnen.

Maar stond je wieg in een tochtige, overbevolkte kelderwoning, dan ging je een zwaar leven tegemoet.

Arbeiders hadden zelf maar weinig in handen om hun situatie te veranderen.

En het duurde lang voor er via wetgeving iets aan gedaan werd.

Een van de belangrijkste redenen waarom het lang duurde voordat de politiek zich het lot van arbeiders aantrok was het breed gedragen liberale dogma van ‘staatsonthouding’.

Fatsoenlijke woningen, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, een fatsoenlijke volksgezondheidszorg, het werd allemaal niet als een taak van de overheid gezien.

Ook in Kuypers eigen partij kon het liberale dogma van staatsonthouding op aanhang rekenen. Alleen heette het hier dan soevereiniteit in eigen kring. Maar Kuyper wilde zich daar niet bij neerleggen. Hij werd de ‘klokkenist van de kleine luyden’, tegen de stroom van de liberale tijdsgeest in.

Het aanpakken van wat Kuyper de Sociale Kwestie noemde, raakte in de tien jaar die volgden in een stroomversnelling.

De Wet op de leerplicht – toen nog tot twaalf jaar - haalde in 1900 de kinderen uit de fabriek, en zette ze in de klas.

De Woningwet in 1901 dwong de bouw van gezondere woningen af.

De eerste sociale verzekeringswet tegen bedrijfsongevallen in 1901 zorgde ervoor dat arbeiders niet langer volledig berooid achterbleven als ze op het werk een ongeluk kregen.

En kinderwetten zorgden ervoor dat kinderen beschermd werden als ze werden verwaarloosd.

Deze wetten legden de basis voor een verzorgingsstaat die in de 20ste eeuw stukje bij beetje werd uitgebreid.

Voor het eerst trad de overheid op als schild voor de zwakken, als hoeder tegen onrecht.   

We zijn inmiddels 140 jaar verder. Het lijken 140 lichtjaren.

In Nederland is er goed onderwijs voor iedereen.

De sociale verzekeringswetten zijn uitgebouwd tot een stevig vangnet voor mensen die het op eigen kracht niet redden. En van over de hele wereld komen mensen naar onze gezondheidszorg kijken, die in kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid voor de mensen zijn gelijke niet kent.

Het is echt zo. Als je zorg of hulp nodig hebt, kun je van alle landen in de wereld het best in Nederland wonen. Onze zegeningen tellen (en er over vértellen) - in die traditie zijn we grootgebracht - dat mogen we misschien best wat vaker doen.

Maar dat betekent niet dat er nu geen sociale kwesties meer zijn om ons druk over te maken. Dit zal zeker niet het laatste christelijk-sociaal congres zijn.

Er spelen tal van sociale kwesties tegen een achtergrond van een vergrijzende samenleving, een veranderend klimaat, een steeds sterker wordende globalisering en toenemende migratie. Grote vraagstukken, die om breed gedragen antwoorden vragen.

Want al was de wereld in de 19e eeuw radicaal anders, een paar paralellen zijn wel te trekken.

De industriële revolutie van de 19e eeuw betekende een radicale herinrichting van de samenleving. De productie in kleinschalige ambachtelijke werkplaatsen werd vervangen door de massaproductie in veel grotere fabrieken. De kleine zelfstandige trad in loondienst om zijn brood te verdienen. Kapitaal werd een grotere factor dan arbeid en daarmee een nieuwe scheidslijn tussen – wat nu heet – de haves en havenots.

In deze tijd beleven we een nieuwe revolutie: de digitale revolutie verandert onze wereld met de dag en ligt mede aan de basis van de versnelling van de globalisering van onze economie.

In de 19e eeuw konden mensen van god en alles verlaten zijn zonder dat iemand er een nacht van wakker lag en ook vandaag de dag voelt meer dan de helft van de ouderen zich eenzaam en gaan er dagen voorbij zonder dat ze iemand spreken.

In de 19e eeuw profiteerde de bovenlaag van de markt maximaal van de noeste arbeid van zoals ze dat toen noemden: ‘kleine luyden’. En ook nu verdient een CEO van een beursgenoteerde onderneming net zoveel als 150 van zijn werknemers bij elkaar. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt ontstaat opnieuw een kwetsbare groep van schijnzelfstandigen en flexwerkers, die onverzekerd en zonder vast contract hard moeten werken, omdat gewone banen met een vast contract voor hen onbereikbaar zijn geworden.

Een aantal zorgbedrijven kwam de afgelopen maanden in het nieuws vanwege het uitkeren van torenhoge dividenden, terwijl ze ondertussen verplegend personeel alleen nog maar op ZZP-basis laat werken. Dat wringt. Net als toen.

Want met enige spijt moeten we vaststellen dat het liberale principe van staatsonthouding ook in de afgelopen decennia opgeld deed. Het geloof in de zegeningen van de markt was groot. En dat is niet zonder consequenties.

Neem bijvoorbeeld de wijkverpleging - daar is de marktwerking doorgeschoten. Individuele belangen van organisaties zijn groter dan de noodzaak tot onderling samenwerken. Als je ’s ochtends langs een seniorenflat fietst, zie je vijf verschillende auto’s van vijf verschillende zorgorganisaties staan. En allemaal komen ze precies hetzelfde doen. Wat is daar de meerwaarde van?

U heeft als thema voor dit congres voor ‘verbinding’ gekozen.

Een terecht thema. ‘Verbondenheid', of eigenlijk het gebrek daaraan, is dé sociale kwestie van deze tijd.

Want juist met de grote bewegingen van een vergrijzende samenleving, een veranderend klimaat, steeds sterker wordende globalisering en toenemende migratie is ons gebrek aan verbondenheid een kwestie die we niet links kunnen laten liggen. En ook niet rechts trouwens. Want juist zulke grote problemen kunnen als een splijtzwam werken.

We zien dat nu al.

Bij de discussies over het verhogen van de pensioenleeftijd stonden jong en oud recht tegenover elkaar.

Bij de discussies over klimaatverandering vliegen believers en non-believers elkaar dagelijks in de haren.

En het bieden van opvang aan vluchtelingen zorgt voor felle demonstraties over en weer.

Om als samenleving sámen te blijven en een antwoord te vinden op die grote problemen, hebben we elkaar nodig.

Het overbruggen van de kloven in onze samenleving is een van onze belangrijkste opdrachten, zo niet de belangrijkste. Anders komt het fundament van onze samenleving in het geding.

Kijk naar Rotterdam. De stad die zo gegroeid is in de 19e eeuw en die zo veranderd is in onze tijd.

In 1996 verhuisde ik naar de Millinxbuurt op Zuid. Ik kwam er wonen omdat ik daar de pabo deed. Drie jaar later had ik voor het eerst mijn eigen klas.   

Drugs, armoede, overlast, het had allemaal zijn plek in die wijk.

En terwijl de kinderen in mijn klas met veel te veel met volwassen problemen geconfronteerd werden, ging het in de lerarenkamer ook over een ander probleem.

Het probleem van de falende integratie.

Het beleid was destijds geformuleerd in keurige bezweringsformules die precies níet onder woorden brachten wat mensen van dichtbij zagen gebeuren.

Als we nou maar zouden zorgen dat mensen een dak boven hun hoofd hadden, een opleiding en werk, zouden ze vanzelf de taal wel leren en gaan meedoen in de samenleving. Dat was toen de heersende gedachte onder het establishment.

Maar in Rotterdam Zuid zagen we bar weinig van die integratie.

We zagen een samenleving die van los zand aan elkaar hing en waarin mensen elkaar letterlijk en figuurlijk steeds minder konden verstaan.

Kort daarna was het Pim Fortuyn die de falende integratie op de politieke agenda zette.

Wat je ook vond over de manier waarop hij dat deed, de zorgen van Rotterdammers - van Nederlanders - werden eindelijk gehoord en kregen een plek in de politiek.

De les was: de politiek heeft de zorgen van de mensen serieus te nemen.

Ook als je je ongemakkelijk voelt bij het benoemen van die zorgen. Juist als we draagvlak willen houden voor de opvang van vluchtelingen, juist als we draagvlak willen houden voor het nemen van klimaatmaatregelen, juist dán hebben we de zorgen van mensen serieus te nemen.

Rotterdam is als stad inmiddels veel beter af.

Economisch staat ze er goed voor.

Veel wijken die in de jaren negentig kansarm waren, worden nu bevolkt door moeilijke brillen en hippe baarden.

Maar de economische groei heeft de stad nog niet als vanzelf verenigd. Ook daar niet.

Samenwonen is niet hetzelfde als samenleven.

Rotterdam is steeds meer een stad van twee hartslagen, van twee werelden.

En misschien zijn het er wel meer dan twee.

Een wereld van mensen die naar de Afrikaandermarkt gaan en van mensen die boodschappen doen bij de Marqt met een Q.

Een wereld van mensen bij wie het geld tegen de strak-gelakte plinten klotst en een wereld van jonge alleenstaande moeders die hun nek breken over de stapel aanmaningen die wekelijks op de mat valt.

Een wereld van mensen voor wie de kansen voor het oprapen liggen en een wereld van mensen die de snel veranderende economie niet meer bij weten te benen en langs de kant komen te staan.

Sommigen noemen dit de nieuwe verzuiling. Geen verticale zuilen van katholieken, protestanten, socialisten en liberalen, maar een horizontale verzuiling van kansrijken en kansarmen, haves en havenots, de can’s en cannot’s.

Die verzuiling wordt versterkt doordat al deze mensen elkaar steeds minder tegenkomen. Ze leven ieder in hun eigen wijken, gaan naar andere supermarkten, sportverenigingen en onlangs constateerde de onderwijsinspectie dat de segregatie ook in het onderwijs toeneemt. Gelijke kansen zijn niet vanzelfsprekend. Dat wringt. Opnieuw.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Op de tribune van de Kuip, in de kerk misschien, en in het ziekenhuis wellicht - maar verder bewegen we in onze samenleving te veel langs elkaar heen in plaats van echt samen.
Als atomische eenheden, die wel botsen maar niet samen komen.

Dat raakt het fundament van de samenleving.

En die versplintering zien we ook terug in de politiek. De Tweede Kamer telt inmiddels 13 partijen, de Eerste Kamer sinds deze zomer 14. Steeds méér partijen, steeds kléinere partijen, met een steeds eenvormiger achterban. En al die kleine achterbannetjes moeten bediend worden met een steeds ééndimensionaler verhaal.

Volkspartijen die de wil hebben alle groepen in de samenleving te vertegenwoordigen hebben het moeilijker dan vroeger, terwijl - daar ben ik van overtuigd, juist nú echte volkspartijen nodig zijn.

Een sterk toegenomen individualisering, met steeds meer ‘ik’ en steeds minder ‘wij’. Dat is hoe breuklijnen ontstaan. Breuklijnen die maar moeilijk te helen zijn. Met een gebrek aan verbondenheid als verdrietig resultaat.

Bij sommige partijen lijkt zelfs de schroom afwezig om voor het eigen belang te gaan. Ten koste van het algemeen belang.

Je zag het in de pensioendiscussie.

Je ziet het in de klimaatdiscussie.

Je kon het horen in de reclame van een zorgverzekeraar: ‘waarom zou ik meebetalen aan behandelingen die ik helemaal niet nodig heb’? Of die ‘verzekering voor hoger opgeleiden’.

Je hebt echt de kern van ons zorgstelsel gemist als je dit soort keuzes maakt. Rijk betaalt voor arm.

Jong betaalt voor oud.

Gezond betaalt voor ziek.

Solidariteit noemen we dat.

En die solidariteit kan in het geding komen.

Veel mensen maken zich zorgen over de zorg. En dan vooral of die zorg er straks nog wel voor hen is, als zij zorg nodig hebben. Of de zorg straks nog wel betaalbaar is. En laten we eerlijk zijn - die zorg is begrijpelijk.

De komende 20 jaar zal het aantal 75-plussers verdubbelen, het aantal 90-plussers verdrievoudigen en het aantal 100-plussers verviervoudigen.

Dat zal een enorme impact hebben op het aantal chronisch zieken. Het aantal mensen met dementie zal verdubbelen. Dus ja - de kosten voor onze zorg zúllen fors stijgen.

En ondertussen wordt de arbeidsmarkt alleen maar krapper.

Maar nog voordat de zorg onbetaalbaar wordt, zal die al steeds moeilijker te organiseren zijn. Als we dat vraagstuk aan de boekhouders overlaten, dan weten die daar wel raad mee. Eigen betalingen omhoog, of een kleiner verzekerd pakket. Of allebei. Maar deze ‘oplossingen’ tasten de solidariteit in onze zorg aan. En ook hier weer: met als verdrietig resultaat een gebrek aan verbondenheid.

Daarover gaat uw congres, over dat gebrek aan verbinding. Het lijkt soms ‘ieder-voor-zich-en-de-overheid-voor-ons-allen’.

En dat is een te dunne basis om op samen te leven.

Maar - zoals kerkvader Augustinus het zei: de tijden dat zijn wij. En dus hebben we een opdracht. Onze opdracht is om samen te leven omdat we niet zonder elkaar kunnen, omdat we naar elkaar hebben om te zien, omdat we elkaar gegeven zijn.

Maar dat kunnen we alleen met een gedeeld verhaal.

En gedeelde solidariteit.

Zonder dat zijn we een verweesde samenleving, zoals Fortuyn dat noemde.

Het neoliberale mensbeeld en het ongebreidelde marktdenken is aan het eind van haar tijd.

Het wordt tijd voor een nieuw verhaal.

Een verhaal waarin een verbonden samenleving centraal staat.

Maar hoe kunnen we opnieuw bouwen aan die ‘verbonden samenleving’? Wat hebben we de samenleving te bieden vanuit de christelijk-sociale traditie?

1. We moeten ten eerste de waarden van het christelijk sociaal denken herwaarderen. Die Bijbelse waarden zijn in veel wetten verankerd, maar we vergeten ze maar al te vaak expliciet te maken.

Ik noemde al solidariteit.

Dingen die je doet of laat omdat je weet dat het belangrijk is voor een ander.

Dingen die je doet of laat omdat je weet dat het belangrijk is voor de generatie na ons, of de generatie die dáárna komt - goed rentmeesterschap. Dingen die je doet of laat omdat jij er zelf misschien niet direct mee geholpen wordt, maar de mensen om je heen wél - barmhartigheid.

De bescherming die die waarden bieden zit in het besef van de wederkerigheid. Of als je het Bijbels wilt zeggen: behandel een ander, zoals je zelf behandeld wilt worden. Daarin zit de makke, de botsing met het neo-liberalisme. Niet de mens als sociaal wezen centraal, maar als economisch wezen - de homo economicus. Markt, rendement, en maximale individuele vrijheid. Dat botst met solidariteit, rentmeesterschap en barmhartigheid. Waarden die ten diepste gaan over de relatie met de ander. Niet ik, maar wij. Geen ‘what’s in it for me’, maar ‘what’s in it for all of us’.

We kunnen niet met de aarde blijven omgaan alsof we de laatsten zijn die erop leven en dus alles op mogen maken. Geen na-ons-de-zondvloed-houding, maar zorgen dat we onze aarde zo doorgeven dat ‘ie leefbaar blijft voor onze kinderen en kleinkinderen. De noodzaak daarvan ontkennen, is niets anders dan onverantwoord egoïsme.

En datzelfde geldt voor de zorg. Willen we bij het betaalbaar en organiseerbaar houden van de zorg de solidariteit overeind houden, dan hebben we meer creativiteit nodig dan ons in de oplossingen van de boekhouders wordt aangereikt. Zullen we moeten kiezen voor innovatie, zullen we moeten kiezen voor minder markt en meer samenwerking. Door de zorg zo te organiseren dat de toegankelijkheid en de kwaliteit in tact blijft. Voor iedereen. Dat is solidariteit.

2. En dat brengt me bij het tweede onderdeel van het oplossen van de sociale kwestie van vandaag: een beschermende overheid.

Veel mensen maken zich zorgen. Over de globalisering en de onrustige wereld waarin we leven. Over migratie en integratie, en of Nederland straks nog wel Nederland is. Over de zorg, waarover ik zojuist sprak. Over de veiligheid, of de overheid daar nog wel voor kan instaan en of de rechtstaat nog wel in staat is om ons te beschermen.

Het zijn zorgen die horen bij wat de Amerikanen ‘the fear of falling’ noemen. De meesten van ons beseffen heel goed dat we in een mooi land wonen. Maar we voelen ook aan dat dat geen rustig bezit is. De zorg is dat onze  kinderen en kleinkinderen het veel minder goed zullen hebben. De meeste zorgen en boosheid zijn ten diepste een projectie van angst en onzekerheid. Over de toekomst en de grote veranderingen van deze tijd.

De politiek moet deze zorgen willen horen, zien en begrijpen. En niet onmiddellijk de spreadsheet uit de binnenzak trekken om bewijs te leveren dat het statistisch anders zit dan men zich voelt. Dat is hét recept voor verdere polarisatie.

En begrijp me goed, ik ga hier geen ‘bezorgde burger’-verhaal houden. En vreest niet: ik ga ook geen pleidooi houden om het volgende christelijk-sociaal congres allemaal een ‘geel hesje’ aan te hebben.

Kuyper verstond de zorgen van zijn tijd. Het maakte hem strijdbaar.

Daarom moeten wij ook naast de zorgen van gewone mensen gaan staan. Want de zorgen over immigratie, over globalisering, over veiligheid, over de zorg - die komen ergens vandaan.

Ik zie het als een opdracht aan ons, een opdracht voor de christelijk-sociale beweging, om er een antwoord op te formuleren. Omdat de zorgen van de ‘kleine luyden’, niet minder dan onze geboortepapieren zijn.

Een beschermende overheid. En dat gaat niet alleen over overheidsbeleid. We hebben vaak veel aandacht voor beleid, maar minstens zo belangrijk is de uitvoering. In de uitvoering laat de overheid zijn ware gezicht zien. Het loket is de plek waar mensen hun overheid tegenkomen. En hoe vaak krijgen ze daar niet een ‘kastje-naar-de-muur-experience’ terwijl ze eigenlijk hulp nodig hebben?

En laat ik helder zijn: dat ombudsmannen zoveel werk hebben is géén onwil van ambtenaren. Dat mensen verstrikt raken in regels is het gevolg van regelingen die veel te complex zijn.

Van beleid dat het moeilijk maakt om de menselijke maat te laten zien in de uitvoering.

Van het gebrek aan onderscheid tussen de rakkers en de stakkers in de handhaving.

Als overheid hebben we ons dat aan te trekken.

Dus hebben we op VWS afgesproken dat we iedereen helpen die vast is gedraaid in systemen en structuren.

Soms betekent dat dat we wetten aanpassen.

Vaker betekent het dat we verschillende mensen aan elkaar knopen.

En soms betekent het de regels gewoon even opzij schuiven.

Want systemen en statistiek zijn niet altijd een oplossing voor casuïstiek, maar mensen zijn dat uiteindelijk altijd.

Het zijn de mensen die de benaderbare overheid vormgeven, die mensen uit het oerwoud van regels kunnen helpen en ze zo de zorg te bieden die ze nodig hebben.

3. Een derde voorwaarde voor verbinding is de samenleving zelf. Een sterke samenleving, waarin we naar elkaar omkijken. En daar zien we iets merkwaardigs. Hier is meer reden voor optimisme dan we soms wel eens denken.

Aan de ene kant behoort de manier waarop we met elkaar omgaan de afgelopen jaren permanent tot de top drie van zorgen in de samenleving. Ik noemde al de eenzaamheid onder veel ouderen. We zien onverschilligheid, lomp gedrag zoals geweld tegen hulpverleners of het tanend gezag van leerkrachten.

Maar aan de andere kant zijn we ook een land met oneindig veel vrijwilligers en mantelzorgers. We willen ons echt wel inzetten voor een ander.

Als giro555 wordt geopend voor hulp bij een ramp, het glazen huis van 3FM geld inzamelt met Kerst.

ADO Den Haag die AZ te hulp schiet als het dak boven een tribune naar beneden komt.

Of kleiner: het noaberschap in Twente of het mienskip in Friesland. Buren die elkaar helpen als dat nodig is. Inzamelingsacties van spullen of geld voor die collega die een baby verwacht, maar nog niet de hele uitzet bij elkaar heeft.

Ik denk dat het overgrote deel van Nederland hunkert naar een samenleving, waarin mensen naar elkaar omkijken. En heel groot deel van Nederland staat zo ook in het leven. En op die vruchtbare bodem kunnen we ploegen en zaaien om de samenleving nog verder te versterken.

Niet omdat het moet – van de overheid of van Den Haag – maar omdat we er een betere samenleving van worden.

4. Solidariteit, een beschermende overheid en een samenleving waar we naar elkaar omkijken, is dat dan genoeg voor een samenleving waarin we weer echt verbonden zijn met elkaar?

Ik denk het niet. Niet vanzelf.

Want we staan voor gigantisch grote problemen.

De vergrijzing, het klimaat, globalisering, immigratie, het zijn allemaal problemen die zo groot zijn, dat het heel moeilijk is er een oplossing voor te vinden.

Bij te veel gesprekken die we erover voeren zie je verschillende groepen niet dichter bij elkaar komen, maar verder van elkaar wegdrijven.

Die grote problemen drijven een wig in de samenleving.

Terwijl we ze alleen kunnen oplossen als we elkaar in het midden vinden.

En dat brengt me op de vierde voorwaarde voor een echt verbonden samenleving.

Ik geloof oprecht in een politiek van het midden.

Dáar worden breuklijnen geheeld, dáar worden mensen samengebracht, dáar wordt strijd gepacificeerd.

Ik geloof in een democratie waar meningsverschillen met respect en fatsoen worden besproken in plaats van met geschreeuw en gescheld.

Ik geloof in een politiek van oplossingen over partijgrenzen heen.

Ons land heeft politici nodig die zorgen of onvrede niet exploiteren als politiek verdienmodel, maar als voorbeeld willen dienen.

Die écht de verbinding durven zoeken, naar elkaar luisteren en over de eigen schaduw heen de samenleving van perspectief en oplossingen voorzien. Die de ander uitnemender achten dan zichzelf. Niemand wordt groter door op een ander te gaan staan.

Adel verplicht. Het is onze heilige opdracht het vertrouwen te herwinnen van de mensen die vinden dat de politiek er niet meer voor hén is, voor hún zorgen.

En juist dat doen we doen door ons in elkaars standpunten te verdiepen.

Niet te kijken naar wat ons verdeelt, maar naar wat ons samenbrengt.

Ik weet zeker dat er een grote meerderheid is die dat vindt.

En juist nu we de polarisatie verder zien toenemen, hoop ik van harte dat wij ons realiseren hoe belangrijk het juist nu is om die stem van de stille meerderheid te laten klinken. Om het geschreeuw te overstemmen.

Want alleen zo lossen we de grootste sociale kwestie van deze tijd - het gebrek aan verbondenheid - op.

Alleen zo vinden we een antwoord op al die grote vragen naar de toekomst.

En alleen zo geven we onze samenleving net zo mooi door aan onze kinderen als we hem zelf gekregen hebben. En misschien nog wel mooier.

Het CV van Hugo

1999
Leraar Basisonderwijs
2000
Schoolleider Primair Onderwijs
2004
Beleidsmedewerker Onderwijs van de Tweede Kamerfractie van het CDA
2006
Politiek assistent van minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)
2008
MT-Lid team directie Voortgezet Onderwijs, ministerie van OCW
2010
Wethouder Onderwijs, Jeugd, Gezin en Zorg in Rotterdam
2017
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en vicepremier

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.