21 januari 2019

Criminaliteit en meldingsbereidheid

Een groot deel van de Eindhovenaren meldt criminaliteit niet omdat ze bang zijn of het 'niet zo erg' vinden. Dat blijkt uit het onlangs gepresenteerde onderzoek ‘Ondermijnende criminaliteit en de meldingsbereidheid van burgers’ onder meer was toegespitst op een wijk in Eindhoven.

Het onderzoek werd in opdracht van de Taskforce Brabant-Zeeland door het Verwey-Jonker Instituut was uitgevoerd. Raadslid Remco van Dooren heeft hierover raadsvragen gesteld. Die kunt u hieronder vinden:

De resultaten gaven aan dat behoorlijk wat inwoners criminele activiteiten niet melden, terwijl zij juist de ‘ogen en de oren’ in de wijk zijn. Het CDA vindt dit zorgelijk en heeft hierover dan ook vragen:


1.  Wat is in het algemeen de reactie van het college op de resultaten van het onderzoek? 

Uit het onderzoek werd duidelijk dat tussen de 58% en 70% van de respondenten hennepteelt, het maken van harddrugs, het verkopen van harddrugs, illegale prostitutie en ernstig geweld NIET meldde, terwijl zij het WEL signaleerde. De respondenten gaven aan dat zij niet meldden om verschillende redenen: ‘te weinig bewijs/het niet zeker weten’, ‘bang voor wraak’, ‘bang voor een valse beschuldiging’, ‘bang dat ze zelf niet anoniem kunnen blijven bij het melden’ en ‘melden heeft geen zin’. Er zijn verder ook veel Eindhovense respondenten die niet melden omdat zij ‘geen last van de criminele activiteiten hebben’, ‘het niet zo erg vinden’, ‘het niet hun problemen vinden’, ‘ze geen verrader willen zijn’ en omdat ‘melden veel moeite en tijd kost’.

2.  Hoe duidt u de bevindingen dat burgers niet melden omdat ze er geen last van hebben, het niet zo erg vinden en het niet hun probleem vinden?

Gelukkig vindt een grote meerderheid van de Eindhovense respondenten (70 tot 91%) het heel erg als mensen zich bezighouden met illegale prostitutie en/of het maken/verkopen van harddrugs. Het is echter triest dat bijna één op de vijf mensen neutraal is of het niet zo erg vindt als mensen zich hier mee bezig houden. Nog triester is dat een grote groep (71%) hennepteelt niet als erg beschouwt, terwijl deze vorm van criminaliteit grote, negatieve gevolgen heeft voor de buurt. Er is immers kans op brand, ontploffing en water- en stankoverlast en het kan gepaard gaan met geweld en afpersing.

3. Hoe beoordeelt u deze resultaten en wat gaat u hiermee concreet doen?

Het CDA vindt het belangrijk dat burgers goed geïnformeerd zijn over de negatieve gevolgen van ondermijnende criminaliteit en wat de belangrijkste signalen hiervan zijn. Daardoor worden bewoners meer bewust.

4. Op welke manier worden burgers nu hierover geïnformeerd? En wat gaat het college er concreet aan doen om meer burgers te informeren over de negatieve gevolgen en de signalen van ondermijnende criminaliteit?

Het onderzoek laat verder zien dat Eindhovense respondenten niet altijd weten wat de mogelijkheden zijn om criminaliteit te melden. Ook weet niet iedereen hoe ‘Meld Misdaad Anoniem’ werkt.

5. In hoeverre ziet het college een rol voor haar weggelegd om dit actief onder de aandacht te brengen bij inwoners? Graag een toelichting.

Burgers die wel melding maken van ondermijnende criminaliteit geven helaas vaak aan dat zij niet tevreden zijn met de afhandeling van hun melding, meestal doordat politie/justitie niets of te weinig met de melding heeft gedaan. Dit heeft weer op invloed op de meldingsbereidheid van burgers.

6. Wat doet politie/justitie eraan om te garanderen dat burgers meer tevreden zijn met de afhandeling van de melding? Wordt de inzet hierop nu geïntensiveerd?

Het onderzoek is gedaan in een Eindhovense buurt, maar er is door de onderzoekers niet aangegeven om welke buurt het precies gaat.

7. Bent u bereid om de naam van deze wijk te openbaren? Zo nee, waarom niet?

Uit het onderzoek blijkt dat 55% van de respondenten in deze Eindhovense wijk winkels kent waar nooit een klant komt, maar die wel blijven bestaan. 45% geeft aan horeca-inrichtingen te kennen waar nooit een klant komt, maar die wel blijven bestaan.

8. Heeft u een beeld welke winkels en horeca-inrichtingen hier worden bedoeld? Zo nee, wat gaat u hieraan doen zodat u dit wel in beeld krijgt?

9. Welke maatregelen kunt u hiertegen nemen, en bent u ook van plan dit te doen?

40% van de Eindhovense respondenten kent daarnaast mensen die geen of een laag betaalde baan hebben maar die wel veel geld hebben. 35% van de respondenten stelt verder dat zij eigenaren van winkels of horeca-inrichtingen kent waar nooit een klant komt, maar die wel veel geld hebben.

10. Heeft u een beeld welke personen hier worden bedoeld? Zo nee, wat gaat u hieraan doen zodat u dit wel in beeld krijgt?

11. Welke maatregelen kunt u hiertegen nemen, en bent u ook van plan dit te doen?

In de betreffende onderzoeksbuurt blijkt dat de sociale cohesie beduidend lager ligt dan in de rest van Eindhoven en dat er relatief weinig activiteiten zijn geweest ter verbetering van de buurt. Er wordt aangegeven dat er weinig onderling contact is, er scheidslijnen zijn en dat er een wisselend beeld is binnen de buurt of mensen elkaar helpen.

12. Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om hier een verbetering in aan te brengen?

Uit het onderzoek blijkt verder dat respondenten in deze Eindhovense wijk met name hennepteelt en het verkopen van harddrugs signaleren.

13. Herkent het college deze signalen? Zo nee, wat gaat u hieraan doen zodat u dit beeld wel krijgt?

Respondenten zijn ook bevraagd over hun vertrouwen in de gemeente. Zo’n 36% van de Eindhovense respondenten geeft aan helemaal geen tot niet zo veel vertrouwen te hebben in de gemeente.

14. Hoe reflecteert u op deze uitslag? En wat gaat u doen om het vertrouwen te herstellen?

Tot slot wordt er in het onderzoek de aanbeveling gedaan om per buurt een plan op maat te ontwikkelen, om zo de meldingsbereidheid te vergoten. Elke buurt heeft immers specifieke kenmerken.


15. Is het college bereid om per buurt een plan op maat op te stellen om de meldingsbereidheid te vergroten? Graag een toelichting.

Namens de CDA-fractie,

 

Remco van Dooren, raadslid

 

 

 

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.