27 januari 2015

"stomme wet" zorgt voor vragen

Bijdrage CDA Opiniërende Raad 2 december inzake Beleidsnota Participatiewet

"Ik wil liever niet aangenomen worden vanwege zo’n stomme wet.”

Voorzitter,

Het zal u niet verbazen dat dit niet mijn woorden zijn, maar de woorden van een Wajonger in een interview. Eén van de velen die te vinden zijn op het Internet, tussen alle films en filmpjes over de Participatiewet. In al die filmpjes valt steeds een aantal dingen op: de angst en onzekerheid over het onbekende en de onzekere toekomst; het kijken naar de mogelijkheden van de mensen in plaats van naar de onmogelijkheden en het schijnbare onvermogen van bedrijven om goed om te gaan met mensen met beperkingen.

In de beleidsnota lezen we: “Het doel van de Participatiewet is primair de participatie op de arbeidsmarkt. Alle inspanningen zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Als het primaire doel is maatschappelijke participatie, dan wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de instrumenten uit de Wmo.” Het is echter lastig om een duidelijke scheidingslijn te trekken tussen deze doelen. Immers, deelname aan het reguliere arbeidsproces is een belangrijke voorwaarde om ook deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk leven. Omdat de Participatiewet onder andere de Wet Sociale Werkvoorziening en gedeeltelijk de Wajong vervangt raakt deze wet juist een kwetsbare groep, die toch al moeite heeft om niet als uitzondering en misschien zelfs als lastig te worden gezien. De gemeente staat daarom niet alleen voor een belangrijke opgave in technische zin (“hoe regelen we zaken conform de wet, doelmatig en doeltreffend”), maar ook vanuit menselijk oogpunt. De CDA fractie heeft die menselijke maat hoog in het vaandel staan, maar realiseert zich ook, dat veel maatregelen  nu eenmaal wettelijk zijn vastgelegd en ongewenste gevolgen kunnen hebben voor veel mensen. De vraag is dus, hoe kunnen we die gevolgen zo beperkt mogelijk houden en hoe kunnen we, indien mensen er toch door geraakt worden, hen begeleiden en ondersteunen? We gaan daarbij uit van de kracht van de mensen zelf, maar weten ook dat die kracht soms met behulp van professionals omhoog gehaald moet worden. Het CDA vindt dan ook, dat we ons daarop moeten concentreren. Of zoals de Wajonger in het eerder besproken filmpje zo mooi zegt: “Ik heb liever dat ze me aannemen omdat ze denken: ze is een aanwinst voor ons bedrijf en zij heeft ondanks haar beperkingen ook veel talenten, dan dat ze zeggen: we moeten haar aannemen vanwege het quotum”.

Ten aanzien van het onderwerp ‘prioriteit’ is de CDA fractie van mening, dat de controle op en inspanningen ten behoeve van participatie in verhouding moeten staan tot het resultaat. Dit wil zeggen, dat er goede afwegingen moeten worden gemaakt of het wenselijk is om het individu op allerlei manieren te dwingen of te coachen terwijl duidelijk is dat het niet of nauwelijks tot resultaat leidt. We dringen er wel op aan om iedereen in een uitkeringssituatie steeds voldoende aandacht te geven. We vragen u daarom ook om nog eens goed te kijken naar de werkelijke betekenis van het woord ‘gemotiveerd’. Betekent dit altijd ‘wel of geen zin’  of zijn er wellicht andere belemmeringen zoals onzekerheid, faalangst en het ‘gezicht in de straat’? We leven in een gemeenschap waar iedereen elkaar kent. De tegenprestatie kan hierbij stigmatiserend werken. Het gebeurt hier veel minder in de anonimiteit zoals bijvoorbeeld in de grote stad.

Voorzitter, wat is eigenlijk de betekenis van het woord ‘participatie’? Het woord is afgeleid van de Latijnse woorden pars en cipere die respectievelijk deel en nemen betekenen. Voor het gemak hebben we daar in de definiëring het woord ‘actief’ aan toegevoegd… Actieve deelname.

In de discussie over de participatiemaatschappij in het algemeen en de participatiewet in het bijzonder, vind je eigenlijk twee ‘kampen’. Enerzijds een groep mensen die vinden dat iedereen het recht heeft op participatie en anderzijds een groep die participatie oplegt. Je moet deelnemen. Ik wil er één aan toevoegen en refereer daarbij aan de Chileense econoom Manfred Max Neef en de door hem en anderen geformuleerde ‘9 fundamentele behoeften’ van de mens. Participatie is er daar één van. Participatie, deelnemen aan, is dus een fundamentele behoefte. Hij leert ons echter ook, dat participatie kan plaatsvinden langs minder gebaande paden. Deelname in verenigingen, door middel van vrijwilligerswerk, in buurten en kerken. In onze regelgeving rond participatie lijkt het er echter steeds meer op, dat het een gedwongen deelname is aan het arbeidsproces. Je moet iets doen voor de kost. En als dat niet via regulier werk kan, dan moet je maar op een andere manier een bijdrage leveren. Met de nadruk op MOET. Wat streven we eigenlijk na met deze wetgeving? Dat mensen meer gaan deelnemen in de maatschappij of dat we minder geld aan uitkeringen hoeven uit te geven en iets terug willen verdienen? Een soort misplaatste wederkerigheid? Het lijkt steeds meer op het laatste. Als we alleen dat zouden willen, dan moeten we het geen participatiewet noemen, maar een uitkeringswet. Dan hadden we het kunnen laten zoals het was.

Voorzitter, in Breda is een tijd geleden ook de discussie gevoerd over met name de tegenprestatie. De komst van een verplichte tegenprestatie leidde eerder tot weerstand dan tot een vermindering van het aantal uitkeringen. Sterker nog, door in gesprek te gaan met uitkeringsgerechtigden kwamen ze zelf met heel goede ideeën over de wijze waarop ze een bijdrage wilden leveren.

Samenvattend voorzitter, gaat het hier om twee zaken; het CDA is voor het investeren in snelle re-integratie bij degenen die dat kunnen en het samen zoeken naar een waardevolle bijdrage in de maatschappij door degenen die geen of veel minder uitzicht hebben op het reguliere arbeidsproces. Het college kan daar wat ons betreft een tegenprestatie bij opleggen, maar altijd, zoals ook in de verordening aangegeven, met inachtneming van specifieke factoren. Niet a priori straffen, maar stimuleren en goede intenties belonen. Daarom wil ik zo direct graag een motie indienen die tot dat laatste bijdraagt.

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.