27 juni 2013

CDA staat voor vrije schoolkeuze

Duoraadslid Barbara Gardeniers voerde namens de CDA-fractie het woord in de raadscommissie. Lees hieronder haar volledige inbreng.

Raadscommissie Onderwijs, woensdag 26 juni 2013, agendapunt 38:  ‘Naar een stedelijk toelatingsbeleid voor het basisonderwijs in Amsterdam’  

Voorzitter,

Het CDA staat voor de keuzevrijheid van ouders bij schoolkeuze. Onze politieke beweging is daar zelfs mede om opgericht. En ja –om de interrupties voor te zijn: ook wij beseffen dat die keuzevrijheid niet absoluut is. Waar het dus om zou moeten gaan is zoveel mogelijk recht doen aan die keuzevrijheid. Het is immers niet aan de overheid om te bepalen welke school ouders kiezen voor hun kind.

Is die keuzevrijheid nu gewaarborgd in het nieuwe systeem? Als CDA fractie zetten we daar stevige vraagtekens bij. Wat nu als je je kind per se op een christelijke of bijvoorbeeld op een montessorischool wilt hebben? Of per se op een openbare, dus niet op een (algemeen) bijzondere school? Dat zal lastiger worden. Dat zal de wethouder moeten erkennen.

Een voorbeeld: in de omgeving van een ouder staan zes scholen. Twee openbare, een protestants-christelijke, een islamitische, een montessorischool en een jenaplanschool. De ouders willen het kind graag op de protestants-christelijke school, omdat die aansluit bij hun geloofsovertuiging en plaatsen die school bovenaan de lijst. Deze school blijkt het kind niet te kunnen plaatsen. De ouders willen hun kind echter niet naar een school met een andere denominatie laten gaan. Ze zijn dan aangewezen op een school buiten de eigen buurt. Daar komt de aanmelding onderop de stapel en blijkt de school ook al vol te zitten. De ouders hebben dan geen keus meer. Van keuzevrijheid is dus geen sprake meer. Graag een reactie van de wethouder hierop.

De identiteit van een school kan dus voor ouders een belangrijker motief zijn dan geografische nabijheid. Wat zegt de wethouder tegen die ouders? Een herkenbare en duidelijke identiteit geeft ook kleur aan een school. Het is wat de CDA fractie betreft juist goed dat ouders daar bewust voor kunnen kiezen.

Daarnaast lees ik in de stukken niks over in hoeverre ouders nu daadwerkelijk betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van dit beleid? Graag een toelichting.

Een andere vraag die ik de wethouder graag wil stellen is of hij duidelijkheid kan geven in hoeverre alle schoolbesturen nu achter dit beleid staan? Het persbericht van het college lijkt te suggereren dat dat zo is. Op de website van de ‘Besturenraad’ (centrum voor christelijk onderwijs)  lees ik echter dat bijvoorbeeld het bestuur van GBS (gereformeerde basisschool, éénpitter) Veerkracht in Amsterdam-West niet achter dit beleid staat. Hoe zit dat? Geldt dit voor meer schoolbesturen? Graag een overzicht van de schoolbesturen die expliciet dit nieuwe beleid steunen, en welke niet.

En in hoeverre kan je dit systeem als gemeentelijke overheid nu dwingend opleggen aan de schoolbesturen? Professor Laemers, hoogleraar onderwijsrecht aan de VU, geeft op diezelfde website van de Besturendraad aan dat dat dus niet kan. Hoe gaat de wethouder hier mee om?

Ik stel deze vraag ook omdat we bij het convenant dat in Zuid is opgesteld onder de basisschoolbesturen over toelatingsbeleid, scholen werden gekort op stadsdeelsubsidie als ze het convenant niet tekenden. Dit slechte voorbeeld van Zuid verdiend wat ons betreft geen navolging. Graag een reactie van de wethouder hierop.

Als laatste de voorrangscriteria. Bij de laatste twee zetten wij vraagtekens. Wat bedoelt de wethouder met: “Voorrang voor een groepsaanmelding van kinderen wonend in de buurt van de school waardoor de onderwijsopgave over scholen in een wijk meer evenredig verdeeld wordt of blijft?” Wat is dat? Zoals bijvoorbeeld het ouderinitiatief bij de Joop Westerweel school in West?

En hoe eerlijk is het om kinderen met een taalachterstand, kinderen die gebruik maken van bijvoorbeeld de voorschool, voorgang te geven boven andere Amsterdamse kinderen?

 

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.