Er is veel te doen over het wetsvoorstel ‘Tijdelijke wet maatregelen COVID-19’. De kranten staan vol met bezorgde artikelen, mailboxen van Kamerleden puilen uit, er wordt opgeroepen om te gaan demonstreren. Hoewel een kritische blik op het wetsvoorstel zeer goed te begrijpen is, lijkt het maatschappelijk debat vervuild te worden door nepnieuws. 

Maar hoe zit het nu precies? Ik heb de antwoorden op de vragen die ik de afgelopen tijd het meeste heb gehoord verzameld en opgeschreven. 

Wat vooraf ging
Sinds het begin van de Corona-crisis heeft het kabinet stevige maatregelen genomen om de uitbraak van het virus zo veel mogelijk in te perken. Het kabinet koos er bewust voor om niet het staatsnoodrecht of andere wetgeving voor een uitzonderingstoestand van stal te halen, zoveel mogelijk een appel te doen op ons burgers. Sterker nog, een groot deel van de maatregelen berustte op een moreel appel door de overheid: blijf zo veel mogelijk thuis, ga niet te snel naar je huisarts, werk zo veel mogelijk thuis. Er werd massaal gehoor aan gegeven, hoewel die regels sec niet afdwingbaar waren. Mooi om te zien hoe burgers – ook in deze tijd, we twijfelden er wel eens aan – werk maakten van hun eigen verantwoordelijkheid.
Wel werden op basis van een aanwijzing van de minister van VWS door de 25 voorzitters van de veiligheidsregio’s nagenoeg identieke noodverordeningen afgekondigd. Daarin werden regels opgenomen die leiden tot het verbieden van samenkomsten en evenementen, de verplichting minimaal 1,5 meter afstand te houden, het verbod voor contactberoepen, enz. 

Democratische controle
Noodverordeningen zijn algemene bindende regels die zonder democratische controle vooraf tot stand komen: ze worden simpelweg afgekondigd, door de voorzitter van de veiligheidsregio. Dat is veelal de burgemeester van een grote centrumgemeente. Die voorzitter informeert de betrokken gemeenteraden na afloop over de toepassing van de noodverordening, wat betekent dat de mogelijkheid van een gemeenteraad om controlerend op te treden zeer beperkt is. Normaliter worden noodverordeningen voor slechts een beperkte periode en in één gemeente ingezet en heeft ‘controle achteraf’ daardoor veel meer betekenis.
Op 8 april 2020 is in de Tweede Kamer gedebatteerd over (onder andere) het democratisch gehalte van de noodmaatregelen, in het bijzonder over de vraag hoe de verhouding was tussen de genomen maatregelen en de Grondwet. Dit heeft geleid tot een motie van de kamerleden van der Staaij (SGP) en Jetten (D66) met een verzoek aan de voorzitter van de Kamer om een advies aan te vragen bij de Raad van State. Dat heeft geleid tot een zeer uitgebreid advies van de Raad van State op 25 mei 2020: 48 pagina’s doorwrochte analyse, overwegingen en adviezen over de democratische borging en controle in deze Corona-tijd.
Een belangrijke conclusie van de Raad van State: het is verdedigbaar dat in een acute, concrete en levensbedreigende situatie – zoals het plotseling uitbreken van het coronavirus – de beperking van grondrechten gedurende een korte periode op basis van een noodverordening gerealiseerd wordt. Maar, als zo’n situatie langer voortduurt dan neemt de juridische houdbaarheid van zo’n constructie af, dan moet er een beter juridisch fundament komen. In de vorm van een formele wet: een wet die vastgesteld wordt door de Staten-Generaal. 

Het wetsvoorstel
En die handschoen heeft het kabinet opgepakt. Door een wetsvoorstel in te dienen, het wetsvoorstel waar nu een forse publieke discussie over plaatsvindt.
Dat wetsvoorstel is na een eerste proeve – mede naar aanleiding van het advies van de Raad van State en de opmerkingen vanuit vele maatschappelijk en bestuurlijke organisaties – fors aangepast. Er staat een aantal stevige waarborgen in, lessen vanuit de eerste Corona-maanden: mantelzorgers houden altijd toegang tot degene voor wie ze zorgen, de overheid kan geen Corona-maatregelen treffen in de huizen van mensen, er kan veel meer (regionaal) maatwerk worden geleverd, de juridische houdbaarheid (bij de rechter) is veel groter, de minister van VWS (onze Hugo de Jonge) moet regels altijd voorleggen aan de Kamer en de wet kent een maximale duur van een half jaar. Als de wet langer nodig is dan moet de minister terug naar de Kamer.
Rond het wetsvoorstel doen inmiddels veel onzin-verhalen de ronde: zo zou een fundamenteel recht als het demonstratierecht verboden worden (onzin), de politie zou zo maar je huis binnen kunnen vallen (onzin) en mensen zouden het risico lopen verplicht gevaccineerd te worden (volstrekte onzin). Ook wordt gesteld dat de wet het kabinet de vrijheid geeft ‘bij decreet’ te regeren (onzin) en dat de wet als een spoedwet door de Kamer gejaagd wordt (ook onzin). De enige wet waar wél (enige) spoed achter wordt gezet is het wetsvoorstel waarin de (vrijwillige) Corona-app wordt geregeld.

Kritische kanttekeningen
Dit alles wil niet zeggen dat we als CDA-fractie helemaal tevreden zijn met dit wetsvoorstel. Zo hebben wij stevige vragen bij de lokale verankering. Het wetsvoorstel brengt Nederland terug naar normale bestuurlijke verhoudingen, met een belangrijke rol voor de burgemeester van onze 355 gemeenten. Als fractie willen wij de gemeenteraad meer invloed geven en daar gaan we werk van maken. Verder hebben we stevige vragen gesteld over de procedure waarmee de minister regels voorlegt (‘voorhang’) aan de Kamer: welke mogelijkheid heeft de Kamer om die regels daadwerkelijk aan te passen? En zo zijn er meer vraagpunten die we – zoals bij ieder wetsvoorstel – uitgebreid bij de wetsbehandeling aan de orde zullen stellen.

Besluit
Natuurlijk willen we het liefst dat we de mogelijkheden die het wetsvoorstel biedt nooit hoeven te gebruiken. Maar we zien nu al dat de kans op een tweede, forse uitbraak aanwezig is. Wat als we niet binnen afzienbare tijd kunnen beschikken over een vaccin? Door tijdig passende maatregelen te nemen kunnen we veel leed voorkomen. Niet alleen qua gezondheid, maar ook economisch, sociaal, psychisch. En is dat niet vooral de functie van regels en wetten: niet het maken van inbreuk, maar juist het beschermen van de zwakkere!

Vragen of opmerkingen over dit wetsvoorstel, mail Chris van Dam via c.vdam@tweedekamer.nl

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.