24 april 2019

Arie Oostlander (1936-2019) Onverschrokken christendemocraat

Arie Oostlander, die zondag 21 april 2019 op 83-jarige leeftijd is overleden, was de laatste directeur van de Dr. Abraham Kuyperstichting en de eerste directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Vanaf midden jaren zeventig van de vorige eeuw heeft hij zich ingezet voor de ontwikkeling van het christendemocratisch gedachtegoed. Het waren de jaren waarin het CDA tot stand kwam. Hans Borstlap, zijn collega bij de beide denktanks, haalt herinneringen op.

De vorming van een nieuwe christendemocratische partij verliep moeizaam. Aan de totstandkoming van het CDA lagen zeker idealen ten grondslag, maar het was ook nodig enige onderlinge achterdocht te overwinnen en er moest worden voorzien in een gemeenschappelijk uitgangspunt van waaruit de drie politieke partijen, KVP, ARP en CHU, voortaan eensgezind politiek wensten te bedrijven. Ik was in die jaren medewerker van de Kuyperstichting en kon vanuit die positie goed zien welke rol de wetenschappelijke bureaus van de drie fusiepartijen, en de Kuyperstichting in het bijzonder, daarbij werd gegund.

Arie Oostlander heeft in die jaren een cruciale rol gespeeld als rapporteur van het rapport Grondslag en politiek handelenuit 1978. Kortgezegd was de boodschap dat niet geloofsbeginselen uitgangspunt van een politieke partij kunnen zijn; voor een politieke partij dienen immers politieke uitgangspunten en een politieke overtuiging leidend te zijn. Deze worden wel gevoed ‘als antwoord op de oproep vanuit het Evangelie’, maar het zijn politieke beginselen en politieke overtuigingen die een partij kenmerken en die haar leden samenbrengen. 

Deze centrale boodschap was voluit een antirevolutionaire gedachte. Toch was het ook voor antirevolutionairen in die tijd heel nuttig en nodig deze boodschap op dat moment als kernboodschap onder de aandacht te brengen, zeker voor dat deel van de antirevolutionaire leiding die in die tijd moeite had met de groei naar het CDA. Er lag in deze zin een spanning tussen de zogeheten ‘Bergrede’ van Willem Aantjes op het partijcongres van 1975 en de kernboodschap van dit rapport van Arie Oostlander. Ik herinner mij nog goed hoezeer zijn benadering herkenning vond bij vooral de KVP-leiding. En hoe opgelucht men was dat vanuit het antirevolutionaire bolwerk van de Kuyperstichting dit authentieke geluid kwam, op een moment dat daar grote behoefte aan was in de groei naar het CDA. De totstandkoming van Grondslag en politiek handelen betekende een doorbraak in het fusieproces.

Deze geschiedenis tekent de persoon van Arie Oostlander: onverschrokken, principieel, niet bang en gedreven door zijn overtuiging dat ‘dorpsdespoten onttroond’ dienen te worden door politieke beginselen. Ik herinner me nog zeer de spanningen die zijn optreden teweegbracht, maar wat gezegd moest worden, moest worden gezegd. Daar bestond binnen de staf van medewerkers onder leiding van Arie weinig twijfel over. Dit gaf een enorme drive en energie binnen de staf. Ook moet gezegd worden dat ons optreden niet altijd goed begrepen werd door beide zusterinstellingen van KVP en CHU. Het was, terugkijkend, een spannende tijd, waarin niet veel ruimte en rust was om tactisch te opereren. De gedrevenheid overheerste, onder aanvoering van Arie. Ook om, naar een uitspraak van zijn voorganger Willem Hoogendijk, het antirevolutionaire gedachtegoed niet als een museumstuk op te bergen en te conserveren, maar juist om dit als risicodragende erfenis aan te wenden voor staat en maatschappij, en voor een nieuwe fase waarin christendemocratische partijvorming zich toen bevond.  Van een instituut als de Kuyperstichting met een traditie die terugvoert op Abraham Kuyper en Herman Dooyeweerd, kan moeilijk een andere rol worden verwacht. 

Die jas paste Arie als gegoten; hij was op het juiste moment de directeur van dit bijzondere instituut. 

Arie was zorgzaam naar zijn medewerkers en onvermoeibaar als klankbord en steun en toeverlaat. Hij kon ook hoekig zijn in het verwoorden van zijn opvatting. Je kon maar beter duidelijk zijn, want onhelderheid en mistige antwoorden brengen veelal weinig goeds. Ook daarmee bevond Arie zich in een herkenbare antirevolutionaire traditie.

Ik prijs me gelukkig Arie, tezamen met Pieter Jan Dijkman, de huidige directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, niet lang geleden bij hem thuis in Doetinchem nog uitvoerig gesproken te hebben over die tijd van onze samenwerking. Zonder plichtplegingen – ik had hem lange tijd niet gesproken – zaten we direct weer in de dilemma’s van destijds en bespraken we in alle vrijmoedigheid de huidige stand van zaken in de christendemocratie. Afgelopen november kon hij in al zijn kwetsbaarheid nog aanwezig zijn bij de viering van het veertigjarig bestaan van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Hij genoot er zichtbaar van.

Arie Oostlander was rond de vorming van het CDA de juiste man op de juiste plek. Het CDA is hem veel dank verschuldigd. Ik denk met grote genegenheid en dankbaarheid terug aan die tijd van samenwerking met hem in de Dr. Abraham Kuyperstichting en het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.

Hans Borstlap

 

Arie Oostlander, die zondag 21 april 2019 op 83-jarige leeftijd is overleden, was de laatste directeur van de Dr. Abraham Kuyperstichting en de eerste directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Vanaf midden jaren zeventig van de vorige eeuw heeft hij zich ingezet voor de ontwikkeling van het christendemocratisch gedachtegoed. Het waren de jaren waarin het CDA tot stand kwam. Hans Borstlap, zijn collega bij de beide denktanks, haalt herinneringen op.

De vorming van een nieuwe christendemocratische partij verliep moeizaam. Aan de totstandkoming van het CDA lagen zeker idealen ten grondslag, maar het was ook nodig enige onderlinge achterdocht te overwinnen en er moest worden voorzien in een gemeenschappelijk uitgangspunt van waaruit de drie politieke partijen, KVP, ARP en CHU, voortaan eensgezind politiek wensten te bedrijven. Ik was in die jaren medewerker van de Kuyperstichting en kon vanuit die positie goed zien welke rol de wetenschappelijke bureaus van de drie fusiepartijen, en de Kuyperstichting in het bijzonder, daarbij werd gegund.

Arie Oostlander heeft in die jaren een cruciale rol gespeeld als rapporteur van het rapport Grondslag en politiek handelenuit 1978. Kortgezegd was de boodschap dat niet geloofsbeginselen uitgangspunt van een politieke partij kunnen zijn; voor een politieke partij dienen immers politieke uitgangspunten en een politieke overtuiging leidend te zijn. Deze worden wel gevoed ‘als antwoord op de oproep vanuit het Evangelie’, maar het zijn politieke beginselen en politieke overtuigingen die een partij kenmerken en die haar leden samenbrengen. 

Deze centrale boodschap was voluit een antirevolutionaire gedachte. Toch was het ook voor antirevolutionairen in die tijd heel nuttig en nodig deze boodschap op dat moment als kernboodschap onder de aandacht te brengen, zeker voor dat deel van de antirevolutionaire leiding die in die tijd moeite had met de groei naar het CDA. Er lag in deze zin een spanning tussen de zogeheten ‘Bergrede’ van Willem Aantjes op het partijcongres van 1975 en de kernboodschap van dit rapport van Arie Oostlander. Ik herinner mij nog goed hoezeer zijn benadering herkenning vond bij vooral de KVP-leiding. En hoe opgelucht men was dat vanuit het antirevolutionaire bolwerk van de Kuyperstichting dit authentieke geluid kwam, op een moment dat daar grote behoefte aan was in de groei naar het CDA. De totstandkoming van Grondslag en politiek handelen betekende een doorbraak in het fusieproces.

Deze geschiedenis tekent de persoon van Arie Oostlander: onverschrokken, principieel, niet bang en gedreven door zijn overtuiging dat ‘dorpsdespoten onttroond’ dienen te worden door politieke beginselen. Ik herinner me nog zeer de spanningen die zijn optreden teweegbracht, maar wat gezegd moest worden, moest worden gezegd. Daar bestond binnen de staf van medewerkers onder leiding van Arie weinig twijfel over. Dit gaf een enorme drive en energie binnen de staf. Ook moet gezegd worden dat ons optreden niet altijd goed begrepen werd door beide zusterinstellingen van KVP en CHU. Het was, terugkijkend, een spannende tijd, waarin niet veel ruimte en rust was om tactisch te opereren. De gedrevenheid overheerste, onder aanvoering van Arie. Ook om, naar een uitspraak van zijn voorganger Willem Hoogendijk, het antirevolutionaire gedachtegoed niet als een museumstuk op te bergen en te conserveren, maar juist om dit als risicodragende erfenis aan te wenden voor staat en maatschappij, en voor een nieuwe fase waarin christendemocratische partijvorming zich toen bevond.  Van een instituut als de Kuyperstichting met een traditie die terugvoert op Abraham Kuyper en Herman Dooyeweerd, kan moeilijk een andere rol worden verwacht. 

Die jas paste Arie als gegoten; hij was op het juiste moment de directeur van dit bijzondere instituut. 

Arie was zorgzaam naar zijn medewerkers en onvermoeibaar als klankbord en steun en toeverlaat. Hij kon ook hoekig zijn in het verwoorden van zijn opvatting. Je kon maar beter duidelijk zijn, want onhelderheid en mistige antwoorden brengen veelal weinig goeds. Ook daarmee bevond Arie zich in een herkenbare antirevolutionaire traditie.

Ik prijs me gelukkig Arie, tezamen met Pieter Jan Dijkman, de huidige directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, niet lang geleden bij hem thuis in Doetinchem nog uitvoerig gesproken te hebben over die tijd van onze samenwerking. Zonder plichtplegingen – ik had hem lange tijd niet gesproken – zaten we direct weer in de dilemma’s van destijds en bespraken we in alle vrijmoedigheid de huidige stand van zaken in de christendemocratie. Afgelopen november kon hij in al zijn kwetsbaarheid nog aanwezig zijn bij de viering van het veertigjarig bestaan van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Hij genoot er zichtbaar van.

Arie Oostlander was rond de vorming van het CDA de juiste man op de juiste plek. Het CDA is hem veel dank verschuldigd. Ik denk met grote genegenheid en dankbaarheid terug aan die tijd van samenwerking met hem in de Dr. Abraham Kuyperstichting en het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.

Hans Borstlap

 

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.