
14 januari 2026
13 januari 2026 3 minuten lezen
De samenleving van vandaag is een andere dan die van dertig jaar geleden. In een generatie tijd is ons sociaal weefsel ingrijpend veranderd. Door secularisering, individualisering en digitalisering is het leven voor velen vrijer geworden. Mensen zijn minder gebonden aan de gemeenschap waarin zij opgroeiden, en dat heeft positieve kanten. Er is meer ruimte voor ontplooiing, emancipatie en diversiteit. Meer keuzes, meer vrijheid, meer mogelijkheden om je eigen pad te vinden.

Maar deze omslag heeft ook een andere, minder zichtbare kant. Waar de vrijheid van het individu groeit, brokkelen traditionele steunstructuren af. Steeds minder mensen maken deel uit van een gemeenschap of netwerk dat vanzelfsprekend om hen heen staat. De sociale controle neemt af, informele hulp komt minder vaak van buren of familie, en betekenisvolle verbindingen zijn minder vanzelfsprekend. We zien meer existentiële onzekerheid, meer prestatiedruk, meer keuzestress. Jongeren en ouderen voelen zich vaker eenzaam. En door sociale media lijkt ieder in zijn eigen werkelijkheid te leven, wat de kloof tussen groepen versterkt en wederzijds begrip onder druk zet.
De gevolgen zijn zichtbaar: een groeiende vraag naar professionele zorg, jeugdzorg en ondersteuning via de Wmo — voorzieningen die steeds zwaarder worden belast. Niet omdat mensen minder veerkrachtig zijn, maar omdat de informele infrastructuur die vroeger vanzelfsprekend was, dunner is geworden. De druk op de overheid neemt toe, juist waar de kracht van de samenleving afneemt. Individualisering werkt goed voor wie sterk en gezond is, maar veel minder voor wie kwetsbaar is of geen netwerk heeft. Zo nemen de verschillen in kansen, welzijn en gezondheid toe. Armoede, psychische problemen en sociaal isolement versterken elkaar en stapelen zich op.
Deze ontwikkelingen zien we dagelijks in Velsen. En terwijl we herkennen dat inwoners steeds vaker bij de overheid terechtkomen met problemen die vroeger door hun netwerk werden opgevangen, moeten we tegelijkertijd onder ogen zien dat de overheid dit gat simpelweg niet kan blijven vullen. Niet financieel, niet organisatorisch, en ook niet menselijk. De samenleving moet weer in staat worden gesteld zichzelf te dragen. Dat betekent dat wij opnieuw moeten investeren in sociale netwerken, in gemeenschappen, in verbondenheid en wederkerigheid. In het omzien naar elkaar. Meer samen. Minder alleen.
Daarvoor moeten we als overheid anders kijken naar de mens. Niet als geïsoleerd individu of als calculerende consument, maar als persoon die ingebed is in relaties, tradities, cultuur en leefomgeving. Mensen ontplooien zich in wisselwerking met anderen. Vrijheid betekent niet vrijblijvendheid, maar de ruimte om je rol en verantwoordelijkheid in het leven te ontdekken. Waar gemeenschapsdenken afneemt, groeit polarisatie en ongelijkheid. Daarom moeten we opnieuw investeren in sociaal kapitaal — in de gemeenschappen die mensen dragen, vormen en verbinden.
Dat vraagt ook om een andere overheid. Een overheid die zorgzaamheid en moraal niet laat ondersneeuwen door procedures en technocratie. Een overheid die de maakbaarheid van het leven niet overschat en die erkent dat hobbels en tegenslag bij het leven horen. Niet alles is een medisch probleem. Niet alles hoeft door professionals te worden opgelost. Normaliseren is essentieel: veel kleine problemen zijn met steun van het eigen netwerk of de samenleving op te vangen, zonder dat een heel systeem in beweging hoeft te komen.
Onze opdracht is niet om mensen “goed te maken”, maar om mensen en gemeenschappen in staat te stellen goed te zijn. Dat vraagt om het stimuleren van actief burgerschap, om het aanwakkeren van eigenaarschap, verantwoordelijkheid en betrokkenheid. En het vraagt om een overheid die vooral versterkt wat er al is: de kracht van inwoners, hun gezinnen, hun buurten en netwerken.
Daarom moeten wij werken aan een sterke sociale basis. Aan preventie in de breedste zin: goede huisvesting; een gezonde leefomgeving; het ondersteunen van bestaanszekerheid; laagdrempelige voorzieningen waar mensen elkaar ontmoeten; kansen om mee te doen; toegankelijke sport-, cultuur- en welzijnsactiviteiten. Maar bovenal het versterken van de gemeenschap rondom mensen. Want een samenleving waarin mensen weer omzien naar elkaar, waarin zij elkaar helpen en elkaar dragen, is de meest duurzame vorm van preventie die we kennen.
Vanuit deze visie bouwen we verder. Een maatschappelijke visie voor Velsen moet het fundament vormen om dit gedachtegoed te vertalen naar ons beleid en onze uitvoering. In die visie geven we richting aan hoe Velsen een veerkrachtige, zorgzame en verbonden gemeente kan zijn. Waar we werken aan het versterken van de sociale basis, aan gelijkwaardige samenwerking met partners, aan preventie en vroegsignalering, en aan een manier van werken waarin we inwoners meer centraal zetten. We kiezen voor duurzame waarden, voor een lange termijnbenadering en voor beleid dat mensen ondersteunt in hun eigen kracht én in de kracht van hun gemeenschap.
Als we willen dat mensen elkaar blijven vinden, moeten we stoppen met de sociale basis als bijzaak te behandelen. De eerste opdracht is daarom helder: we bouwen de sociale basis structureel op, als fundament onder zorg, jeugd en welzijn. Dat vraagt om keuzes, continuïteit en vertrouwen. De tweede opdracht is misschien wel de moeilijkste: durven vertrouwen. Vertrouwen in inwoners, in vrijwilligers en in professionals. Alleen als vertrouwen weer het vertrekpunt wordt, kan de sociale basis echt werken en blijven mensen overeind in hun eigen omgeving.
Als we de sociale basis structureel versterken en vertrouwen weer het vertrekpunt maken, bouwen we aan een samenleving waarin mensen elkaar weten te vinden en niemand er alleen voor staat. Meer samen. Minder alleen.