
17 oktober 2026
17 oktober 2026 1 minuten lezen
Dit artikel is geschreven door Hans Goslinga, columnist
Gepubliceerd op 16 oktober 2026 in TROUW
Yesilgöz wil opnieuw lijsstrekker zijn, en dat is vooral een minachting van het mandaat van de kiezer.
“Nou Norbert, dat was het dan”, zei premier Jo Cals in de nacht van 14 oktober 1966 tegen KPV-fractieleider Norbert Schmelzer, nadat deze hem tijdens een wandelingetje op het Binnenhof de motie had laten lezen die het einde van zijn kabinet zou betekenen. “Dat vrees ik ook”, had Schmelzer geantwoord.
De Nacht van Schmelzer, waarin het christelijk-rode kabinet-Cals na krap anderhalf jaar ten val werd gebracht, was een van de meest dramatische momenten in de Nederlandse politiek. De gebeurtenis heeft diepe sporen getrokken, die tot op de dag van vandaag voelbaar zijn. Reden genoeg er in de rommelige politieke toestand van onze dagen bij stil te staan en de gevolgen in een wat langer perspectief te bezien.
Knauw
De val was in zichzelf al pijnlijk. Het kabinet-Cals was niet alleen uiterst ambitieus door het vizier op het toen nog magische jaar 2000 te richten, het plaatste ook christendom en humanisme als grondslagen van onze natie op één lijn. Dat spoorde met de ontkerkelijking en ontzuiling die in die jaren op gang kwamen, maar betekende voor protestanten en katholieken een knauw in hun beeld van Nederland als christelijke natie.
De machtige KVP-politicus Beel zich nogal neerbuigend over de PvdA uitgelaten: ‘Wij mikken hoger, wij graven dieper’. Beel was er niet zeker van dat de PvdA politiek-mentaal voldoende was toegerust om weerstand te bieden aan het goddeloze communisme – het was ook de tijd van de Koude Oorlog. Omgekeerd konden de socialisten er ook wat van. Van SDAP-leider Troelstra is de boutade: “Mijn bezwaar tegen christelijke partijen is niet dat ze christelijk zijn, maar dat ze het niet zijn”.
Land van duitentellers
Zoals zo vaak in ons land van duitentellers (een omschrijving van de eerste Amerikaanse ambassadeur John Adams) viel het kabinet-Cals over een centenkwestie, de financiering van het beleid, die volgens Schmelzer ondeugdelijk was. De casus belli onttrok het diepere motief, de rivaliteit tussen de twee grote volkspartijen die om de ziel van de natie streden, aan het oog.
Na de Nacht van Schmelzer overheerste weer de oude achterdocht en is het met de samenwerking tussen christendemocraten en sociaaldemocraten nooit meer écht iets geworden. Na de laatste christelijk-rode coalitie, Balkenende-Bos (2006-2010), verruilde de toenmalige CDA-leider Verhagen de PvdA welbewust voor samenwerking met de PVV.
Einde van onze pacificatiedemocratie
De Nacht betekende ook het voorlopige einde van onze pacificatiedemocratie, de politiek van het schikken van twisten door pragmatisch en zakelijk overleg die sinds 1917 leidend was geworden. Die traditie, die Nederland onderscheidt van de politieke cultuur in de omliggende landen, heeft nooit definitief het onderspit gedolven. Na tijden van heftige polarisatie, die uitbraken na 1966 en later na 2002, verschafte ‘de polder’ altijd weer grond onder de voeten.
In ons land is de zwaartekracht van het prozaïsche overleg uiteindelijk altijd sterker gebleken dan de poëzie van de revolutie. In onze dagen zou het helpen als de politici die redelijkheid en fatsoen predikten, zich sterker zouden laten gelden, bijvoorbeeld door de partij die haar oor leent aan de fabulanten en bellenblazers in het populistische kamp tot de orde te roepen en desnoods buiten de deur te zetten. Daarbij kan het ook helpen de ongeschreven regel af te schaffen dat je na een kabinetscrisis als vanzelf de Tweede Kamer ontbindt en nieuwe verkiezingen uitschrijft.
Die gewoonteregel behoort tot de gevolgen van de Nacht van Schmelzer. Sommige waarnemers spreken van de ‘Conventie van 1966’, alsof de regel in beton is gegoten als eis van democratische zindelijkheid. Dat is niet zo. Destijds was er reden de binnenkamer open te breken om de wolken sigarenrook te verdrijven waaruit kabinetten tevoorschijn kwamen. Op basis van de Kamerverkiezingen van 1963 waren dat er zelfs drie, waarvan het kabinet-Cals het tweede was. Dat was uit democratisch oogpunt gekkenwerk; meer openheid en versterking van de kiezersmacht waren geboden.
Kortademigheid
Maar nu schiet de regel door naar de andere kant en werkt zij een kortademigheid in de hand die regeren haast tot een onmogelijke klus maakt. Het is al haast een cliché dat Den Haag ‘permanent in de campagnestand staat’. Het kabinet zit nog niet eens acht maanden en VVD-aanvoerster Yesilgöz zinspeelde vorige week al op vervroegde verkiezingen met de aankondiging dat zij opnieuw lijsttrekker zal zijn. Met een buiging voor kiezersmacht heeft dat veel minder te maken dan met een minachting van het mandaat dat de kiezers een jaar geleden aan Den Haag verstrekten.
Het afschaffen van de gewoonteregel zou politici sterker dan nu verplichten van dat mandaat werk te maken. In dat geval geldt: vluchten kan niet meer. Het is wellicht moeilijk voorstelbaar dat D66 en CDA samen doorgaan in een kleiner minderheidskabinet, maar onmogelijk is het niet.
Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie.


17 oktober 2026

17 oktober 2026

17 oktober 2026