02 maart 2026
16 februari 2026 2 minuten lezen
Column Michaël
Een tevreden mens telt slechts voor een half
Alles waar ‘te’ voor staat is slecht, behalve tevreden. Clichématiger kan het haast niet. Toch (of juist daarom?) kan deze zegswijze een bepaalde zeggingskracht niet worden ontzegd. Want was het niet Aristoteles die de deugd begreep als het midden tussen twee ondeugden? En waar ‘te’ een tekort of juist een overmaat van het woord dat daarop volgt aanduidt, houdt tevredenheid daartussen het midden, treft het—om het populair uit te drukken—de bull’s eye tussen een ‘te’ veel en een ‘te’ weinig.
Tevredenheid is wat dat betreft misschien wel de sleutel tot levensgeluk. Wie tevreden is, neemt genoegen met wat het hier en nu hem biedt en houdt zich niet bezig met de zorgen van morgen. Maar zo heilzaam als tevredenheid is voor het leven als zodanig, zo funest kan zij zijn voor andere domeinen in het leven. Laat ik dat aan de hand van een concreet en persoonlijk voorbeeld illustreren.
Tevredenheid is misschien wel de sleutel tot levensgeluk
In 2016 begon ik aan mijn studie rechten. Mijn ambities waren bescheiden: ik zou ‘gewoon’ mijn best doen en eventuele goede resultaten als bijvangst zien. Ik nam actief deel aan de hoor- en werkcolleges, las alle voorgeschreven literatuur, en deed kort gezegd wat van mij kon worden verlangd als student. Ondanks mijn voornemen mij niet op resultaten blind te staren, bekroop mij na de eerste tentamenweek het gevoel dat er meer te halen viel. Een 8 was weliswaar prima, maar niet goed genoeg. Dat bleek althans toen ik in de statistieken zag hoe die 8 zich tot de resultaten van de andere 500+ studenten verhield. Ik moest en zou tot de beste zoveel procent behoren. Met wat geluk haalde ik een aantal keer het hoogste cijfer en kon ik mijn master met een artikel en een boek afsluiten.
Deze bloemlezing van mijn ‘prestaties’ dient niet ter meerdere ere en glorie van mezelf. Ik ben de eerste die zal toegeven dat mijn mislukkingen mijn prestaties in getal overtreffen. Wel helpen zij precies het punt te illustreren dat ik in deze column hoop te maken, namelijk dat in mijn geval ontevredenheid over de eerste tentamenweek in een direct causale relatie stond tot mijn ijver, en ik daarzonder niet dezelfde drive had kunnen opbrengen.
Ik geloof dat we in de politiek tevredenheid kunnen missen als kiespijn
De studie ging mij dus redelijk af. Toch heb ik mij nooit zo onzeker en ontevreden over het eigen kunnen gevoeld. Ik bleef achter met een zekere ambivalentie - een ambivalentie die ik pas jaren later heb leren hanteren toen ik een interview van Theo van Gogh met Pim Fortuyn terugkeek. Laatstgenoemde werd gevraagd naar de oorzaak van zijn ambitie, en daarmee samenhangend of hij vroeger misschien iets was tekortgekomen. Fortuyns antwoord was even puntig als poëtisch: frustratie zou de motor van creativiteit zijn; degene die volmaakt gelukkig is, neemt genoegen met het hier en nu en houdt het voor het overige voor gezien. Plotseling begreep ik dat met gevoelens van onvrede niets mis is, sterker: je ze op de koop moet toenemen als je écht je stempel wil drukken.
Dat ik hier uitgerekend Fortuyn aanhaal is niet zonder reden. Ik geloof dat we ook in de politiek tevredenheid kunnen missen als kiespijn. Cultiveer onvrede, laat haar gisten en tenslotte in goed politiek beleid sublimeren. Niets is immers zo’n doodsteek voor de democratie als politici die eenmaal gewend aan het gevoel van pluche zich tevredenstellen met op de winkel te passen.
