28 februari 2026 1 minuten lezen

Speech Rogier Have­laar: Samen­le­ven met ver­schil

Vandaag hield onze lijsttrekker Rogier Havelaar een speech over een thema dat ons als CDA Amsterdam na aan het hart ligt: samenleven met verschil

 

Open en persoonlijk vertelde Rogier over zijn eigen ervaring als evangelisch christen die op zijn 26e uit de kast kwam. De kerk waartoe hij 26 jaar had behoord, wees zijn homoseksualiteit af, terwijl de vrijzinnige gayscene hem juist met open armen ontving maar het kerkelijke weer afwees. 

En juist op die breukvlakken, op de drempel tussen twee werelden, daar voel ik mij gek genoeg op mijn best. Ik leer van verschillende werelden en scherp er mijn gedachten aan. 

Rogier 3 3 1 Rogier Havelaar
Lijsttrekker CDA Amsterdam

Dat verbinden is precies wat CDA Amsterdam wil doen. Niet door verschillen glad te strijken, maar door ze te erkennen én te overbruggen. Rogier pleitte voor een emancipatiepolitiek die vertrekt vanuit lotsverbondenheid: samen kijken waar mensen klem komen te zitten, en samen werken aan oplossingen. Of het nu gaat om toegankelijkheid voor mensen met een beperking, een volwassen omgang met culturele diversiteit, of een menswaardige benadering van gendervraagstukken.

De kern van zijn boodschap? Samen leven met verschil vraagt moed. Moed om onrecht te zien, moed om het te herstellen, en de moed om voorbij makkelijke frames te kijken. 

Samenleven met verschil vraagt dus niet alleen om tolerantie of mooie woorden. Het vraagt om moed, om rechtvaardigheid en om veiligheid. Voor iedereen. En op al die breuklijnen in onze samenleving waar het problematiseren van verschil eerder regel is dan uitzondering, hoop ik in de politiek mensen, in al hun diversiteit, aan elkaar te kunnen verbinden. We zijn niet compleet zonder de ander. 

Rogier 3 3 1 Rogier Havelaar
Lijsttrekker CDA Amsterdam
Lees hier de hele speech van Rogier

Beste mensen,

Het klinkt zo simpel. Samenleven met verschil. Maar lukt dat ons wel? 

Als kind in een evangelisch gezin maakte ik denk ik het laatste stukje van de verzuiling nog mee. Ik groeide op in een Christelijke omgeving met eigen boekhandels, televisiestations en jeugdverenigingen. Je had ‘ons’ en ‘de wereld’. 

Ik heb als jonge evangelische Christen altijd gezegd dat ik gemaakt ben om op breuklijnen te functioneren. Dat gevoel, van je rondom breukvlakken begeven, werd sterker toen ik uit de kast kwam. 

De kerk waartoe ik 26 jaar had behoord, wees mijn homoseksualiteit af, terwijl de vrijzinnig-progressieve gayscene mij juist met open armen ontving maar het kerkelijke weer afwees. 

En juist op die breukvlakken, op de drempel tussen twee werelden, daar voel ik mij gek genoeg op mijn best. Ik leer van verschillende werelden en scherp er mijn gedachten aan. Dat doe ik als politicus nog steeds: ik zoek graag werelden op die ongelijkvormig aan de mijne zijn om het te begrijpen en om te verbinden. 

Soms suggereren we dat onze moeilijke omgang met verschillen een kenmerk van onze tijd is. Ik betwijfel dat. Ik denk dat het van alle tijd is, maar dat de breuklijnen steeds verschillend zijn. Soms economisch, soms cultureel, soms biologisch en soms ideëel van aard. 

Verschil, zo wil ik maar zeggen, is zo oud als de mens zelf. Maar verschil hoeft niet te leiden tot vijandschap. Ik zie verschil als iets dat je kunt verdragen zonder dat je jezelf verliest. Verschil is iets dat je kunt bevragen zonder dat je de ander wegzet. Verschil is iets dat je kunt verbinden zonder dat je het gladstrijkt.

We leven in een tijd waarin het gesprek over diversiteit, identiteit en rechtvaardigheid voortdurend onder hoogspanning staat. Dat is op zichzelf al opvallend. Want als je puur naar opvattingen kijkt, naar wat mensen in enquêtes zeggen over heel veel maatschappelijke kwesties, dan blijkt vaak dat de verschillen niet explosief toenemen. Sterker nog, ik denk dat op veel vlakken onze onderlinge verschillen kleiner worden. En toch ervaren mensen polarisatie als een van de grote dreigingen.

Dat is niet zo vreemd als je ziet dat er iets anders is verschoven. Het conflict gaat steeds minder over standpunten, en steeds meer over mensbeelden. Over hoe we de ander zien. Of we die ander nog als redelijk, als benaderbaar, als mede-burger kunnen denken. Of dat we hem of haar zien als gevaar, als vijand, als “iemand van de andere kant”. Links of Rechts. Progressief Woke of Conservatief en haatdragend.

Die verschuiving is dodelijk voor democratie. Want democratie is niet het systeem waarin iedereen het eens wordt. Democratie is het systeem waarin we het oneens kunnen zijn zonder elkaar te ontmenselijken.

En precies daar lopen we vast.

We hebben woorden gekregen die het conflict organiseren. “Woke” en “anti-woke” zijn daar het bekendste voorbeeld van. U kent de dynamiek: het woord is allang niet meer bedoeld om precies te zijn. Het is bedoeld om te positioneren. Het zet mensen in kampen. Het schept een morele hiërarchie: hier de goeden, daar de slechten. Hier de verlichten, daar de achterblijvers of omgekeerd. En helaas krijgen woorden als LINKS en RECHTS dezelfde connotatie. 

Het tragische is: zodra je die woorden in de mond neemt, is het gesprek al half verloren. Niet omdat je niets meer zou mogen zeggen, maar omdat het raamwerk al klaar staat: ieder argument wordt geïnterpreteerd als aanval of verdediging. Iedere nuance als zwakte. Iedere vraag als verdachtmaking.

En social media, met hun logica van snelheid, verontwaardiging en beloning van het scherpe, hebben dat effect vergroot. Het is alsof we zijn gaan denken dat publieke opinie hetzelfde is als de ongefilterde reflex. Terwijl publieke opinie juist iets anders zou moeten zijn, namelijk het resultaat van een volwassen gesprek waarin argumenten botsen, en waarin we onszelf laten corrigeren.

Onder die verharde debatten ligt nog iets diepers: een beweging die al decennia loopt. We hebben een sterke culturele verschuiving meegemaakt van ‘wij’ naar ‘ik’. Autonomie en zelfbeschikking zijn dominante waarden geworden. Dat heeft ons veel gebracht: ruimte voor individuele ontplooiing, vrijheid voor minderheden, emancipatie op terreinen waar vroeger simpelweg zwijgen de norm was.

Maar er zit een paradox in. Hoe meer we de mens opvatten als autonoom individu, hoe meer we tegelijk hunkeren naar erkenning, naar gezien worden, begrepen worden, bevestigd worden. 

De moderne mens wil vrij zijn, maar niet onzichtbaar. Hij wil zichzelf ontwerpen, maar niet alleen dragen. Hij wil uniek zijn, maar ook ergens bij horen.

Dat maakt identiteitsvragen zo geladen. Want identiteit is niet alleen “wie ben ik?”, maar ook: wie ben ik voor jou? Welke plaats gun je mij? Welke woorden gebruik je? Welk beeld heb je van mij? En wat gebeurt er als ik vermoed dat jouw beeld van mij mij klein maakt, of reduceert, of uitwist?

De strijd om erkenning is dus niet zomaar een culture oorlog. Het raakt aan waardigheid. En juist daarom loopt het zo snel uit de hand. Omdat we in het debat vaak doen alsof het louter gaat over woorden, terwijl het in feite gaat over bestaan.

Als je deze arena betreedt, met termen als diversiteit, inclusie, discriminatie, emancipatie dan is het verleidelijk om te blijven hangen in algemene waarheden. “Iedereen moet zichzelf kunnen zijn.” “We moeten inclusief zijn.” “Discriminatie is slecht.” Allemaal waar.

Maar juist omdat het allemaal waar is, kan het ook leeg worden. Politiek en bestuur krijgen dan veel intentie, veel taal, veel programma’s, maar het blijft moeilijk om te zeggen wat we precies bedoelen. 

En als je niet precies weet wat je bedoelt met inclusie, weet je ook niet wat je uitsluit. Als je emancipatie niet definieert, weet je ook niet wanneer je achterstelling daadwerkelijk vermindert. En als je discriminatie uitsluitend als morele categorie behandelt, maar niet als patroon dat zich in instituties nestelt, dan bestrijd je vooral de symptomen die je ziet, en niet de structuren die je niet ziet.

Begrippen zijn dus politieke instrumenten. Ze bepalen hoe we waarnemen. Ze bepalen waar we op sturen. Ze bepalen ook wie er wordt geholpen, en wie er tussen wal en schip valt.

Wie emancipatie serieus neemt, moet beginnen met een erkenning van onrecht. Er bestaan gemarginaliseerde groepen. Er bestaan achterstanden die niet door “eigen schuld” zijn te verklaren. Er bestaan mechanismen—bewust en onbewust—die mensen op basis van afkomst, gender, beperking, geaardheid, religie, of sociale klasse op achterstand zetten.

Dat benoemen is geen hobby van progressieven. Het is de kern van beschaving: dat je ziet waar mensen niet tot hun recht komen.

Maar dan komt de vraag: hoe organiseer je de strijd tegen dat onrecht?

Identiteitspolitiek is één antwoord, politiek organiseren langs de sociale identiteit van groepen, gekoppeld aan een gedeelde ervaring van onrecht. Maar op die manier ontstaat een samenleving van “wij” en “zij” die elkaar niet meer nodig hebben, maar vooral wantrouwen. 

Dan wordt de publieke ruimte een arena van morele zuiverheid. Dan wordt het makkelijker om te veroordelen dan om te begrijpen. En dan verandert emancipatie, die bedoeld is om mensen vrij te maken, paradoxaal genoeg in een systeem dat mensen opnieuw vastzet. In categorieën. In stereotypes. In het onvermogen om elkaar nog als meervoudige personen te zien.

Ik geloof daarom dat we een ander anker nodig hebben dan “identiteit” als politieke kern. Niet omdat identiteit er niet toe doet, maar omdat identiteit te vaak wordt behandeld alsof het een vaste kern is, een essentie. Terwijl het menselijk leven meervoudig is. Contextueel. In beweging. Niemand is één ding. Niemand is alleen maar “de vrouw”, “de moslim”, “de witte man”, “de transpersoon”, “de gehandicapte”. Zodra we zo gaan spreken, hebben we al gereduceerd.

En zodra we reduceren, verarmen we onze morele verbeelding. We zien de ander niet meer als mens, maar als vertegenwoordiger van een type.

Daarom schuif ik iets naar voren dat in mijn ogen productiever is dan identiteit alleen: het mensbeeld.Een mensbeeld is de verborgen architectuur van beleid. Het is de set aannames waarmee je de samenleving leest.

Zie je de mens primair als autonoom individu? Dan organiseer je beleid rond keuzevrijheid en minimale bemoeienis. Zie je de mens als homo economicus? Dan organiseer je beleid rond prikkels, rendement, kosten-baten. Zie je de mens als risico? Dan bouw je systemen die controleren, wantrouwen, afschrikken. Zie je de mens als maakbaar project? Dan ga je over tot engineering en dan is het een kleine stap naar het idee dat wat niet past, gecorrigeerd moet worden.

De christendemocratische traditie biedt hier een ander mensbeeld: de mens als waardigheid dragend, relationeel, antwoordend, maatschappelijk betrokken, en tegelijk kwetsbaar. De mens is niet alleen vrij, maar ook verantwoordelijk. Niet alleen individueel, maar ook ingebed. Niet alleen sterk, maar ook afhankelijk. En juist vanwege dit gelaagde mensbeeld voel ik mij zo thuis in de Christendemocratie. 

Dat mensbeeld heeft politieke consequenties. Het maakt dat je wantrouwen corrigeert met vertrouwen. Dat je instrumentele logica corrigeert met waardigheid. Dat je niet alleen vraagt: “wat levert het op?”, maar ook: “wat doet dit met mensen?”, met hun bestaan, hun relaties, hun kansen om tot ontplooiing te komen.

Vanuit dat mensbeeld ontstaat een ander politiek perspectief: emancipatiepolitiek.

Emancipatiepolitiek vertrekt niet vanuit het maximaliseren van groepsverschil, maar vanuit lotsverbondenheid. Niet om verschillen te ontkennen, maar om ze te plaatsen binnen een gedeelde morele horizon: menselijke waardigheid, gelijke kansen, rechtvaardige participatie.Ze begint bij concrete problemen: waar komen mensen klem te zitten? Waar worden ze buitengesloten? Waar zijn instituties blind? Waar werkt de status quo bevoordelend voor sommigen, en beknellend voor anderen?

Emancipatiepolitiek is dus een politiek van aandacht. Zien. Erkennen. En vervolgens handelen.

Drie plekken waar het schuurt: beperking, multiculturele diversiteit, gender

Als we dat serieus nemen, moeten we ook concreet durven worden. Niet omdat we alles willen oplossen met beleid, maar omdat rechtvaardigheid zich pas bewijst waar het ingewikkeld is.

  1. Neem leven met een beperking. 

We leven in een cultuur die gezondheid vaak als norm neemt en productiviteit als maatstaf. Dat maakt het mensbeeld instrumenteel: wie bijdraagt, telt mee; wie afhankelijk is, wordt al snel gezien als kostenpost. Dat is een ongezonde samenleving.

De correctie is niet paternalistisch medelijden. De correctie is het besef dat kwetsbaarheid geen afwijking is, maar een kern van het menselijk bestaan. De vraag is dus niet hoe “zij” mee mogen doen in “onze” wereld, maar hoe de samenleving zo wordt ingericht dat mensen volwaardig kunnen leven. 

  • Fysiek toegankelijke gebouwen, publieke ruimte.
  • Digitaal, overheid en dienstverlening die werkelijk toegankelijk zijn.
  • Sociaal bestaanszekerheid, werk dat loont, minder bureaucratische valkuilen. En
  • Cultureel, het doorbreken van stigma’s die mensen reduceren tot hun tekort.
  1. multiculturele diversiteit. 

Hier zien we hoe makkelijk het debat kantelt naar twee extremen: ofwel het verhaal van een bedreigde, vermeend oorspronkelijke cultuur, alsof cultuur ooit statisch was. Ofwel een vorm van morele simplificatie waarin conflict altijd wordt gelezen als onverdraagzaamheid van de meerderheid, en nooit als complexe werkelijkheid van wederkerigheid, botsende waarden, en soms ook reële problemen.

Een volwassen benadering begint met één simpele erkenning: cultuur is dynamisch. Tradities veranderen. Betekenissen verschuiven. Ook “de Nederlandse cultuur” is geen museumstuk, maar een voortdurend proces. En juist dat besef, dat cultuur in beweging is, maakt integratie mogelijk zonder onderwerping. Integratie is toetreden tot een gemeenschappelijk huis dat altijd onderhoud vraagt.

Maar binnen die openheid moet je ook durven benoemen wat niet deugt: racisme, institutionele patronen, uitsluiting, etnisch profileren, discriminatie op de arbeidsmarkt. Niet als morele stok om mee te slaan, maar als realiteit die kansen kapotmaakt. En daar hoort politiek bij: niet alleen woorden, maar consistent beleid, en het vermogen om te onderscheiden tussen principiële grenzen van de rechtsstaat en ruimte voor pluriformiteit.

  1. Neem gendervraagstukken. 

Misschien wel het terrein waar de emoties het snelst oplopen. Juist daar is nuance geen luxe, maar noodzaak. Ik denk dat we twee fouten moeten vermijden. De eerste is ontkenning: doen alsof incongruentie tussen sekse en gender niet bestaat, alsof de wereld netjes in twee vakjes past. De tweede is ideologische overdrijving: een discours waarin zelfidentificatie tot absolute norm wordt verheven, en daarmee ook iets dwangmatigs heeft, ook richting anderen, en ook richting instituties.

Een menswaardige weg erkent transgender als feit, als diep beleefde realiteit die zorg, erkenning en bescherming verdient. En ze blijft tegelijk nuchter over domeinen waar belangen botsen: sport, waar eerlijkheid en veiligheid een rol spelen; zorg, waar wachttijden en kwetsbaarheid en wilsbekwaamheid vragen om zorgvuldigheid. De taak van politiek is hier niet het uitroepen van dogma’s, maar het organiseren van een rechtvaardige, menswaardige balans, met ruimte voor wetenschap, voor voortschrijdend inzicht, voor voorzichtigheid.

En dan komt de vraag: wat is de rol van de overheid in dit alles?

Ik geloof dat we twee misverstanden moeten vermijden.

Het eerste misverstand is dat de overheid zich nergens mee moet bemoeien, omdat dit allemaal “culturele kwesties” zijn. Dat is een manier om onrecht te laten voortbestaan onder het mom van neutraliteit.

Het tweede misverstand is dat de overheid de leverancier van de goede normen en de juiste cultuur zou moeten zijn. Dat leidt tot verstatelijking van moraal. En ironisch genoeg leidt dat vaak tot minder diversiteit, omdat één tijdgebonden perspectief dan normerend wordt. Overigens vind ik dat de ‘verstatelijking van moraal’ in Amsterdam hoogtijdagen beleeft met het huidige stadsbestuur. 

Wat dan wél? De overheid als hoeder van publieke gerechtigheid. Dat betekent: rechten beschermen, bestaansbasis waarborgen, ruimte scheppen voor gemeenschappen, grenzen trekken waar waardigheid wordt geschonden. En dat alles met respect voor subsidiariteit: veel moet juist van onderop komen, uit verbanden, gemeenschappen, scholen, sportclubs, werkvloeren, buurten.

Emancipatie is dus niet primair een overheidsproject. Het is een maatschappelijk proces. Maar de overheid heeft de plicht om het proces mogelijk te maken—en soms af te dwingen waar onrecht structureel is.

Laat ik eindigen met iets dat misschien klinkt als een grote zin, maar eigenlijk heel praktisch is.

Er wordt weleens gezegd: democratie is niet voor bange mensen. Dat is waar. En samenleven met verschil ook niet. Onze samenleving ís divers, mensen zíjn verschillend. En dat trekt breukvlakken, dat werpt drempels tussen mensen op en die drempels zijn spannend. 

Het is onze taak om daarin het onrecht te zien. Onrecht zien vraagt moed. Onrecht herstellen vraagt nog meer moed. Want het botst soms met de status quo, soms met je eigen reflexen, soms met je eigen achterban, soms met de electorale logica die zegt: kies het makkelijke frame.

De populistische route is: de noodzaak van emancipatie ontkennen door diversiteit tot bedreiging te maken. De progressieve verleiding is: ideologie boven concrete problemen stellen en het morele gelijk als politiek instrument gebruiken. Beide routes leiden tot hetzelfde eindpunt: mensen worden niet gezien in hun concreetheid, maar gebruikt als symbolen in een strijd.

Mijn route is om te zeggen: jij en ik zijn verschillend. De vraag is niet: wat vind ik van jou, maar de noodzakelijke erkenning is: zonder jou, met al je voor mij gekkigheden, eigenaardigheden, met dingen die ik anders zie of anders beleef. Zonder die prachtige jij, ben ik niet compleet. En dat betekent ook dat een samenleving pas compleet is als niemand structureel buiten beeld raakt.
Niet omdat we dan een moreel keurmerk verdienen, maar omdat we anders onze eigen democratische samenhang ondermijnen. 

Toen ik op mijn 26e uit de kast kwam, ontdekte ik dat veiligheid niet hetzelfde is als vertrouwdheid. De wereld waarin ik was opgegroeid voelde lang veilig, maar bleek mij op dat beslissende moment niet werkelijk te kunnen ontvangen. En een wereld die ik eerder als vreemd en onveilig zag, bood mij juist ruimte, maar stond weer heel negatief tegenover mijn kerkelijke achtergrond.  Sindsdien weet ik: veiligheid is de ruimte om zichtbaar te worden zonder angst, zonder vernedering, zonder verlies van waardigheid, zonder iets van jezelf te hoeven verstoppen.

Daarom is veiligheid geen bijzaak van emancipatie, maar de voorwaarde ervoor. Alleen waar mensen veilig zijn, kunnen ze verschillen uithouden, zichzelf laten zien en volwaardig deelnemen aan het publieke leven. Dat vraagt niet alleen om maatschappelijke moed, maar ook om een overheid die haar basistaken serieus neemt: rechtsbescherming, handhaving, bestrijding van intimidatie en geweld. Daarom doet falende wetshandhaving er wat het CDA betreft politiek en moreel zo toe.

Samenleven met verschil vraagt dus niet alleen om tolerantie of mooie woorden. Het vraagt om moed, om rechtvaardigheid en om veiligheid. Voor iedereen. En op al die breuklijnen in onze samenleving waar het problematiseren van verschil eerder regel is dan uitzondering, hoop ik in de politiek mensen, in al hun diversiteit, aan elkaar te kunnen verbinden. We zijn niet compleet zonder de ander. 

Dank u wel.

Rogier Havelaar, CDA Amsterdam, 28 februari 2026

Bekijk hier de hele speech van Rogier.

 

Lees
ver­der