
24 januari 2026
19 januari 2026 1 minuten lezen
Tijdens het debat de Wet werkelijk rendement box 3 uitte Inge van Dijk namens het CDA haar ongemak over hoe het repareren van box 3 verworden is tot een fiscale soap. De wet die nu voorligt noemde Inge een "tussenstap richting een rechtvaardiger en juridisch houdbaar belastingstelsel."

Het nieuwe box 3-stelsel is in de ogen van de CDA-fractie beter dan het failliete forfaitaire selsel omdat het beter aansluit bij het werkelijk rendement, maar blijft in de kern problematisch. Zolang er belasting wordt geheven op basis van aannames in plaats van feitelijke opbrengsten, blijft er sprake van rechtsongelijkheid.
Fiscale eenvoud mag niet ten koste gaan van rechtvaardigheid
Fiscale eenvoud mag voor het CDA niet ten koste gaan van rechtvaardigheid. Box 3 laat zien dat een systeem dat is gebaseerd op fictie het draagkrachtprincipe ondermijnt. Daarom is het nieuwe stelsel geen definitieve oplossing, maar slechts een tussenstap richting een rechtvaardiger en juridisch houdbaar belastingstelsel.
Dankjewel, voorzitter. Ik heb in het kerstreces best wel wat tijd besteed aan dit onderwerp, omdat het natuurlijk belangrijk is. Toen ik van dit weekend dit stuk er weer bij pakte, betrapte ik mezelf erop — en dat heb ik nog nooit gedaan — dat ik het stuk een titel had gegeven: "Hoe belasting op sparen en beleggen een soap werd." Dat heeft natuurlijk ook wel een aanleiding.
Even een stapje terug voordat we over de toekomst gaan praten. Box 3 is ooit bedacht als iets gemakkelijks: de overheid ging ervan uit dat je met spaargeld en beleggen altijd wel wat verdiende; over dat veronderstelde rendement betaalde je dan belasting. Dat werkte prima zolang sparen nog rente opleverde. Maar de tijden veranderden: de rente daalde richting nul en spaarders zagen hun vermogen nauwelijks groeien, maar toch bleef de belastingaanslag komen. Dat voelde steeds onrechtvaardiger. "Is dat belasting betalen over geld dat ik niet verdien?" Dat vroegen veel mensen zich af. In 2021 trok de Hoge Raad aan de noodrem. In het zogeheten kerstarrest werd vastgesteld dat het systeem niet eerlijk was; de wet moest op de schop. Alleen bleek een goed alternatief lastig te maken.
De oplossing werd een tijdelijke noodmaatregel. Daarbij wordt er onderscheid gemaakt tussen spaargeld en beleggingen, maar rekent de Belastingdienst nog steeds met aannames in plaats van de echte opbrengst. Voor veel mensen voelt dat als half werk, dat niet aansluit op de werkelijkheid waar zij mee te maken hebben.
Nu ligt er een plan voor een nieuwe wet waarmee er belasting kan worden geheven over het werkelijke rendement. Dat klinkt logisch, maar roept nieuwe vragen op. Wat als je beleggingen op papier meer waard worden, maar je geen geld in handen krijgt? Hoe ingewikkeld wordt de administratie? Waarom kiezen we in Nederland wéér voor een systeem dat afwijkt van de manier waarop de rest van de wereld het doet? Wat begon als een simpele belasting, is uitgegroeid tot een fiscale soap zonder duidelijke ontknoping. Of misschien komt er vandaag toch een begin van een ontknoping. Laten we daar in ieder geval voor gaan.
Voorzitter. In de afgelopen jaren hebben wij, maar ook vele anderen uit de wetenschap en de praktijk, gepleit voor een systeem van werkelijk rendement op basis van een volledige vermogenswinstbelasting in plaats van de hybride variant die nu voorligt. We blijven moeite houden met een systeem dat niet-liquide waardestijgingen belast en waarbij er wéér wordt gekozen voor een afwijkende behandeling binnen ons fiscale stelsel. We wijken ook af van andere landen.
Keer op keer zijn onze vragen hierover met halve of nietszeggende antwoorden afgedaan, waardoor het idee om een andere route in te slaan wat ons betreft niet echt een serieuze kans heeft gehad. Dat is jammer, want wij zouden graag een robuuster en helderder stelsel ingevoerd hebben. Maar de tijd begint te dringen. Nu staat voorop dat er zo snel mogelijk een nieuw systeem moet worden ingevoerd dat de huidige onhoudbare Overbruggingswet en tegenbewijsregeling vervangt. Wat ons betreft, gaan we als Kamer nu geen wijziging van deze wet doorvoeren die implementatie vertraagt, want verder uitstel is gewoonweg onwenselijk en onverstandig.
Dat betekent voor ons echter niet dat dit de eindstreep is. Wij willen graag dat het nieuwe systeem wordt doorontwikkeld naar een "box 3 2.0". Daarvoor hebben wij een aantal wensen. Het toekomstige gesprek hierover begint ermee dat wij onze wensen transparant op tafel leggen. Zoals gezegd, wil het CDA uiteindelijk naar een situatie van volledige vermogenswinstbelasting. De nadelen hiervan zijn al meerdere malen toegelicht, maar het is toch gewoon logisch en eerlijk dat je alleen belasting betaalt over werkelijk verdiende winst en niet over denkbeeldige groei? Wat ons betreft maakt de vermogensaanwasbelasting inbreuk op het draagkrachtbeginsel, omdat ervan uit wordt gegaan dat er voldoende andere middelen zijn om een heffing over niet gerealiseerd vermogen te betalen. Ook houden wij de fiscaliteit liever coherent door de nieuwe box 3 in lijn te brengen met de bestaande systematiek in box 1 en box 2 en met die in de rest van de wereld. Andere landen hebben ook een manier gevonden om met zogenaamde lock-ineffecten om te gaan, bijvoorbeeld door het hanteren van meerdere tarieven. Die hoeven wat ons betreft dus geen showstopper te zijn. Dat doen we inmiddels immers ook in box 2.
Voorzitter. Ik zou ook graag nog eens de budgettaire opbrengst van een volledige vermogenswinstbelasting in kaart gebracht willen zien, zeker omdat de opbrengsten mogelijk hoger zijn doordat beleggingen kunnen doorgroeien. Dit doet namelijk ook iets met de directe rendementen die wel jaarlijks in de heffing worden betrokken.
Nog een belangrijk voordeel is dat dit het langetermijnbeleggen stimuleert. Dat stimuleert dan ook de economische groei weer. Dat is een onderwerp waar we het hier in de Kamer op dit moment veel over hebben. Hoe krijgen we meer geld van sparen naar beleggen en dus in onze Nederlandse economie? Samengestelde groei is nu eenmaal sterker.
Voorzitter. Een moeilijk punt was steeds de vooraf ingevulde aangiften. Banken hebben inmiddels aangegeven dat ze met twee jaar meer voorbereidingstijd een volledige vermogenswinstbelasting in kunnen voeren. Zou de staatssecretaris nogmaals in kunnen gaan op de argumenten over onuitvoerbaarheid ten aanzien van een volledige vermogenswinstbelasting? Gegevens uit het verleden zouden vanwege de step-up die per inwerkingtreding zou gaan gelden, namelijk geen probleem moeten zijn. Banken kunnen wel gegevens over buitenlandse klanten verstrekken op basis van een vermogenswinstbelasting in andere landen. Hoe rijmt hij dat in dit licht met de bezwaren?
Daarnaast voeren we een win-winregeling in Nederland in om ons investeringsklimaat verder te versterken. Dat betekent een faciliteit in box 3 om fiscaal gunstig een lening te verstrekken aan mkb-bedrijven. Ons toekomstig verdienvermogen staat of valt met investeringen die we hierin met elkaar willen doen, en deze faciliteit kan dat weer de goede kant op duwen. Maar dit verhaal kent de staatssecretaris inmiddels wel van het CDA, want dat heeft hij al heel vaak van ons gehoord. Hiervoor is dus een aanpassing in box 3 nodig. Is de staatssecretaris op koers met het door hem toegezegde onderzoek naar mogelijkheden om beleggen fiscaal te stimuleren in de eerste helft van 2026? Ziet hij mogelijkheden dat een dergelijke faciliteit snel kan worden ingevoerd zonder het nieuwe stelsel naar achter te schuiven?
Voorzitter. Ook zouden we graag zien dat sparen voor je eerste huis — wij noemen dat altijd het oude bouwsparen — weer terugkomt en fiscaal vriendelijker behandeld gaat worden. Het CDA vindt het verstandig dat jongeren zich kunnen voorbereiden op de aankoop van een woning door daar gericht voor te sparen, zodat zij zich niet tot hun nek in de schulden hoeven te steken bij het kopen van hun eerste huis. Wat ons betreft wordt dat op termijn gecombineerd met een wat lagere zogenaamde loan-to-value, zodat we de stijgende huizenprijzen richting de toekomst ook wat verder kunnen dempen.
Ten vierde: een goede en snelle implementatie van de winstdelingsregeling voor start-ups en scale-ups zoals het kabinet heeft toegezegd. Dank voor de brief hierover. Wij zien ernaar uit om dit voorstel snel in de Kamer te bespreken.
Voorzitter. Dit is onze inzet richting de toekomst. Dat betekent niet dat we ons voor de komende jaren al helemaal kunnen vinden in het voorliggende voorstel, want op een aantal onderdelen heb ik nog wel wat vragen en zie ik wat risico's, allereerst wat de uitvoering betreft. Het kabinet is er, in tegenstelling tot de Raad voor de rechtspraak, van overtuigd dat inwoners het nieuwe stelsel als rechtvaardig gaan ervaren en dat we dit gaan terugzien in minder bezwaren. Maar rekent de overheid zich hiermee niet erg rijk? Het CDA is er niet zo van overtuigd dat het vertrouwen in box 3 weer heel snel terug gaat komen. Zeker in de eerste jaren na de implementatie gaan we dat, denken wij, wel degelijk merken. Dat is nou juist de meest spannende periode voor de Belastingdienst, als het gaat om het aantrekken van de juiste mensen en de juiste aantallen mensen om het nieuwe stelsel op een goede manier te kunnen implementeren. Want een stelsel op basis van werkelijk rendement is rechtvaardiger maar ook complexer.
Het kabinet schrijft dat vanwege de toename van complexiteit bij de Belastingdienst een uitbreiding van de personele capaciteit van circa 900 fte nodig is. De verwachting is dat de werving in de transitieperiode van drie tot vijf jaar na inwerkingtreding van de wet niet gerealiseerd kan worden. In de transitieperiode zal hierdoor het niveau van dienstverlening en toezicht onvoldoende zijn. Wat zijn de gevolgen als deze mensen niet kunnen worden aangetrokken voor uitvoering en handhaving? Kan de staatssecretaris het iets meer concreet maken? Stel dat er een tegenvaller is van 10% in het aantrekken van mensen. Wat wil dit dan concreet zeggen in de praktijk?
Met name op het gebied van waarderingsdeskundigen zien we een probleem. En laat dit nou net de grootste categorie onder die 900 fte zijn, namelijk 205 fte. Zouden deze aantallen waarderingsdeskundigen ook nodig zijn in een situatie van volledige vermogenswinstbelasting, is onze aanvullende vraag.
De Belastingdienst geeft aan de onhaalbare wervingsopgave te willen oplossen met extra data. Wat wordt daar precies mee bedoeld?
Met onvoldoende dienstverlening en toezicht wordt het risico gelopen dat de bereidheid bij belastingplichtigen om vrijwillig te voldoen aan fiscale verplichtingen afneemt. Hier staat dus een hele grote vlag. Ik wil de staatssecretaris dan ook vragen hier nog een keer op te reageren. Zien we in dit kader inmiddels positieve ontwikkelingen of is de vlag inmiddels verder dieprood aan het kleuren?
Dan even door over uitvoering. Een goed functionerende ICT is randvoorwaardelijk. De uitfasering van CoolGen in relatie tot lopende herstelwerkzaamheden van box 3 vraagt veel en voortgang is bepalend voor de implementatie van het nieuwe stelsel. Zijn er signalen dat de lopende herstelwerkzaamheden verdere vertraging tot gevolg hebben of liggen we op koers?
Rechtvaardigheid versus complexiteit merken ook inwoners. Overigens delen wij de stellingname van het kabinet dat iets meer aanleveren door inwoners om werkelijk rendement aan te kunnen tonen niet per se problematisch hoeft te zijn. Maar wat eenvoudiger kan naar de toekomst toe moet ook echt eenvoudiger. We vragen dan ook een toezegging van de staatssecretaris om zich hiervoor in te blijven zetten en de Kamer hier jaarlijks over te informeren.
Voorzitter. Ten tweede heb ik zorgen over liquiditeitsrisico's ten aanzien van de vermogensaanwasonderdelen. Zo kan er wel degelijk een juridisch risico zijn als de heffing hoger is dan wat er aan liquide vermogensinkomsten aanwezig is. Het lijkt ons juridisch lastig te verantwoorden als mensen vermogen van de hand moeten doen om de belasting te kunnen betalen. Wij denken dat het goed is om hierover de komende tijd signalen te verzamelen via de Belastingdienst zelf en eventuele rechtszaken die hierover worden gestart, deze te inventariseren en hierover jaarlijks aan de Kamer te rapporteren. Er kan ook prima hulp gevraagd worden aan belastingadviseurs. Zij kunnen signalen en knelpunten met de Belastingdienst delen, bijvoorbeeld na aangiftedatum. Is de staatssecretaris bereid om dit op te pakken? Het kan namelijk vooral wrang uitpakken voor mensen die niet heel veel ander vermogen hebben, bijvoorbeeld omdat zij te maken krijgen met een incidentele hoge koersstijging en daardoor een hoge heffing, waardoor zij aandelen moeten verkopen om de heffing te kunnen betalen.
Voor familiebedrijven is niet de uitzondering van vermogensaanwas doorgevoerd, omdat dat volgens het kabinet zou leiden tot staatssteun. Concreet betekent dit dat over de waardestijging van aandelen in familiebedrijven jaarlijks vermogensaanwasbelasting moet worden betaald, ook als deze niet beursgenoteerd zijn en dus jaarlijks moeten worden gewaardeerd. Ook dit zijn geen liquide inkomsten. Het karakter van een aandeel in een familiebedrijf is wel echt anders. Daar verkoop je er niet zomaar even eentje van; die wil je behouden als lid van de familie. Dat noopt familiebedrijven dus tot hogere dividenduitkeringen, zodat de heffing kan worden betaald. Juist dat doet weer wat met de reserves die bestemd zijn voor de bedrijfsvoering.
Zouden er voor aandelen in familiebedrijven langere betalingsregelingen kunnen worden gehanteerd, omdat deze aandelen langer aangehouden worden en minder liquiditeit genereren dan reguliere beleggingsportefeuilles? Want hoewel het kabinet aangeeft dat het geen betalingsproblemen verwacht voor het overgrote deel van de belastingplichtigen, moeten we dit wat ons betreft goed in de gaten blijven houden en moeten we ons hier de komende tijd actief over laten informeren. Als er geen problemen ontstaan is dat natuurlijk goed, maar als er wel knelpunten zijn, is het goed om daar eventueel met elkaar iets aan te kunnen doen. Ik sluit me ook aan bij de vragen van de SGP en BBB.
Het sluitstuk van het risico van mogelijke liquiditeitsproblemen, is de heffing over het belastbare rentebestanddeel bij kapitaalverzekeringen, waarbij er niet gewacht wordt tot de kapitaalverzekering daadwerkelijk wordt uitgekeerd. Ook verzekeraars kaarten dit aan als problematisch, maar vanwege de lange periodes waarover volgens het kabinet de rente zou moeten worden bijgehouden, is het onuitvoerbaar en moet er direct worden belast. Het kabinet verwijst ook hierbij naar een betalingsregeling.
Misschien moeten we onszelf de bredere vraag stellen of ruimere betalingsregelingen überhaupt zouden moeten worden toegestaan in bepaalde situaties, of bijvoorbeeld met minder bewijslast, zodat je niet pas toegang krijgt tot de betalingsregeling wanneer je hebt bewezen dat je inkomen echt ontoereikend is, maar die toegang gemakkelijker direct op aanvraag kan worden toegekend. Denk bijvoorbeeld aan spreiden over twaalf maanden. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar?
Voorzitter. Ten derde wil ik ingaan op vastgoed in box 3. In het wetsvoorstel wordt een vastgoedbijtelling geïntroduceerd voor de berekening van de economische huurwaarde voor onroerende zaken die niet worden verhuurd. Dit vindt het kabinet redelijk, omdat een tweede woning vermogen is en dus potentieel rendement genereert via waardestijging. Maar daar reken je toch ook al over af bij verkoop? Kan de staatssecretaris de redelijkheid nog een keer goed toelichten? 3,35% forfait voor iemand die maar een klein deel van het jaar gebruikmaakt van zijn vakantiewoning, tikt wel erg hard aan. De vastgoedbijtelling van 3,35% is gebaseerd op rendementen voor reguliere huurwoningen, terwijl vakantiewoningen doorgaans een veel lager rendement opleveren. Het onderzoek van SEO waarnaar verwezen wordt, ziet alleen op het rendement van huurwoningen. Is de staatssecretaris bereid het onderzoek te laten aanvullen door ook de rendementen op vakantiewoningen te toetsen? Die hebben immers echt andere kenmerken, zoals seizoensgebondenheid. Het lijkt ons terecht dat het forfait herijkt wordt, mochten hier andere resultaten uit volgen. Wij zien ook hierbij namelijk een juridisch risico dat zo'n hoog forfait voor een vakantiewoning inbreuk maakt op het recht op ongestoord genot van je bezit. Als er iets is wat we niet kunnen gebruiken, is het nieuwe juridische risico's.
Voorzitter. We lezen dat de woningen van vermogenden met een aflossingsvrije hypotheek in de nieuwe box 3 kunnen worden opgebracht, waar aftrek van zo'n hypotheek in mindering gebracht kan worden. Kies de juiste hoogte van je hypotheek en je creëert een hypotheekrenteaftrek in box 3 terwijl de hypotheek niet wordt afgelost. Dat werkt natuurlijk alleen voor mensen die ook ander vermogen in box 3 hebben, waar ze de renteaftrek tegen af kunnen zetten. Echter, is dat de bedoeling? Dat vragen wij ons af. Graag een visie van de staatssecretaris hierop.
Ten vierde, voorzitter, een vermogenswinstbelasting voor de start-ups. Voor aandelen in startende bedrijven geldt een vermogenswinstbelasting voor de eerste vijf jaar van het bedrijf. Maar wij vragen ons af: is vijf jaar wel lang genoeg? Waarom sluiten we niet aan bij de fiscale regeling voor medewerkersparticipatie, waar start-ups en scale-ups onder vallen, door de beschikking van RVO te volgen voor de heffing? Die heeft een geldigheidsduur van acht jaar en kan worden verlengd met periodes van vijf jaar indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Voordat een bedrijf een beetje waarde opbouwt en de aandelen in waarde stijgen, gaan er echt wel een aantal jaren voorbij. Is zo'n langere periode niet juist ook belangrijk voor de aandelen van medewerkers, omdat die na vijf jaar ook vaak geen liquide middelen zullen hebben? Is hierover voldoende overleg geweest met de start-upsector en is gekeken welke termijn op de praktijk aansluit?
Ik wil even doorgaan op de praktijk voor niet-beursgenoteerde aandelen. We hebben gevraagd of op praktische wijze kan worden omgegaan met het jaarlijks aanleveren van de waardering van niet-beursgenoteerde aandelen door uit te mogen gaan van de gedeponeerde jaarrekening van de entiteit waarin de aandelen worden gehouden. Het kabinet staat daar niet negatief tegenover. Het zegt dat het vormvrij is, net als in het huidige systeem. Daarom vindt het kabinet het niet nodig om dit in de wet op te nemen, maar men merkt wel op dat er via een ministeriële regeling invulling gegeven kan worden aan de verplichting waaraan een belastingplichtige dient te voldoen, waardoor de belastingplichtige meer rechtszekerheid zal ervaren. Deze regeling moet nog nader worden onderzocht en uitgewerkt. Rechtszekerheid en rechtsbescherming zijn voor het CDA heel belangrijk. Het lijkt ons dus goed om belastingplichtigen zo praktisch mogelijke handvatten te bieden. Een ministeriële regeling hiervoor is een goed idee. Is de staatssecretaris bereid om deze regeling verder uit te werken samen met de box 3-adviespraktijk, zodat die zo goed, duidelijk en praktisch mogelijk aansluit bij het werk van de adviseurs en de praktijk voor box 3-belastingplichtigen?
Voorzitter. Ten vijfde de evaluatie van de wet. Het kabinet is zich bewust van de toename van de complexiteit en de bijbehorende risico's, maar toch stelt het kabinet voor om de wet pas na vijf jaar te evalueren. Is het, gezien de wetsgeschiedenis in combinatie met de complexiteit en de risico's die we nu al kennen, niet verstandiger om dit naar voren te halen en de wet na drie jaar te evalueren? We willen tijdig kunnen bijsturen op deze wet, waarbij nog zo veel onzekerheid is over de tijdige en juiste uitvoering, en over de gevolgen in de praktijk. Wij hebben hier in ieder geval een amendement over ingediend.
Voorzitter. Ik heb nog een paar kleinere puntjes. Het kabinet geeft aan dat het toevoegen van achterwaartse verliesverrekening in de eerste jaren van het nieuwe stelsel leidt tot honderden miljoenen derving. Geldt dat ook als je bij de achterwaartse verrekening de step-up hanteert, zodat verliezen pas vanaf 2028 achterwaarts kunnen worden verrekend met rendementen die na 2028 ontstaan?
Een ander vraagstuk dat bij ons leeft, is de aftrekbaarheid van rente voor consumptieve schulden. Ik bedoel dan niet de aftrekbaarheid van rente voor schulden die bezit in box 3 betreffen, maar het aftrekken van rente op persoonlijke leningen of doorlopend krediet voor bijvoorbeeld een auto, meubelen of een vakantie. Ik weet dat het complex is om een knip te maken in de uitvoering omdat de gegevens over deze schulden niet bekend zijn, maar feitelijk stimuleren we het fiscaal om op de pof te leven, waarmee je een voordeel kunt krijgen in de heffing op je andere vermogen. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar? Ziet hij mogelijkheden om dit anders in te richten? Want dit punt steekt ons.
Voorzitter. Het nieuwe stelsel voor box 3 heeft een effect op de toeslagen en de heffingskorting. Ik snap de uitleg van het kabinet hierover. Ik hoop dat het risico in de praktijk inderdaad zo beperkt is als men schrijft, maar u zult begrijpen dat wij hier toch wat onzeker over zijn. Dit betreft vaak een kwetsbare groep en daarom moeten we extra voorzichtig zijn. Kan de staatssecretaris hier nogmaals een toelichting op geven? Het CDA hecht specifiek op dit onderdeel aan een goed piepsysteem. Als er signalen komen waaruit blijkt dat de praktijk weerbarstiger is, dan moet er snel geacteerd kunnen worden. Is dit er en, zo niet, gaat de staatssecretaris dit dan op een of andere manier vormgeven?
Een discussie die helaas ook te vaak voorkomt in de Kamer gaat over het verlenen van vrijstelling in box 3 voor vermogen dat inwoners krijgen als gevolg van het uitkeren van schadebedragen en hersteloperaties. Ik hoop dat dit nooit meer gaat gebeuren, maar het CDA zou het goed vinden als het vermogen in deze gevallen automatisch wordt vrijgesteld van box 3. Is zoiets eenvoudig in te richten, zo vraag ik de staatssecretaris. Het is er inmiddels al voor Groningen.
Met betrekking tot de landgoederen ben ik benieuwd naar de appreciatie van het amendement van de heer Grinwis. Wij staan daar in principe positief tegenover.
Afrondend: het nieuwe box 3-stelsel is beter dan het failliete forfaitaire stelsel omdat het beter aansluit bij het werkelijk rendement, maar het blijft in de kern problematisch. Zolang er belasting wordt geheven op basis van aannames in plaats van feitelijke opbrengsten, blijft er sprake van rechtsongelijkheid. Zoals Peter Essers stelt, mag fiscale eenvoud niet ten koste gaan van rechtvaardigheid. Box 3 laat zien dat een systeem dat is gebaseerd op fictie het draagkrachtprincipe ondermijnt. Daarom is het nieuwe stelsel geen definitieve oplossing, maar slechts een tussenstap richting een rechtvaardiger en juridisch houdbaar belastingstelsel.
Dank je wel, voorzitter.

24 januari 2026

21 januari 2026

20 januari 2026