
29 september 2026
30 september 2026 1 minuten lezen
Tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen sprak Kamerlid Inge van Dijk over de plannen uit de Miljoenennota.

Inge stond in haar bijdrage stil bij de beweging van het Kabinet op de sociale zekerheid en het versnellen van het invoeren van de vermogenswinstbelating in box 3. Het Kabinet doet nu ook een handreiking aan de oppositiefracties om mee verantwoordelijkheid te dragen, door samen te zoeken naar keuzes die Nederland verder helpen en financieel houdbaar zijn.
Daarnaast deed Inge een oproep om scherper te kijken naar wat een investering opbrengt, dit moet beter inzichtelijk worden zodat een euro die we vandaag uitgeven morgen wat oplevert. Ook deed ze een aantal voorstellen om jongeren al vroeg in hun leven bekend te maken met beleggen, zodat ze op latere leeftijd niet op nul hoeven te beginnen.
Voorzitter,
Als je de analyses in deze Miljoenennota leest, is het beeld vrij duidelijk. Onze economie groeit de komende jaren minder hard dan we gewend waren. De groei van de arbeidsproductiviteit blijft achter, investeringen staan onder druk en ondertussen lopen de uitgaven op door onder meer vergrijzing, veiligheid en hogere rente. Daar komt nog iets bij, op de arbeidsmarkt is het op veel plekken al krap. Dus ook al zouden we extra geld investeren dan wil dat niet automatisch zeggen dat daar vanzelf ook extra mensen voor beschikbaar zijn.
Tegelijk wil ik niet doen alsof er niets gebeurt. Bij het volle stroomnet heeft het kabinet inmiddels een pakket aangekondigd waarmee juridische procedures worden ingekort en voor een deel van de uitbreiding van het net vergunningen kunnen vervallen en afgelopen vrijdag de brief van de NII en de intentieverklaring van een groot deel van de financiële instellingen in Nederland. Ook op stikstof ligt sinds deze zomer een nieuwe pakket en laat het kabinet zien dat het belangrijk is met de sectorpartijen aan tafel te blijven om dit in de praktijk te verankeren.
Maar de Raad van State legt wel een pijnpunt bloot. Het kabinet heeft in de Miljoenennota goed opgeschreven wat er economisch aan de hand is. Hervormingen zijn nodig, want anders komt een groter deel van de rekening bij werkenden en volgende generaties terecht.
En eerlijk is eerlijk, wij als Kamer hebben daar ook een rol in. We willen een kleinere overheid, maar geven haar ongeveer iedere dinsdag nieuwe opdrachten. We willen gezonde overheidsfinanciën, maar vinden het ingewikkeld zodra ergens minder geld naartoe gaat. En we zeggen dat er meer geïnvesteerd moet worden, maar voeren vaak het debat over wie welk deel van de bestaande koek krijgt, in plaats van hoe we zorgen dat die koek groter wordt.
Voorzitter,
Als kind had ik een hele stapel van dezelfde kleurplaten. De lijntjes waren steeds hetzelfde, maar je kon er iedere keer iets anders van maken.
Zo kijk ik ook een beetje naar begrotingsregels. Die lijnen zijn nodig. We moeten netjes met belastinggeld omgaan en niet iedere rekening doorschuiven. Maar binnen die lijnen moet je wel blijven nadenken over wat Nederland over tien of twintig jaar sterker maakt.
Dat was ook de gedachte achter de initiatiefnota over het verdienvermogen waar het CDA vorig jaar mee kwam. Alleen bezuinigen of belastingen verhogen is geen langetermijnstrategie voor gezonde overheidsfinanciën. Nederland moet ook genoeg blijven verdienen. En dan helpt het als we ons wat vaker realiseren dat niet iedere euro die de overheid uitgeeft hetzelfde doet.
Voorzitter,
Bij een minderheidskabinet wordt dat misschien nog wel belangrijker. Voor ieder besluit moet opnieuw steun worden gezocht. Daar is op zichzelf helemaal niets mis mee. Maar het totaal moet uiteindelijk leiden tot een sterker Nederland en geen rekeningen doorschuiven.
Het kabinet heeft gisterenavond op basis van gesprekken met vele fracties een nieuw voorstel gedaan waarin veel van de wensen zijn meegenomen.
Zo is een extra beweging gemaakt op de sociale zekerheid, zodat het sociaal overleg tussen kabinet, vakbonden en werkgevers gevoerd kan worden over een toekomstbestendig socialezekerheidssysteem, gericht op preventie en mensen weer richting werk helpen.
Wij zijn blij dat er sneller doorgepakt wordt op de vermogenswinstbelasting, zoals wij ook al vaker in de Kamer bepleit hebben. We zien ook dat wordt geluisterd naar de wens in deze Kamer om dekking binnen het vermogensdomein te vinden, al zullen we het over de precieze details nog gaan hebben bij het Belastingplan.
Ook wordt aanvullend iets aan koopkracht voor werkenden gedaan. Wij blijven wel, zoals ook al aangegeven bij de APB, kritisch op de verhoging van de arbeidskorting. Dat is het weer ophogen van een inkomensafhankelijke regeling, terwijl we nu juist in het coalitieakkoord hebben opgenomen dat we minder inkomensafhankelijke regelingen willen.
Het kabinet onderzoekt ook een arbeidskorting per uur, een wens die al langer leeft bij het CDA en we ook in onze doorrekening hadden opgenomen. Niet omdat iedereen voltijds zou moeten werken, voor ons is belangrijk dat mensen hier ook hun eigen keuzes in kunnen maken. Maar omdat ons belastingstelsel mensen die wél meer willen werken, daarvoor écht moet belonen. Kan de minister aangeven hoe het inmiddels staat met het in kaart brengen van deze optie, en effecten op arbeidsparticipatie?
Voorzitter,
Twee jaar geleden, toen het CDA in de oppositie zat, hebben wij onze bijdrage aan de beschouwingen in het teken gezet van verantwoordelijke politiek. Omdat verantwoordelijkheid voor de toekomst van ons land niet ophoudt bij de grens tussen coalitie en oppositie.
Ik denk dat het kabinet nu ook een handreiking doet aan oppositiefracties om mee verantwoordelijkheid te dragen. Niet door het overal over eens te worden, maar door samen te zoeken naar keuzes die Nederland verder helpen en die ook financieel houdbaar zijn.
Juist op de grote opgaven die voor ons liggen, hoop ik dat we elkaar daar wat vaker in kunnen vinden.
Mijn fractievoorzitter sprak erover dat het proces niet de schoonheidsprijs verdiende. Ik denk dat de uiteindelijke uitkomst in de brief van gisteren een verbetering is. Hoe kijkt de minister hierop terug? En belangrijker nog, waar ziet hij mogelijkheden om dit volgend jaar beter te doen?
In het coalitieakkoord noemen we Denemarken als land waar veel meer ervaring is met minderheidskabinetten. Daar worden politieke afspraken met andere partijen gemaakt, terwijl er ook meerjarige financiële kaders zijn waarbinnen die afspraken moeten passen.
Tuurlijk, Denemarken is geen Nederland. Onze politiek werkt anders. Maar ik ben wel benieuwd naar de manier waarop zij proberen politieke samenwerking en financiële discipline bij elkaar te houden. Kan de minister voor de volgende Voorjaarsnota eens op een rij zetten welke lessen we daaruit zouden kunnen trekken? Bijvoorbeeld over hoe je bij bredere politieke afspraken vooraf duidelijk bent over het geld, de looptijd van afspraken en wat er gebeurt als partijen later iets willen veranderen? Of de manier waarop Denemarken een structurele efficiëntiekorting op de overheid combineert met beleid om productiviteit te verhogen, waaronder investeringen in digitalisering en technologie.
Voorzitter,
Ik ga weer terug naar mijn betoog over toekomstgericht begroten. En voor mij volgen daar voor vandaag drie dingen uit.
Ten eerste moeten we scherp zijn op wat ons iets oplevert.
Ten tweede moeten investeringsruimte op de lange termijn bewaken.
En ten derde het lastigste: soms ook gewoon iets niet doen.
1. We moeten scherper kijken naar wat ons later iets oplevert
Als we miljarden uitgeven, wil ik ook weten wat we daarmee opbouwen. En als we nieuwe regels voor bedrijven maken, moeten we ons afvragen of bedrijven daardoor makkelijker kunnen investeren en groeien, of dat we ze juist extra in de weg zitten.
Arbeidsproductiviteit hoort daar nadrukkelijk bij. Want als de arbeidsmarkt krap blijft, kunnen we onze welvaart alleen vasthouden als we met de mensen die er zijn, meer kunnen doen.
De Raad van State maakt daar dit jaar een nuttig punt over. We noemen vooral gebouwen, wegen en andere vaste activa een investering. Maar ook bijvoorbeeld onderwijs, onderzoek of een goed werkende digitale overheid kunnen later iets opleveren. De Raad adviseert daarom om breder te kijken naar overheidsuitgaven die bijdragen aan productiviteit en daar jaarlijks over te rapporteren. Hoe kijkt de minister hiernaar?
We zijn ook blij met de brief over de NII en vinden het positief dat een groot deel van de financiële sector hier samen met ons de schouders onder willen zetten. Financiële instellingen zien hier mogelijkheden om veel kapitaal te mobiliseren voor de Nederlandse economie. Tegelijk geven zij aan dat de hefboom nog verder versterkt kan worden, op het moment dat er door de NII zelf obligaties uitgegeven kunnen worden.
In de intentieverklaring spreken de banken van “oplopend tot 100% staatsgegarandeerd”. Zou de minister aan willen geven hoe hij hiernaar kijkt, en of en hoe hij een mogelijk ingroeipad hier naartoe ziet?
Wat de banken ook aangeven is dat ze willen helpen. Door goede mensen te detacheren aan de NII en een strategische adviesgroep in te richten. Ik zou zeggen: minister grijp dit aanbod met 2 handen aan. Een succesvolle NII kan niet zonder goede bankiers.
Voorzitter,
Als we ons verdienvermogen willen versterken, moeten we ook meer particulier kapitaal voor de lange termijn loskrijgen. Nederlanders sparen veel, maar de stap naar beleggen en investeren wordt nog relatief weinig gezet. Recent onderzoek liet zien dat 40% van de Nederlanders beleggen vergelijkt met naar het casino gaan. Terwijl juist langjarig kapitaal kan bijdragen aan economische groei én aan vermogensopbouw van mensen zelf
Dat vraagt wat ons betreft om een brede aanpak. Gericht op:
Een van de redenen dat Nederlanders terughoudend zijn in beleggen is toch ook echt een beetje onze behoudende cultuur op dit gebied. Dat verander je niet één, twee, drie. Dus moeten we vroeg beginnen. Voorzitter, het CDA heeft jaren gepleit voor zilvervlootsparen. Het is nu tijd voor de 2.0 versie: “zilvervloot-beleggen”. Zodat jongeren met een mooi startbedrag aan hun volwassen leven kunnen beginnen.
Wij denken concreet aan een startrekening. Bij de geboorte komt er een bedrag op te staan. Ouders, grootouders en anderen kunnen later bijstorten en het geld wordt voor langere tijd belegd, bijvoorbeeld in een Nederlands indexfonds.
Het interessante vind ik dat je daarmee verschillende dingen bij elkaar brengt. Geen enkel kind begint later helemaal op nul. Gezinnen komen eerder in aanraking met verstandig beleggen. En we mobiliseren particulier geld voor lange termijn investeringen in de Nederlandse of Europese economie.
En natuurlijk zitten daar allerlei vragen aan vast; wie voert zo’n rekening uit, waar wordt in belegd, wanneer mag het geld worden gebruikt, en natuurlijk, wat zijn de kosten. Maar vooral interessant is, levert het niet nog veel meer op voor kinderen en de economie?
Mijn vraag aan de minister is daarom: wil hij toezeggen om te onderzoeken of, en hoe zo'n Startrekening in Nederland zou kunnen werken, en wat daarbij randvoorwaarden zouden moeten zijn voor uitvoering, beleggingswaarborgen, kosten, en risico’s?
2. Investeringsruimte moet je niet alleen vandaag creëren, maar ook op lange termijn bewaken.
De staatsschuld is op dit moment nog beheersbaar maar, volgens deze begroting loopt de EMU-schuld op van 558,1 miljard euro eind 2026 naar 599,6 miljard eind 2027. Tegelijk stijgen de totale rentelasten van 10,8 naar 15,4 miljard euro.
Dat is ruim 800 euro per inwoner. Dat geld kan niet naar een, een weg, een lagere belasting of iets anders waar mensen direct iets van merken.
En we zijn daarnaast geen financieel eiland. Grote Europese economieën als Frankrijk en Italië hebben inmiddels staatsschulden van ruim boven de 100% van hun economie. Als daar financiële onrust ontstaat, de rente verder oploopt of de groei terugvalt, voelen wij dat als kleine, open economie ook.
Juist daarom is het belangrijk dat Nederland zelf buffers houdt. Niet omdat een lage staatsschuld een doel op zichzelf is, maar omdat financiële ruimte ons in staat stelt om te blijven investeren en tegenvallers op te vangen.
Dat laat zien heel scherp zien dat begrotingsdiscipline en investeren geen tegenpolen zijn.
Dan valt er nog iets op in de begroting.
Financiën rekent voor 2027 met een begrotingstekort van 2,9% van het bbp. Het CPB komt uit op 2,2%. Dat is geen klein afrondingsverschil. Een belangrijk deel zit in een andere inschatting van de onder uitputting. De Raad van State wijst daar zelf ook op.
Nu moeten we daar ook niet meteen van maken: mooi, er is ineens extra geld. Dat zou te makkelijk zijn.
Maar ik vind wel dat de Kamer moet kunnen begrijpen waarom twee belangrijke ramingen zo uit elkaar lopen. Wij moeten hier immers de begroting beoordelen en eventueel veranderen.
Dus mijn vraag aan de minister is vrij praktisch.
Kan hij toezeggen dat bij de Voorjaarsnota en de Miljoenennota voortaan wordt aangegeven waar de raming van Financiën en die van het CPB flink van elkaar verschillen, waar dat verschil vandaan komt en wat het betekent voor tekort en schuld?
Voorzitter,
Ik heb al vaak gevraagd naar een beter onderscheid tussen consumeren en investeren, en hoe we dat beter afbakenen. En daar hoort voor mij ook bij dat we verder vooruit kijken. Dat helpt ons om ons budgetrecht beter uit te oefenen. In Den Haag zijn vier jaar al snel een lange termijn. We kijken naar het einde van een kabinetsperiode. En daarnaast hebben we CPB-ramingen tot bijvoorbeeld 2060. Maar juist de jaren daartussen vind ik interessant.
Een maatregel kan in de eerste paar jaar nog betrekkelijk weinig kosten en daarna steeds duurder worden. Als je alleen naar de kabinetsperiode kijkt, zie je maar een deel van het verhaal. Maar omgekeerd ook, geldt dat een investering aan het begin kosten heeft, maar op termijn tot meer baten leidt.
In het coalitieakkoord hebben we al afgesproken om de begrotingshorizon te verlengen. Dat is een goede stap.
Ik zou bij grote structurele keuzes graag ook gewoon willen zien: wat betekent dit over een jaar of tien? Niet omdat we vandaag de begroting van 2036 moeten vastleggen. Wel omdat ik graag wil weten waar ik ja tegen zeg.
En misschien is het antwoord dan nog steeds: dit vinden we het waard. En dan maken we die keuze tenminste met open ogen voor de lange termijn.
3. En dan het lastigste: soms moeten we ook gewoon iets niet doen
We hebben niet onbeperkt geld. We hebben niet onbeperkt ruimte. En ook mensen zijn schaars.
Tegelijk vragen we heel veel. Meer defensie, meer zorg, meer woningen, meer infrastructuur, meer uitvoering. En het liefst willen we ook dat de belastingen omlaaggaan.
Dat kan niet allemaal tegelijk.
Voorzitter,
Kiezen begint ook bij weten wat je met belastinggeld probeert te bereiken. Alleen EZK, KGG, Financiën, IenW en VRO hebben concrete en meetbare hoofddoelen in hun begroting opgenomen. Bij de andere begrotingen ontbreken die nog.
Die vijf ministers mogen wat mij betreft gewoon een dik compliment krijgen.
Want het vraagt ook iets om op papier te zetten: dit is wat ik wil bereiken en hier mag u mij straks op afrekenen.
Ik hoop dat hun collega's dat volgend jaar ook doen. We hebben hier inmiddels wel genoeg moties over ingediend zou ik zeggen.
Juist omdat we tegelijkertijd van de Rijksoverheid vragen dat zij kleiner wordt.
Voorzitter,
We hebben heel precies ingeboekt hoeveel geld er vanaf moet. Maar op verschillende plekken is nog veel minder duidelijk welke taken dan verdwijnen. Als je minder mensen bij de overheid wilt, moet je ook zeggen wat die mensen niet meer hoeven te doen. Welke regel kan weg? Welke rapportage hoeft niet meer? Welk programma stoppen we? En als we iets nieuws bedenken, wat doen we dan misschien niet meer?
Kan de minister daarom naast de financiële taakstelling ook eens een takenbalans maken? Welke taken komen er deze kabinetsperiode bij en met welke taken stopt de Rijksoverheid daadwerkelijk?
Voorzitter, tot slot.
Uiteindelijk gaat een begroting niet over cijfers, maar over de samenleving die we met elkaar willen doorgeven.
Over mensen die werken, zorgen en verantwoordelijkheid nemen. Over ondernemers die iets willen opbouwen. Over gezinnen die vooruit willen. Vrijwilligers die bijdragen aan samenleven. En over kinderen die later ook de ruimte moeten hebben om hun eigen keuzes te maken.
Dat vraagt iets van de overheid. Investeren in wat Nederland sterker maakt. Zorgen dat werken en ondernemen loont. En naast mensen staan wanneer dat nodig is.
Maar het vraagt ook dat we niet alles naar de overheid trekken en niet iedere rekening doorschuiven.
Voor mij is dat uiteindelijk waar goed financieel beleid over gaat: zorgvuldig omgaan met wat ons is toevertrouwd, investeren in wat van waarde is en ervoor zorgen dat de generatie na ons niet alleen onze rekeningen erft, maar vooral de ruimte om zelf iets moois op te bouwen.

29 september 2026

24 september 2026

17 september 2026