13 april 2026 7 minuten lezen

Eer­ste Kamer debat­teert over de asiel­wet­ten

De Eerste Kamer debatteert 13 en 14 april over de twee asielwetten en novelle van het Kabinet. Lees hieronder de debatinbreng van senator Madeleine van Toorenburg namens de Eerste Kamerfractie van het CDA. 

Voorzitter,

Voordat we concreet ingaan op wat nu voorligt, graag kort aandacht voor het feit dat we eindelijk op Europees niveau een serie asielmaatregelen hebben uit onderhandeld. Hier hebben we al zo lang een lans voor gebroken! Juist voor ons als klein, maar zeer aantrekkelijk land met een hele hoge bevolkingsdichtheid is dat van essentieel belang. Temeer daar we deel uitmaken van de Schengenzone zonder binnengrenzen. Alleen gezamenlijk kunnen we grip krijgen op migratie. Dus, hoewel we vandaag, met elkaar, veel kritische kanttekeningen zullen bespreken, moeten we wat het CDA betreft ook onze zegeningen tellen. Eindelijk hebben we de handen ineen weten te slaan in het belang van een effectief asielstelsel waarin nu en in de toekomst veilige opvang geboden kan worden aan mensen die onze bescherming echt nodig hebben. 

Dat gezegd hebbende duizelt het ons ook wel een beetje. De ene wet waarin elementen van het Europees Migratiepact zijn opgenomen wordt hier vandaag en morgen besproken en de volgende komt er al weer aan. Het is complicerend, vooral omdat we aan het Migratiepact ook nationale wet- en regelgeving toevoegen. Het lijkt ons daarom, ook voor de wetsgeschiedenis, van belang om duidelijkheid te scheppen in waar we nu precies staan t.a.v het Pact, de aanvullende verordeningen en onze eigen, eraan toegevoegde wensen. In een technische briefing is een en ander al geduid, maar sindsdien is er al weer veel gebeurd. Kan de minister allereerst inzicht verschaffen in het samenspel van de asielwet en -regelgeving. Juist ook omdat critici betogen dat voorliggende wet wellicht overbodig is, gelet op hetgeen wij nog in te voeren hebben vanuit het Migratiepact. 

Veel is al schriftelijk aan de orde gesteld. Collega’s hebben veel vragen gesteld over specifieke uitvoeringsproblemen. Wij zullen ons vandaag beperken tot het bespreken van een aantal maatregelen die ons nog steeds zorgen baren, te weten de beperkte duur van de verblijfsvergunningen, het zicht op de ongewenstverklaarden, de behandeling van de paren van gelijk geslacht en natuurlijk de novelle. Met de rest kunnen wij goed leven. Daar hebben wij eerder voor bepleit of de maatregelen zijn voor ons voldoende beargumenteerd. 

Het verblijfsrecht wordt beperkt tot 3 jaar en niet langer onbeperkt verleend. Daarmee wordt het tijdelijke karakter onderstreept en het is in lijn met een groot aantal landen binnen de EU. Op zichzelf is dat zeer begrijpelijk, maar we moeten wel echt opletten niet dezelfde fouten te maken als in het verleden, met de Turkse en Marokkaanse gastarbeiders, waarvan we veronderstelden dat ze na een paar jaar wel weer zouden terugkeren naar het land van herkomst. Het is echt zaak om mensen te motiveren om in te burgeren, ook al is het verblijf naar verwachting tijdelijk. Kansrijke asielzoekers moeten van meet af aan ruimte krijgen om te werken en de taal te leren. Wat zijn dienaangaande nu de concrete plannen? We lezen, bij herhaling, dat de regering meent – en ik citeer – ‘dat het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het verkorten van de vergunningduur een positieve stimulans zal betekenen voor de integratie van statushouders die willen beschikken over een verblijfsvergunning die niet afhankelijk is van de omstandigheden op grond waarvan de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus oorspronkelijk werd verleend. Om voor bijvoorbeeld de EU-status als langdurig ingezetene of de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in aanmerking te komen, dient aan onder meer het inkomensvereiste te worden voldaan.’ Maar dit neemt onze zorg niet weg dat mensen die voor langere tijd een tijdelijke vergunning hebben, mogelijk minder gemotiveerd zijn om in te burgeren omdat ze niet weten hoe lang ze nog mogen blijven.

Ook het COA en de VNG wijzen hierop. Daarbij wordt de zorg uitgesproken over het vinden van passende woonruimte, ook wanneer nareizigers langer moeten wachten. Wij pleiten er daarom voor dat haast wordt gemaakt met regelen van passende financiering voor gemende flexibele woonruimte. (De Doelgroepflexibele Regeling). Voor locaties waar ontheemde Oekraïners, asielzoekers en/of statushouders en overige spoedzoekers tezamen kunnen worden ondergebracht, is meer draagvlak dan voor ‘gewone’ AZC’s. In regio’s met ernstige woningnood is het nu eenmaal niet goed uit te leggen dat voortvarend wordt ingezet op opvang voor vreemdelingen terwijl de gemeenschap zelf geconfronteerd wordt met ellenlange wachtlijsten. Maak haast met de regeling en werk hierin nauw samen met gemeenten. De woonruimte waarover ik spreek zal iets duurder zijn dan de sobere asielopvang en dat het COA deze extra kosten niet voor haar rekening wil nemen, is invoelbaar. Los dit op! Het voelt eerlijke gezegd niet goed dat de gemeenten steeds worden aangespoord om met spoed opvang te organiseren, terwijl de financiering voor iets wat echt zoden aan de dijk zet, nog op zich laat wachten.

De mogelijkheden tot ongewenstverklaring worden verruimd. Prima. Mensen die zich niet weten te gedragen, verpesten het nu eenmaal voor de rest, dat moge duidelijk zijn. Maar als (logisch) opvang van deze groep niet (meer) aangeboden wordt, wordt dan wel met urgentie ingezet op verwijdering of detentie? Daarover lezen we echt te weinig. Een paar jaar geleden werd de vreemdelingendetentie afgebouwd, Tilburg werd bijvoorbeeld gesloten. Als we echt willen doorpakken moet wel voldoende capaciteit voorhanden zijn. De regering neemt onze zorgen over capaciteitsdruk serieus maar schrijft vervolgens: ‘De wijze waarop daar (de mogelijk 1.200 extra ongewenstverklaringen) in de uitvoeringspraktijk mee zal worden omgegaan, wordt afgestemd op de beschikbare capaciteit en de mate waarin de maatregelen effectief en proportioneel kunnen worden toegepast.’ We snappen simpelweg niet wat daar nu staat. Gaat het aantal ongewenstverklaringen worden aangepast aan de capaciteit? Maar de reden is toch dat ze overlast geven of zelfs misdrijven plegen? Graag een reactie van de minister.

De regering heeft er niet langer voor gekozen om partners uit landen waar homoseksualiteit strafbaar is gesteld en/of het homohuwelijk onwettig is te laten vallen onder de categorieën waarvoor gezinshereniging mogelijk blijft. Een beroep op art 8 EVRM kan eventueel wel uitkomst bieden. Dit voelt nog steeds onbevredigend. In antwoord op onze kritische vragen op dit punt kregen we louter de bevestiging dat niet langer ambtshalve aan art 8 wordt getoetst. Waarom toch deze wat halsstarrige houding? De minister heeft geconstateerd dat een aanzienlijk deel van het parlement dit graag anders zou zien. Wij hebben er met de VVD vragen over gesteld maar ook D66 en PRO hebben moeite met de koerswijziging. Als de IND bij lopende nareisaanvragen ambtshalve kan toetsen aan art 8 EVRM, dan kan dat in de toekomst toch ook als iemand zijn of haar toevlucht heeft genomen naar Nederland vanwege het beleid m.b.t. LHBTI’s? 

Dan, last but NOT least, de strafbaarstelling illegaliteit. Nog altijd de graat in onze keel. Gelukkig is de wet gerepareerd op het punt dat hulpverlening niet strafbaar is, alleen de pleger zelf is strafbaar, maar dit politieke vluggertje, het amendement Vondeling, baart het CDA nog altijd hele grote zorgen. En niet alleen ons. Bijkans alle uitvoeringsorganisaties, de VNG en velen die er “mensenrechtelijk” naar kijken, hebben er moeite mee. Het is zo slecht doordacht, het nut van een twee kamerstelsel is maar weer eens bewezen. In de schriftelijke ronde put de minister zich uit in het beargumenteren dat de reikwijdte van de strafbaarstelling rechtens beperkt is tot de groep vreemdelingen die wel kunnen, maar niet willen terugkeren en die hun (gedwongen) vertrek actief en effectief frustreren. Probleem is echter: dat staat er niet. Het is een gevolgtrekking uit bestaande jurisprudentie. En een die duidelijk geen vrede sticht. 

Waarom maakt de minister op dit punt geen pas op de plaats. Niet alle bepalingen van de voorliggende wet dienen meteen en/of op hetzelfde moment van kracht te worden. Er is nog werk aan de winkel zat. Om voorliggende wet goed uitvoerbaar te maken moet nog veel gebeuren en de aanstonds te behandelen implementatiewet vereist ook nog veel van onze uitvoeringsorganisaties. Is het mogelijk te wachten met het invoeren van deze bepaling tot het systeem zich heeft gezet, dat ten minste iedereen ervan overtuigd is dat de groep waarop deze bepaling betrekking heeft echt zeer beperkt is. Dat het niet alle ongedocumenteerden treft en zeker niet de slachtoffers van mensenhandel en/of mensensmokkel. Het OM moet het vervolgingsbeleid toch ook nog vaststellen en met de uitbreiding van de ongewenstverklaringen hebben we al meer mensen waar we ‘justitieel iets mee moeten’. 

Zorg tenminste voor een behoorlijke invoeringstoets. Dit vluggertje, via amendement zoiets wezenlijks regelen, vereist echt meer aandacht. Zomaar deze bepaling in werking stellen terwijl die zoveel onrust veroorzaakt, voelt niet goed. We hebben immers alles en iedereen nodig om voorliggende en nog komende wetgeving netjes geïmplementeerd te krijgen. Wil de minister ons dit toezeggen?

 

Foto: Eerste Kamer / Serge Ligtenberg.

Lees
ver­der