
13 januari 2026
13 januari 2026 1 minuten lezen
Bij de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening pleitte Tweede Kamerlid Hanneke Steen ervoor om te bouwen aan gemeenschappen. Dat kan alleen met samenwerken, visie en vertrouwen.

In het begrotingsdebat nam Hanneke de industriefamilie Stork uit haar geboortestad Hengelo en hoe zij verantwoordelijkheid namen door naast investeren in fabrieken en werk ook te investeren in woningen en een gemeenschap te bouwen als voorbeeld voor de keuzes die de politiek en samenleving moeten maken rondom ruimtelijke ordening. Door dat sociale weefsel werd ook de samenleving in weerbaarder.
Als er iets nodig is om snel en goed te kunnen bouwen aan gemeenschappen, dan is dat vertrouwen en voorspelbaarheid. Voor bouwers, corporaties, gemeenten en provincies.
Hanneke Steen
Tijdens haar betoog pleitte Hanneke voor het verkorten van procedures en schrappen van regels, investeren in ontmoeting, groen en gezondheid, meer ondersteuning bij het bouwen van middenhuur en werk maken van studentenhuizen in plaats van studio's omdat de eenzaamheid onder jongeren sterk is toegenomen.
Voorzitter, Het is een bijzonder groot voorrecht hier vandaag voor het eerst te mogen spreken over een onderwerp dat zoveel mensen raakt: over waar je thuis bent, over hoe we ons land inrichten en uiteindelijk ook: hoe we samenleven.
Juist die vraag: ‘hoe willen we samen leven?’ is de vraag die mij in de politiek èn bij het CDA heeft gebracht.
Voorzitter, Mijn weg naar deze Kamer begon in de collegebanken van de Groningse rechten en bestuurskundefaculteit, waar ik een aantal belangrijke lessen meekreeg over het recht en manier waarop we ons land organiseren. Rechtmatigheid en doelmatigheid. Hoe doen we de dingen goed?
Maar wat ís goed? Die vraag bleef altijd hangen en gaat verder dan ‘rechtmatigheid’ of ‘doelmatigheid’. Maar dat gaat over rechtvaardigheid en waarden.
En met die vraag begon ook het doorgronden van mijn eigen morele kompas: naar wat voor mij belangrijk is in het leven. Waarop wil ik mijzelf kunnen aanspreken? Waarop val ik terug als ik moet besluiten over ingewikkelde dilemma’s?
Voorzitter als u aan mij vraagt mij aan u voor te stellen dat zeg ik niet: hoi, ik ben Hanneke, ik heb een zwart jasje aan en ik heb een Twents accent. Maar dan zeg ik: ik ben getrouwd, woon in Hengelo waar onze ouders ook wonen, ik ben sinds kort lid van de CDA-fractie in de Tweede Kamer. En als we wat meer tijd hebben ook over vrienden, de kerk en de muziekvereniging. Dat gaat over de mensen met wie ik samenleef.
Al die mensen maken me tot wie ik ben. Zij plaatsen mij in een groter geheel van betekenisvolle relaties. Met verantwoordelijkheden over en weer.
Zo kijk ik naar onze samenleving. Niemand leeft voor zichzelf en het leven is meer dan je eigen personal space. Voor mij is de overheid er om dat sociale weefsel van mensen te beschermen en te versterken. Ze moet ruimte geven aan mensen die verantwoordelijkheid nemen voor elkaar en ingrijpen waar iemand buiten de boot dreigt te vallen.
En dat besef, voorzitter, bracht me naar de politiek – want dat is een vehikel voor je idealen en waarden. En het bracht me thuis bij de christendemocratie.
Voorzitter, Ik kom onmiskenbaar uit Twente, uit Hengelo. Daar ben ik geboren en getogen en heb ik het voorrecht gehad om de stad en regio als wethouder te mogen besturen. Een stad die gevormd is door de metaal- en maakindustrie, maar ook door visie. Neem Stork.
Toen de familie Stork hun fabriek in Hengelo vestigde begrepen zij iets heel essentieels: je kunt niet alleen investeren in werk, je moet ook investeren in wonen en de gemeenschap.
En zo richtte Stork een bouwvereniging op en bouwden zij Tuindorp ’t Lansink. Een wijk met groen, ruimte en samenhang. Waar de opzichter naast de arbeider woonde, dat was uniek voor een arbeiderswijk. Stork zorgde voor een van de eerste pensioenfondsen van het land, voor scholen, verenigingen en zo ontstond een hechte gemeenschap om het bedrijf. Het bedrijf groeide en Hengelo groeide mee. zorgde voor een bloeiende economische ontwikkeling van de hele Twentse regio.
Dat sociale weefsel maakte de stad weerbaar. In de Tweede Wereldoorlog begonnen daar de april-meistakingen, een van de grootste verzetsacties tegen de Duitse bezetter. Storkianen waren de drijvende kracht achter de wederopbouw van onze gebombardeerde stad. En tot de dag van vandaag staan de Storkiaanse verenigingen nog als een huis en maken ze het verschil voor jong en oud in Hengelo.
Dát is voor mij de kern van de christendemocratische politiek. Stork nam verantwoordelijkheid en maakte een bewuste keuze voor samen leven en gemeenschapszin. Een voorbeeld voor heel veel steden, dorpen en regio’s.
Dus voorzitter, is Hengelo nodig? Reken maar!
Dus voorzitter ruimtelijke ordening is niet politiek neutraal, maar bevat morele keuzes. Keuzes waar we vandaag ook met elkaar over spreken en dat brengt me bij deze begroting.
Voorzitter, Als Den Haag het ergens over eens was en is, dan is het dat de woningnood moet worden opgelost. De afgelopen jaren was er ook best veel consensus over de belangrijkste hoofdthema’s binnen VRO: meer en betaalbaar bouwen, versnellen, investeren, procedures verkorten. Daarom is de Wet Versterking regie volkshuisvesting met steun van links tot rechts in de kamer aangenomen.
Maar de afgelopen jaren stonden ook in het teken van wantrouwen, dat heb ik als lokaal bestuurder óók van heel dichtbij gemerkt. Wantrouwen werkt niet. Bouwen kan alleen door samen te werken, heel praktisch en lokaal. Dat vraagt visie en vertrouwen.
Stork deed decennialang wat nodig was. Nu is het onze beurt: Als er iets nodig is om snel en goed te kunnen bouwen aan gemeenschappen, dan is dat vertrouwen en voorspelbaarheid. Voor bouwers, corporaties, gemeenten en provincies.
Voorzitter, het verkorten van procedures, schrappen van regels moet daarom echt prioriteit krijgen in de komende periode. Het bouwtempo gaat alleen omhoog als dat lokaal begint en kán gebeuren. Als ambtelijke capaciteit gericht wordt, er minder (administratieve) barrières komen voor gemeenten om samen met corporaties en bouwers aan een project te werken. En we met lef en vertrouwen echt werk maken zaken als parallel plannen, en een stevige aanpak van leegstand. Dat vraagt ook moed van lokale bestuurders.
Voorzitter, met de Wet Versterking Regie Volkshuisvesting zetten we als overheid zet een stap naar voren en dat is goed.
Voorzitter de uitwerking van de Wet regie is bepalend of de wet ook echt gaat werken. We weten ook: er gaat samenloop ontstaan met andere wetten met een wooncomponent, zoals de Jeugdwet. Gemeenten hebben daar zorgen over en dat snap ik. Uitvoerbaarheid is cruciaal, mijn vraag is hoe de minister samenhang en uitvoerbaarheid in de beleidsuitwerking borgt?
Voorzitter, we bouwen wijken voor vele generaties. Bouwen aan gemeenschappen betekent ook investeren in ontmoeting, groen en gezondheid. Dat kost geld. Een vierkante meter ontmoetingsruimte levert minder op dan een vierkante meter woonoppervlak. Maar minder eenzaamheid betaalt zich later uit in minder zorgkosten. We zijn niet gewend deze zachte, maatschappelijke baten ‘in te rekenen’ in harde businesscases die onder woningbouwplannen liggen. Wat het CDA betreft moeten we ontmoeting, groen en gezondheid niet als onrendabel zien, maar als investering in de samenleving.
Voorzitter, Na een intensieve lobby vanuit Nederland heeft Brussel de staatssteunregels aangepast, zodat de overheid woningbouwcorporaties en ontwikkelaars financieel kan steunen om middenhuur te bouwen. Eind 2024 is er een motie van het CDA aangenomen om zo snel mogelijk een plan van aanpak te maken zodat er meteen gestart kon worden na het besluit. Een plan om direct die ruimte te benutten en investeringen los te trekken. Het plan ligt er niet. Kan de minister toelichten waarom die motie niet is uitgevoerd?
Er is ook woningnood onder studenten. Dat heeft een te hoge sociale prijs, want we zien eenzaamheid onder jongeren schrikbarend toenemen. Juist in een levensfase waarin je leert samenleven, verantwoordelijkheden delen en vriendschappen voor het leven opbouwt. Ook middelgrote steden kunnen en willen daar ook verantwoordelijkheid nemen voor het bouwen van studentenhuizen. Daarvoor is goede samenwerking nodig tussen onderwijsinstellingen, ervaren studentenhuisvesters en minder ervaren corporaties en daarvoor zal ik in de tweede termijn een motie indienen.
Voorzitter, het is goed dat we binnenkort in de commissie VRO de diepte in gaan over ruimtelijke ordening, net als over de staat van de volkshuisvesting. Ik kijk ernaar uit dat we daar de woningbouwopgave gaan uitdiepen. Dan zullen we het ongetwijfeld gaan hebben over hoe regionale economische clusters, over de Didamarresten, het bestrijden van dakloosheid en seniorenwoningen, de transformatie – het optoppen en splitsen van woningen. Want dat is hard nodig.
Tot slot voorzitter, het Rijk heeft vier gebieden aangewezen als nieuw verstedelijkingsgebied, maar daardoor komen ze ineens niet meer in aanmerking voor de Regeling woningbouw op korte termijn èn bleek er ineens geen zicht op financiering van infrastructurele ontsluiting waar het rijk zelf op had aangestuurd. Hoe kan dat? Graag een reactie van de minister.
Voorzitter, ik rond af met nog 1 ding. In de aanloop naar de verkiezingen kreeg ik de vraag wat ik vanuit Twente meeneem naar Den Haag. En na mijn betoog over gemeenschapszin net had u natuurlijk verwacht dat ik ‘noaberschap’ zou zeggen.
Maar ik ga voor ‘heanig an’.
Het Twentse equivalent van rust, reinheid en regelmaat. We zeggen het bijvoorbeeld als een discussie hoog oploopt: joh, doe ff heanig an. Tel even tot tien, kauw even op je woorden, rustig blijven nadenken.
Laten we de komende tijd vooral tempo maken bij het bouwen aan gemeenschappen, maar een beetje heanig an doen in het politieke debat. Dan komen we samen een heel eind.
Op de dag van de begrotingsbehandeling riepen Hanneke en CDJA-voorzitter Joanne Sloof met een opiniestuk in het AD op om meer werk te maken van studentenhuizen.
Investeren in studentenwoningen is bouwen aan gemeenschappen
Studentenhuizen zijn een plek van ontwikkeling, waar je leert samenleven, verantwoordelijkheid deelt en vriendschappen voor het leven opbouwt. Onderdeel zijn van een gedeeld huishouden is een vormende ervaring waar je de rest van je leven van profiteert. En een ervaring die mogelijk moet zijn voor iedereen die dat wil. Daarom moet de komende jaren flink worden geïnvesteerd in meer huisvesting, mét meer gezamenlijke ruimtes.
Kamernood onder studenten beperkt niet alleen de toegankelijkheid van onderwijs, maar ook een kans op persoonlijke ontwikkeling. Het huisvestingstekort in de negentien studentensteden werd eind vorig jaar geschat op 21.500 studentenwoningen. De verwachting is dat het tekort de komende jaren nog verder oploopt tot mogelijk 63.000 in het collegejaar 2032-2033.
Ook de eenzaamheid onder studenten, juist in wat de meest sociale fase van hun leven zou moeten zijn, blijft zorgwekkend hoog: zes op de tien studenten ervaart gevoelens van eenzaamheid. Het tekort aan kamers en de schrikbarend hoge cijfers over eenzaamheid kunnen niet los van elkaar worden gezien. Daar komt bij dat ook de bestaande huisvesting (steeds vaker studio’s en zelfstandige woonruimtes waar je alleen woont) een isolerend effect hebben. Het is een te hoge sociale prijs die veel jongeren moeten betalen op de huidige woningmarkt.
Het bestrijden van het tekort aan kamers en de invulling van de te vormen woonruimtes zijn een gezamenlijke opgave, maar op dit moment komt samenwerking niet volledig tot zijn recht. Middelgrote steden kunnen en willen hun verantwoordelijkheid nemen, maar hebben niet altijd de nodige kennis en ervaring in huis. Deze zijn vaak wel aanwezig bij gespecialiseerde studentenhuisvesters, maar die zijn vooral actief in de grotere steden.
Studentenhuizen kunnen ook een mooie aanvulling zijn binnen een wijk. Denk bijvoorbeeld aan de voorbeelden van studenten die inwonen bij ouderen. Grootschalige, anonieme studentencomplexen zijn niet overal wenselijk voor de leefbaarheid en samenhang in een buurt. Kleinschalige en beter ingepaste vormen van studentenhuisvesting sluiten vaak beter aan bij plaatselijke omstandigheden. Door het bundelen van lokale kennis van woningbouwcorporaties en ervaring van studentenhuisvesters snijdt het mes aan twee kanten en bouwen we aan gemeenschappen voor jong en oud.
Het CDA wil meer studentenwoningen bouwen. Dat kan alleen door samen te werken, met vertrouwen en een praktische instelling. Met een langetermijnvisie én tegelijk oog voor de uitdagingen van nu. Daarom doet het CDA een voorstel om het in 2022 gepresenteerde Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) te actualiseren. Daarbij roept het CDA het kabinet op om kennisuitwisseling structureel te stimuleren met een ondersteuningsprogramma studentenhuisvesting, gericht op gemeenten buiten de ‘Grote Vier’.
Het actieplan focust zich al op belangrijke uitdagingen zoals het beter benutten van bestaande bouw, meer nieuwbouw en betaalbaarheid, maar mist aandacht voor een onmisbaar onderdeel: gemeenschapszin. Studentensteden zijn een gemeenschap en studentenwoningen een gemeenschap daarbinnen. Ja, we moeten stevig inzetten op nieuwe studentenwoningen, maar laten we er dan ook voor zorgen dat het plekken zijn waar jongeren samenleven, zich kunnen ontwikkelen en verbonden voelen met elkaar.
Hanneke Steen is Tweede Kamerlid namens het CDA.
Joanne Sloof is landelijk voorzitter van het CDJA.

13 januari 2026

12 november 2025

25 juni 2025