
05 mei 2026
08 mei 2026 6 minuten lezen
De hoge winsten van oliebedrijven roepen vragen op over eerlijkheid, zeker nu de spanningen in het Midden-Oosten de olieprijzen opdrijven. Maar hoe ontstaan die winsten precies, en is een belasting op zogenoemde ‘overwinsten’ wel zo eenvoudig als het klinkt? In onderstaande tekst buigt Henri Bontenbal zich over dit vraagstuk.

Kunnen we de overwinsten van oliebedrijven extra belasten?
Deze week werden de kwartaalcijfers van Shell bekend gemaakt. Shell boekte in het eerste kwartaal een winst van 6,9 miljard dollar. Oliebedrijven profiteren van de hoge olieprijs door de oorlog in Iran. Het is begrijpelijk dat dan meteen de vraag weer naar boven komt: is het eerlijk dat oliebedrijven zulke winsten maken op dit moment? En zo niet, kunnen we deze bedrijven extra belasting laten betalen over deze gemaakte overwinsten? Nieuwsuur vroeg mij gisteren om een reactie. Maar omdat complexe zaken zich niet altijd in een korte quote laten vatten, wil ik er graag nog wat dieper op in gaan.
Waarom maken oliebedrijven zoveel winst?
De oliemarkt is een spel van vraag en aanbod. Door de oorlog in Iran is de beschikbaarheid van olie gedaald en dus stijgt de prijs. De oliemarkt is een mondiale markt. Op allerlei plekken in de wereld wordt olie opgepompt en in raffinaderijen tot afgeleide producten verwerkt, zoals benzine, diesel en kerosine. Over de hele wereld vindt handel en transport van deze producten plaats.
Om te begrijpen waarom deze bedrijven nu veel winst maken, is het belangrijk om te begrijpen hoe de oliemarkt in elkaar zit. Olie- en gasbedrijven als Shell, Total en BP zijn bedrijven die in alle onderdelen van de oliemarkt actief zijn. De markt kan grofweg in de volgende drie onderdelen worden uitgesplitst.
Upstream: dit zijn de bedrijfsactiviteiten die zich richten op het opsporen van olie- en gasvelden en deze exploiteren door olie- en gas op te pompen.
Midstream: eenmaal opgepompt moet de olie worden opgeslagen in tankopslagen en worden getransporteerd over de rest van de wereld (o.a. via schepen en pijpleidingen).
Downstream: in dit deel van de keten wordt olie in raffinaderijen verwerkt tot bruikbare brandstoffen, zoals benzine en diesel, en andere producten die in de chemie worden gebruikt. De brandstoffen worden via tussenhandelaren geleverd aan pompstations die deze benzine en diesel weer verkopen aan automobilisten.
Het ingewikkelde is dat de ruwe olie en ook de geraffineerde brandstoffen op allerlei manieren verhandeld worden. Een raffinaderij in Nederland koopt olie op de mondiale oliemarkt en betaalt daar dus meestal de prijs voor die op dat moment op de oliemarkt gerekend wordt. Is de olieprijs hoog, dan betaalt de raffinaderij ook een hoge prijs voor de ruwe olie en dat betekent dus ook dat de prijs van de geraffineerde brandstoffen hoger is.
Het is dus niet zo dat als Shell ergens in de wereld olie oppompt, deze olie ook intern wordt geleverd aan, en verwerkt wordt door een raffinaderij van Shell; het is ook niet zo dat een Shell raffinaderij altijd benzine en diesel levert aan Shell pompstations. De werkelijkheid is veel complexer: een BP-tankstation kan benzine inkopen bij een Shell raffinaderij die de olie weer op de wereldmarkt heeft gekocht bij Exxon.
De Europese oliebedrijven hebben daarnaast een belangrijke rol in de handel van olie en olieproducten. Ze maken winst met het slim handelen: op het juiste moment inkopen, op het juiste moment weer verkopen. De olie op een schip wat rondvaart op de oceaan is op het ene moment van Shell, maar een dag later weer van BP of Total en een paar dagen later weer van een andere eigenaar.
Om het nog ingewikkelder te maken: de ene olie is de andere niet. Een raffinaderij kan niet alle soorten olie verwerken. Zogenaamde Noord-Amerikaanse ‘crude’ is vrij licht, olie uit Venezuela vrij zwaar. Olie bevat allerlei componenten (zuurgraad, metalen, etc.) en raffinaderijen mengen dus allerlei olies om tot de juiste specificaties te komen.
Olie wordt dus constant verhandeld, gemengd, van een ander label voorzien.
Als ik het goed zie, wordt de winst van oliebedrijven vooral gemaakt in de upstream en de midstream: het oppompen en verhandelen van olie en gas. Door de hoge olieprijs maken bedrijven daar meer winst en ook in de handel zijn sommige Europese oliebedrijven heel goed.
De winst wordt dus gemaakt op de plekken waar de olie wordt geproduceerd. Europa produceert minder dan 4% van alle olie wereldwijd. In Nederland hebben we bijna geen olieproductie, maar wel relatief veel raffinaderijen. Het is niet gezegd dat die veel meer winst maken.
In de eerste weken na de oorlog zag je dat de marges in de raffinage sterk opliepen, maar bijvoorbeeld in april schoten de marges ook onder nul. Shell rapporteert dat ze meer marge hebben kunnen maken op de raffinage (van 14 naar 18 dollar per vat), maar de vraag is hoe lang dat zo blijft en of dat bij andere oliebedrijven ook zo is.
Wat ook niet vergeten mag worden, is dat raffinaderijen in Nederland ook elektriciteit, gas, waterstof en stikstof nodig hebben voor hun raffinaderij en dat de kosten daarvan ook stijgen.
De tankstations lijken niet meer winst te maken; integendeel, ze zien door de hoge prijzen aan de pomp de afname dalen (zeker in de grensregio’s).
Is de winst belastbaar?
Tsja, nu wordt het nog ingewikkelder…
De grote winsten worden door oliebedrijven namelijk niet in Nederland gemaakt. Daarnaast is een bedrijf als Shell niet meer gevestigd in Nederland. Dus waar moet een eventuele belasting op overwinst geheven worden?
We zouden het kunnen aanpakken zoals tijdens de energiecrisis in 2022.
In 2022 is een Solidariteitsbijdrage geïntroduceerd via de ‘Wet Tijdelijke Solidariteitsbijdrage’. Deze wet maakte het mogelijk om overwinsten te belasten. Die belasting zou de Nederlandse schatkist € 3,2 miljard moeten opleveren.
De belasting werd als volgt berekend. Eerst werd een referentiewinst bepaald, namelijk de gemiddelde belastbare winst voor de vennootschapsbelasting uit de vier voorgaande jaren. De overwinst werd dan bepaald als de belastbare winst van de referentiewinst plus 20%. Over deze overwinst werd 33% belasting geheven.
Maar ook hier moeten we toch even dieper graven… want in 2022 waren het vooral de gasprijzen die door het dak schoten, nu is het vooral de olieprijs. De gasprijs is wel gestegen, maar lang niet zo fors als in 2022. En dat maakt nogal uit, want in Nederland produceren we wel gas, maar weinig olie.
Dat kunnen we ook terugzien in de inschatting van de opbrengst die het Rijk destijds maakt. Van de 3,2 miljard euro die de Solidariteitsbijdrage moest opleveren, kwam slechts 0,8% uit de olieproductie (slechts 26 miljoen euro).
En er is nog een belangrijk verschil: in 2022 werd er nog gas gewonnen in Groningen. De gaswinning in het Groningenveld is per 1 oktober 2023 gestopt.
Dus als we dezelfde belasting zouden introduceren als in 2022, dan levert deze vermoedelijk weinig op.
Voor de jaren 2023 en 2024 heeft het Rijk de cijns verhoogd (via de Mijnbouwwet). Dat betrof een heffing van 65% over het deel van de omzet dat is behaald met de verkoop van aardgas tegen een gemiddelde prijs hoger dan € 0,50 per m3. De gasprijs schommelt echter rond die prijs, dus het kabinet geeft aan dat hier geen overwinsten worden verwacht.
Kortom, het beeld dat door sommigen wordt neergezet dat er in Nederland forse overwinsten gemaakt worden en dat die makkelijk kunnen worden belast, is echt te simpel.
Het echte probleem, de echte oplossing
Het echte probleem is natuurlijk dat we als Europa en Nederland zo enorm afhankelijk zijn van de internationale olie- en gasmarkt. Ja, daar worden door bedrijven en olieproducerende landen (de VS, het Midden-Oosten) forse winsten gemaakt, maar daar kunnen we helaas niet zoveel aan doen.
In 2024 importeerde de Europese Unie voor 376 miljard euro aan olie, gas en steenkool uit de rest van de wereld. Dat is meer dan 1 miljard euro per dag!
Voor het klimaat, maar zeker ook voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie, zullen we stevig moeten blijven inzetten op het energie-onafhankelijker maken van Europa.
Hoe? Door te blijven investeren in schone energiebronnen (hernieuwbaar en kernenergie), energiebesparing en andere schone technologieën, door elektrificatie van de industrie en mobiliteit. Dat is en blijft één van de grote opdrachten van Europa.

05 mei 2026

25 april 2026

21 april 2026