
27 oktober 2026
03 november 2026 4 minuten lezen
Vandaag heeft minister Van Essen van Landbouw nieuwe brieven over de landbouw, natuur-en stikstofbeleid naar de Tweede Kamer gestuurd. Er is geluisterd naar de verbetervoorstellen van LTO, NAJK, natuurorganisaties en provincies. Daarmee is gewerkt aan draagvlak en is een eerste vervolgstap gezet waarbij het pakket van juni verder is uitgewerkt en op belangrijke punten verbeterd.

Voor het CDA blijven drie doelen leidend: de vergunningverlening op gang brengen, boeren duidelijkheid en handelingsperspectief bieden en kwetsbare natuur herstellen. Die doelen blijven overeind, maar de weg ernaartoe sluit nu beter aan bij de praktijk.
Ten opzichte van de eerste uitwerking maakt het kabinet een duidelijke omslag: van een meer generieke aanpak naar een gebiedsgerichte aanpak. Provincies, natuurorganisaties en boeren krijgen nu tot begin 2028 de tijd om samen met een eigen gebiedsplan te komen. Daarbij is de staat van de natuur het uitgangspunt en is maatwerk mogelijk.
Met de inzet van de CDA-fractie en de betrokken CDA-bewindspersonen is daarmee een belangrijke stap gezet van Haagse systematiek naar een aanpak die het vakmanschap op het boerenerf centraal stelt.
Het kabinet haalt de kritische depositiewaarde (KDW) uit de wet. Dat staat in het wetsvoorstel dat naar de Kamer is gestuurd. Het stikstofreductiedoel ligt daardoor vast. Met de KDW in de wet kon dat doel nog meebewegen. Er wordt niet langer op stikstofneerslag gestuurd, maar op daadwerkelijke vermindering van de stikstofuitstoot.
Voor de landbouw worden deze doelen vertaald naar een eigen emissienorm per bedrijf, die iedere boer op zijn eigen manier, maar vóór 2035, kan halen. Boeren krijgen de ruimte om zelf te bepalen hoe zij dat doen. Er komt geen generieke korting. Wel is voor 2030 een streefdoel. De verwachting is dat dit doel gehaald kan worden. Maar als dat niet wordt gehaald, kunnen aanvullende maatregelen volgen.
Niet ieder natuurgebied is hetzelfde. Daarom wil het CDA geen aanpak die overal hetzelfde is, maar maatregelen die passen bij het gebied. Provincies krijgen samen met boeren en natuurorganisaties tot begin 2028 de tijd om eigen gebiedsplannen te maken. Daarbij is het uitgangspunt wat natuur nodig heeft en welke maatregelen in dat gebied het beste werken.
Dat is een belangrijke verbetering. De kennis en ervaring van boeren en provincies worden zo beter benut. Als een gebiedsplan voldoende bijdraagt aan natuurherstel en aan de juridische voorwaarden voldoet, kan ook de vergunningverlening in dat gebied weer op gang komen. Het doel is additionaliteit invullen. Natuurherstel is de weg.
Ook zorgen we ervoor dat de gebiedsgerichte aanpak zowel haalbaar als realistisch is. Daar hoort bij dat een gebied niet aan het onmogelijke gehouden kan worden, bijvoorbeeld door grote stikstofneerslag vanuit het buitenland. Daarom wordt de stikstof die vanuit het buitenland neerkomt onderdeel van de plannen, zodat ook in grensgebieden de vergunningverlening van het slot kan.
Natuurherstel is bovendien een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Ook natuurbeheerders krijgen doelen en middelen om de natuur beter te beheren.
Veel boeren zitten al jaren in onzekerheid over hun vergunning. Daarom zet het kabinet twee belangrijke stappen om de vergunningverlening weer op gang te helpen.
De rekenkundige ondergrens (RKO) wordt eerder maar zorgvuldig ingevoerd. Het kabinet wil dit al vóór de zomer van 2027 doen. Daardoor worden activiteiten een zeer kleine stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden vergunningvrij. De invoering van de RKO geeft verlichting.
Er komt een nieuw referentiemoment voor PAS-melders en interimmers. Bij de beoordeling van een vergunning kan dan worden uitgegaan van de huidige, rechtmatig bestaande situatie van een bedrijf, in plaats van een vaak onduidelijke situatie uit het verleden. Het kabinet voert het nieuwe referentiemoment in en werkt de randvoorwaarden uit met de sector, samen met een expertpool van wetenschappers. De invoering geeft een blijvende oplossing.
Een goede uitvoering begint bij de praktijk. Daarom is Kamerlid Jan Arie Koorevaar de afgelopen maanden langs alle provincies gegaan om met boeren te spreken. Samen met boerenorganisaties heeft het CDA ingezet op verbeteringen die de plannen in de praktijk haalbaar maken. In de brieven van vandaag zien we belangrijke verbeteringen terug die we in het land hebben opgehaald:
Met deze brieven is een belangrijke omslag gemaakt, maar de uitvoering begint nu pas. Doelen en maatregelen worden steeds duidelijker, maar de vertaling naar de praktijk moet sneller en uitgebreider. Daarom blijft het CDA aandringen op een helder tijdspad, volledig gevulde gereedschapskist en duidelijke randvoorwaarden, zodat boeren echt aan de slag kunnen.