Dries van Agt was de paradijsvogel in de jungle van de Haagse politiek. Heeft ons land ooit een premier gehad wiens taal, erupties en finesses zozeer deden denken aan rococo-kunst? Bij het overlijden van Dries en zijn geliefde Eugenie komen vele herinneringen uit een lang en rijkgeschakeerd leven naar boven. Zijn late liefde voor de cultuur en tradities van Japan. Zijn toverformules in Kamerdebatten. Zijn hoofsheid én plaaglust. Zijn fameuze vraaggesprekken op het scherpst van de snede en toch altijd verfijnd en virtuoos. Zijn politieke moed. Zijn cyclisme. Zijn ruggengraat op het wereldtoneel. Zijn plezier in de parafernalia van de publieke aandacht. Zijn ongekende kwaliteiten als campagnevoerder voor zijn partij, het CDA.

Wie de reeks functies en rollen van Van Agt in de politiek, wetenschap en samenleving aan zijn geestesoog voorbij laat gaan, kan alleen maar bewondering krijgen voor de veelzijdigheid en kwaliteiten van deze man. Hij was al jong een van de meest briljante hoogleraren op het gebied van de rechtswetenschap. Zijn vriend en studiegenoot Fons van der Stee benaderde hem voor het Wetenschappelijk Instituut van de KVP en enige tijd later zelfs voor een post in het kabinet-Biesheuvel. Zelf zei Van Agt daarover: “Ik was politiek een non-valeur, in elk geval politiek non-existent.”

Toch werd hij gevraagd voor rollen door partijvoorzitter Van der Stee. “Op titel van die nieuw verkregen status van professor. En op geen enkel andere. En omdat er verder geen jonge KVP’ers rondliepen die er interessant uitzagen. Ik was al gauw in die categorie – jong volk in de KVP – eenoog in het land der blinden. Ik had geeneens een oog, maar dat zagen ze niet.” Het is een van die karakteristieke uitingen van de zelfspot van Dries van Agt, van die ondeugende brille en hang naar relativering van het belang van het politiek bedrijf en de daar heersende ernst over zichzelf.

Speelse Schwung

Velen hebben Dries van Agt verweten dat hij met zijn houding en humor de politiek ridiculiseerde. Dat hij daarmee de democratie of iets dergelijks ondermijnde. Zoiets was deze fijnzinnige staatsrechtgeleerde echter volstrekt vreemd. Wie deze beschimpingen uitten gaven vooral aan niets te begrijpen van de diepere drijfveren van de politicus en christendemocraat die hij – ook – was. Van Agt had de essentie van de politiek in een democratische rechtsstaat hoog. Zijn buitengewone moed in tijden van gijzelingen, terreurdaden en aanslagen bewees dat. Hij was als minister van Justitie immers de eerstverantwoordelijke voor het optreden van de publieke diensten die hun leven in gevaar moesten willen brengen om die rechtsstaat en het leven van burgers te beschermen.

Waar hij zijn soms raillerende proza wel graag – en raak! – op richtte was het zelfgenoegzame milieu van de polarisatie, de gelijkhebberigheid ter linkerzijde en de sociale kilte ter rechterzijde. Hij was niet voor niets de leerling van Piet Steenkamp, die hij onbekommerd ‘Mijn politieke Heiland’ noemde. Intussen waren zowel die fundamentele opstelling als die ontregelende humor tegen de polariseerders zelden zo actueel en relevant als in de winter van Wilders. Tegen extreme zotteklap of de humorloosheid van de anti-Europese hetze kan ons land weinig beter gebruiken dan de herinnering aan en inspiratie van de speelse Schwung waarmee Dries van Agt hun geestverwanten destijds ontregelde, voor gek zette en de mond snoerde. Hij boog niet naar rechts en hij boog niet

naar links, maar boog graag voor het geamuseerd applaus dat zijn bravoure met de Nederlandse taal op zulke momenten kon oogsten.

Bewondering wereldwijd

Van Agt was een man van politieke primeurs. De eerste lijsttrekker en eerste premier namens het CDA. De eerste premier sinds Drees, die drie kabinetten leidde. De eerste Nederlander die zowel de ambassadeur van de EU in Washington als die in Tokyo werd. Maar het is meer dan dit alleen. Hij was de eerste premier na de oorlog die op het Europese en wereldtoneel een herkenbare en buiten ons land bewonderde rol speelde. Zowel binnen de EU, als binnen de NAVO leerde men Dries van Agt kennen als beminnelijk, verfijnd in zijn talenknobbel en spijkerhard. Niet alleen bij gijzelingen die wereldwijd voorpaginanieuws waren, maar ook in onderhandelingen over het antwoord van het Westen op de militaire en nucleaire dreiging vanuit het Kremlin.

Van Agt liep bij de kwestie van de kruisraketten over een heel dun randje met aan beide zijden van zijn wandelpad een diep ravijn. Enerzijds kon en wilde hij in het bondgenootschap geen uitzonderingspositie van Nederland, anderzijds wilde hij voorkomen dat zijn kabinet en partij ten onder gingen in de polarisatie daaromtrent. Ga er maar aan staan. De wijze waarop hij deze internationale perikelen niet alleen doorstond, maar ook overwon, zorgde ervoor, dat hij wereldwijd bewonderaars kreeg en hield.

Het leidde tot opmerkelijke, langdurige vriendschappen. Het was in eigen land niet erg bekend, maar de Duitse sociaaldemocraat uit Hamburg, de ‘Weltökonom’ Helmut Schmidt is in die jaren een groot vriend van die roomse christendemocraat uit het Brabantse Geldrop geworden. Toen de stad Hamburg en de SPD aan hun ereburger Schmidt een feestdiner aanboden voor zijn 95e verjaardag zat de politieke wereldtop aan de dis. Oude vriend Henry Kissinger sprak de aanwezigen toe. Onder hen twee Nederlanders: Schmidts rode partijgenoot Max van der Stoel en Dries van Agt.

“Een vleesgeworden paap”

Voor veel Nederlanders was en bleef hij door die veelzijdigheid en intellectuele brille een ongrijpbaar verschijnsel. Hij had het imago van een zedeprediker tegen emancipatie, abortus en drugs. In realiteit zorgde hij voor de komst van het ‘gedoogbeleid’ en voor een wetgeving rond de afbreking van zwangerschappen die men de facto nimmer heeft willen ‘liberaliseren’ en die als een toonbeeld van omzichtigheid en medische zorg voor vrouwen erkend werd, achteraf. Van Agt werd als een clown en Prins Carnaval geschetst en tegelijkertijd als een zwartgerokte pater. Hij werd ongekend populair als wielrenfanaat en kreeg er woorden over met Koningin Juliana. Hij was kleurrijk, snel geraakt en in politieke debatten met opzet kil, om zijn emoties niet de overhand te doen krijgen. Zijn proza was poëtisch, zijn beleid zelden episch.

Van Agt was de eerste om toe te geven, dat zijn drie kabinetten niet alleen maar lof verdienden voor hun prestaties. Zijn tweede kabinet had hij tegen ongeveer elke prijs willen voorkomen zelfs. Zowel in 1977 als in 1981 heeft hij bijna wanhopig gepoogd iemand anders in zijn plaats minister president te maken. Jelle Zijlstra zelfs beide malen. Voor deze antirevolutionair en diens geestverwant Jan de Koning had hij een ongekende bewondering, want eenkennig was Van Agt niet. Eigenzinnig was hij daarentegen in vele vormen. Zijn kabinetscollega uit de CHU, Joop van der Reijden, gaf de wellicht beste duiding daarvan. “Wel bleef van Agt voor mij een vleesgeworden paap, maar op zijn paapse manier was hij standvastig en hoe gek-ie ook deed, hij was een innemende persoonlijkheid.” Zelf

omschreef hij zich als een taai reptiel, een koudbloedig nachtdier dat als iedereen sliep op jacht ging en daarna onvindbaar in zijn hol wegkroop.

Tegelijk hunkerde hij naar erkenning en warmte. “Ik hield van de franje; beetje zwier, beetje aardigheid, een vleugje byzantinisme.” Dat had alles te maken met zijn zwierige persoonlijkheid en onbekommerd roomse blijheid. “Het beneden-Moerdijkse geloven is niet het lopen onder een juk van verplichtingen, het is het wandelen in de zon,” waarin het gebed niets minder was dan “een steeds wederkerende golfslag aan de voeten van de Almachtige.”

Sapristi!

Geen wonder dat Dries van Agt onder de meer rechtzinnige protestanten in het land en het CDA bijna nog populairder werd dan in katholiek Nederland. En evenmin mag verrassen, dat linkse journalisten als Max van Weezel geen genoeg konden krijgen van interviews, confrontaties, vraaggesprekken en autoritjes met Dries van Agt naar wielerrondes en al die andere plekken waar zijn fans hem toejuichten en hij de bloedige ernst van het Binnenhof een middag kon ontvluchten.

Het was niet meer dan logisch, dat een serie tv-gesprekken over politiek leiderschap en het ambt van premier - ‘Kijken in de ziel’ - een late triomf voor hem werd. De gesprekken met Wim Kok en Jan Peter Balkenende waren in die reeks zeer de moeite waard, maar een nieuwe generatie Nederlanders kreeg voor het eerst de bijna 90-jarige Dries van Agt op het scherm voor zich. In gebeeldhouwd proza, met zelfspot, relativering, diepgang en een verrassend kwetsbare openheid veroverde hij een geheel nieuw publiek dat zestig jaar en meer jonger was dan hijzelf. Het wonder was niet, dat hij dit kon, het wonder was het gemak, de vanzelfsprekendheid en de charme waarmee hij dit deed. Nog altijd zijn speelse Schwung.

Feilloos was hij niet. Wie wel? Met zijn partij had hij het af en toe te stellen. Maar vonden anderen na hem soms ook niet dat hun CDA best wat meer dit of minder dat kon wezen of doen? Het kon en kan allemaal niet wegnemen dat Dries van Agt uniek was. De eerste nummer één van het CDA. De stoutmoedige en standvastige. De woordkunstenaar die in onze taal uitdrukkingen als ‘sapristi!’, ‘à tort et à travers’, ‘soms vloek ik de straatstenen uit de grond’ of ‘rebus sic stantibus’ tot nieuw leven wekte.

Ergens sprak het cultuurhistorisch geheel voor zich, dat Van Agt in zijn latere loopbaan voor de EU het land van de Rijzende Zon ontdekte en zich helemaal thuis voelde. Het was immers de tijd van rococo in de 18e eeuw die het oriëntalisme modieus maakte, met de Japanse vazen, schotels en beeldjes van porselein. De kunstenaars in de verfijnde, zwierige stijl van die periode waren gefascineerd door de strakke, verfijnde kleuren en vormen uit Japan en door wat men in die jaren ‘chinoiserie’ noemde. Dries van Agt was in zijn eigen stijl en taal een rococo-kunstenaar en hij en Japan moesten elkaar dus wel vinden.

Het is met een glimlach dat een dankbaar en weemoedig CDA hem mag gedenken. Om zijn buitengewone persoonlijkheid en beminnelijkheid. Om zijn soms snaakse speelsheid in het politieke spel en om zijn grote ernst om de principes. Om zijn successen voor en met zijn partij en zijn oprecht besef van zijn feilbaarheid daarbij. Om zijn ‘beneden-Moerdijkse geloven’ waar men boven die waterscheiding af en toe ook wel wat van zou mogen meekrijgen. Laten we in zijn geest dan ook wat vaker wandelen in de zon en met hem het ruisen horen van die “steeds wederkerende golfslag aan de voeten van de Almachtige.”

 

PG Kroeger is historicus en schreef veel over het CDA en zijn historie. De citaten in dit IM komen uit zijn boek, samen met Jaap Stam, ‘De rogge staat er dun bij. Macht en verval van het CDA 1974-1998’

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.