30 juni 2026 1 minuten lezen

Eer­ste Kamer behan­delt box 3

De Eerste Kamer debatteerde 30 juni over de Wet werkelijk rendement box 3. De CDA-fractie beoordeelde het voorstel bij monde van senator Janny Bakker-Klein aan de hand van vier e's: eerlijk, efficiënt, effectief en eenvoudig. 

"De zoektocht naar een rechtvaardig en uitvoerbaar alternatief voor een forfaitair rendement in box 3 houdt deze Kamer al geruime tijd bezig." Zo opende CDA-senator Janny Bakker-Klein haar bijdrage aan het debat over de Wet werkelijk rendement box 3 in de Eerste Kamer op 30 juni. 

Een goed belastingstelsel moet voldoen aan vier beoordelingscriteria. Dat zijn de vier e's: eerlijk efficiënt, effectief en eenvoudig. 

Janny Bakker-Klein

Een goed belastingstelsel moet voldoen aan vier beoordelingscriteria. Dat zijn de vier e's: eerlijk efficiënt, effectief en eenvoudig. Als chambre de réflextion heeft de CDA-fractie het wetsvoorstel langs de lijn van die vier e's gelegd en daarover vragen gesteld aan de staatssecretaris fiscaliteit. Janny sloot haar bijdrage af met de verwachting dat de staatssecretaris serieus omgaat met haar vragen, zodat de Eerste kamerfractie na het zomerreces op basis van de doorwerking daarvan tot een integrale afweging met betrekking tot proportionaliteit en uitvoerbaarheid van het gewijzigde wetsvoorstel kan komen. 

Lees hier de volledige debatinbreng van het CDA in de Eerste Kamer.

Voorzitter, De zoektocht naar een rechtvaardig en uitvoerbaar alternatief voor een forfaitair rendement in box 3 houdt deze Kamer al geruime tijd bezig. De tijdelijke noodmaatregel met de tegenbewijsregeling rekent nog steeds met aannames in plaats van met echte opbrengst. Ook biedt deze regeling geen kostenaftrek voor kleine vastgoedbeleggers die één of twee panden verhuren en daarmee hun pensioen willen aanvullen. Dat is naar de mening van de CDA-fractie nog steeds onrechtvaardig. Daar komt bij dat de huidige tegenbewijsregeling alleen door belastingplichtigen wordt ingeroepen als het werkelijke rendement lager is dan de forfaitaire rendementen. Dat maakt dat deze tussenregeling de schatkist, en dus ook de niet-vermogende belastingbetaler, veel geld kost.

Het huidige wetsvoorstel zorgt ervoor dat altijd het werkelijke rendement in aanmerking wordt genomen. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt hier dus een verbetering in aangebracht ten opzichte van het forfaitaire systeem dat we nu hebben. Er wordt ook een kostenaftrek voor vastgoedbeleggers mogelijk. Hierover heeft onze fractie een vraag aan de staatssecretaris. Stel dat dit wetsvoorstel niet op een meerderheid mag rekenen in deze Kamer. Is het dan denkbaar om de verbetering die dit wetsvoorstel voor vastgoedbeleggers brengt naar voren te halen en te regelen bij het Belastingplan?

Voorzitter. Toen ik in 2023 als lid van deze Kamer het belastingdossier van mijn voorganger Peter Essers overnam, adviseerde hij mij om het boek Elementair belastingrecht te lezen en zo mijn fiscaal-juridische kennis te actualiseren. Ik heb dat boek in de zomer van 2023 gelezen en ik heb het er in de afgelopen week nog eens op nageslagen. Het boek begint met de grondbeginselen van onze belastingheffing. Om ons belastingsysteem goed te laten functioneren, is het belangrijk dat we zorgvuldig omgaan met de belastingmoraal in ons land. Dat wil zeggen: de mate waarin burgers en bedrijven bereid zijn om vrijwillig belasting te betalen en zich aan belastingregels te houden.

Volgens het boek zijn er vier beoordelingscriteria waaraan een goed belastingstelsel moet voldoen. Dat zijn de vier e's: eerlijk, efficiënt, effectief en eenvoudig. In onze rol als chambre de réflexion leek het mij goed om het voorliggende wetsvoorstel over box 3 nog eens langs de lijn van die vier e's te leggen. In de eerste plaats: eerlijk. Een belastingstelsel moet eerlijk zijn. Dat wil zeggen dat het gedragen wordt door het rechtvaardigheidsgevoel en de rechtvaardigheidsopvattingen van onze samenleving. Het CDA bepleit al geruime tijd een volledige vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen. Daarin zijn we ook nu consistent. Belastingheffing op het moment van realisatie is nu ook het uitgangspunt bij box 1, box 2 en de vennootschapsbelasting. Niemand betaalt graag belasting, maar een vermogenswinstbelasting wordt wel door iedereen eerlijk en rechtvaardig gevonden. Daarvoor is dus ook maatschappelijk draagvlak. Dat maatschappelijk draagvlak ontbreekt bij een vermogensaanwasbelasting, waarbij belasting wordt geheven op niet-gerealiseerde winst. Uit de vele honderden brieven die we hierover hebben ontvangen van met name kleine beleggers — ik ga proberen die in de zomer allemaal te beantwoorden — komt naar voren dat deze manier van belastingheffing als onrechtvaardig wordt ervaren. De heer Baumgarten van JA21 verwees daar ook al naar.

Voorzitter. Waarom wordt in dit wetsvoorstel dan toch nog steeds voor een vermogensaanwasbelasting gekozen? Als we het goed hebben begrepen, is in dit wetsvoorstel om twee redenen niet gekozen voor een volledige vermogenswinstbelasting. De eerste reden is dat de banken dat niet aan zouden kunnen. Tijdens de deskundigenbijeenkomst gaven de banken echter aan dat ze hier inmiddels wel toe in staat zijn. Hoe weegt de staatssecretaris die uitspraak?

Het eerste is dus dat de banken er nu wel toe in staat zouden zijn volgens de deskundigenmeeting. Ik vind het belangrijk om te horen hoe de staatssecretaris dat weegt. Een tweede reden is de angst voor het lock-ineffect. De belastingplichtigen zouden dan de realisatie van winst uitstellen, zodat er geen heffing kan plaatsvinden. In box 2 waren we ook bang voor het lock-ineffect. Dat bleek zich ook wel voor te doen. Inmiddels hebben we echter geleerd dat het uitstelgedrag, meneer Van Apeldoorn, effectief kan worden tegengegaan door een progressief tarief. In de ons omringende landen, die allemaal een vermogenswinstbelasting kennen, is hiervoor ook een tussenoplossing gevonden, waarbij twee tarieven worden gehanteerd, zoals bij ons ook al bij de heffing over winst uit aanmerkelijk belang gebeurt. Dat stimuleert om jaarlijks een deel van de vermogenswinst te realiseren tegen het eerste tarief, in plaats van het helemaal uit te stellen. De vraag aan de staatssecretaris daarover is: heeft hij oplossingen voor het lock-ineffect overwogen zoals we die van box 2 hebben geleerd of zoals ze in omliggende landen worden toegepast, met die twee tarieven?

Dan het tweede punt. Naast eerlijk moet een belastingstelsel ook effectief zijn. Dat betekent dat gestelde doelen van fiscaal beleid ook daadwerkelijk moeten worden gerealiseerd. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, is Nederland straks het enige land dat een vermogensaanwasbelasting kent. Tijdens de deskundigenbijeenkomst is duidelijk geworden dat eigenlijk niemand weet wat de economische effecten hiervan voor Nederland zullen zijn. We gaan hiermee dus echt een risicovol experiment aan. Hoe weegt de staatssecretaris dit risico ten opzichte van de geraamde opbrengst van de vermogensaanwasbelasting?

Een derde belangrijk aspect van goede belastingwetgeving is dat het efficiënt moet zijn. Dat criterium houdt in dat de gestelde doelen met zo min mogelijk uitvoeringskosten moeten worden verwezenlijkt. Voor de uitvoering van dit wetsvoorstel zijn 900 extra ambtenaren nodig. De kosten daarvan kunnen worden geraamd op bijna een miljard euro. Daarnaast kosten de door de regering voor na de zomer aangekondigde novelle en de voorstellen daarin voor een carrybackregeling ook nog eens 1,3 miljard euro. De Raad van State waarschuwt voor de uitzonderlijke complexiteit van dit wetsvoorstel en de risico's voor de uitvoering en de rechtsbescherming.

Voorzitter. Vorig jaar heeft de CDA-fractie met tegenzin ingestemd met de Wet tegenbewijsregeling, wetende dat het om een tijdelijke oplossing zou gaan en dat een duurzame oplossing in de maak was. Het wetsvoorstel dat nu voorligt, biedt helaas nog steeds geen duurzame oplossing. Het is opnieuw een tijdelijke regeling, waarvan de regering zegt dat het een noodzakelijke tussenstap is naar een volledige vermogenswinstbelasting op alle vermogensbestanddelen. Na jaren van juridische procedures, herstelwetgeving en voortdurende wijzigingen in box 3 — meneer Schalk zei "de pleisters plakkend" — hebben belastingplichtigen behoefte aan een stabiel en voorspelbaar belastingstelsel. Door nu een tijdelijke aanwasbelasting in te voeren, verdwijnt de urgentie om over te stappen naar een stelsel dat uitgaat van daadwerkelijk gerealiseerde winsten. Daarmee dreigt een minder wenselijke tussenoplossing een permanent karakter te krijgen.

Onze zorg daarover wordt bevestigd in een passage uit de ambtelijke nota Mogelijke aanpassingen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement, waarin op pagina 5 gezegd wordt dat met deze wet en de aangekondigde novelle het ICT-portfolio volledig volgepland is tot 2029, waardoor er pas op een later tijdstip ruimte zal zijn voor de doorontwikkeling van het box 3-stelsel naar een vermogenswinstbelasting. De heer Van Rooijen van 50PLUS verwees hier ook naar. Onze vraag hierover aan de staatssecretaris is hoe de uitvoering van de tegenbewijsregeling op dit moment eigenlijk verloopt. Is de staatssecretaris al begonnen met de voorbereiding van een volledige vermogenswinstbelasting? Kan de staatssecretaris concreet aangeven op welke datum een stelsel dat uitgaat van vermogenswinstbelasting zal worden ingevoerd? Nu al wordt voorzien in een vermogenswinstbelasting voor vastgoed, start-ups en scale-ups. Is er een fasering denkbaar waarbij stapsgewijs voor steeds meer categorieën een vermogenswinstbelasting wordt ingevoerd? Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om in die tussenliggende periode, dus terwijl die vermogenswinstbelasting stapsgewijs wordt ingevoerd, de invoering van een vermogensaanwasbelasting uit te stellen?

Voorzitter. We kunnen veel van dit wetsvoorstel zeggen, maar eenvoudig is het in ieder geval niet. Daarmee kom ik bij het laatste criterium voor goede belastingwetgeving. Tijdens de deskundigenbijeenkomst werd voorspeld dat het ongeveer tien jaar gaat duren voordat iedereen die vermogensaanwassystematiek een beetje in de vingers heeft, dus zowel burgers als adviseurs als de Belastingdienst. Tot die tijd zal dit veel druk leggen op de uitvoering door een toch al overbelaste Belastingdienst.

Voorzitter. Ik heb nog een vraag aan de staatssecretaris die te maken heeft met de eenvoudigheid van het stelsel. De vraag is: ligt het vanuit het oogpunt van uitvoerbaarheid niet meer voor de hand om nog in deze kabinetsperiode stapsgewijs een vermogenswinstbelasting in te voeren? Iedereen is daarmee namelijk, vanwege de ervaring met box 1, box 2 en vpb, veel meer vertrouwd. Dan hoeven we achteraf ook geen complex en kostbaar correctiemechanisme in te voeren.

Voorzitter, ik ga afronden. Onze fractie begrijpt heel goed dat er een oplossing moet komen voor een budgettair probleem, maar dat probleem mag niet leidend zijn bij de afweging die we als Eerste Kamer moeten maken over dit wetsvoorstel. Voor ons is het van belang dat belastingwetgeving eerlijk, efficiënt, effectief en eenvoudig is. Naar onze overtuiging voldoet dit wetsvoorstel daar op dit moment nog niet aan. De maatregelen in de novelle die door deze regering is aangekondigd, laten de kern van het wetsvoorstel onveranderd. Onze fundamentele bezwaren tegen belastingheffing over niet-gerealiseerde vermogensgroei blijven daarmee onverminderd bestaan. Wij gaan ervan uit dat de staatssecretaris serieus met onze vragen omgaat, zodat we na het zomerreces de doorwerking zien en als Eerste Kamerfractie tot een integrale afweging met betrekking tot proportionaliteit en uitvoerbaarheid van het gewijzigde wetsvoorstel kunnen komen.

Dank u wel, voorzitter.

Lees
ver­der