09 september 2026 1 minuten lezen

Har­men geeft lezing over de toe­komst van het media­land­schap

Tijdens een speciale lezing voor CDA-leden stond Harmen stil bij de staat en de toekomst van het medialandschap in Nederland. Lees hier zijn volledige toespraak.

Harmen ging tijdens zijn lezing in op de waarde van een pluriform medialandschap. Ook besprak hij de uitdagingen waar media in Nederland voor staan. Tot slot gaf hij vijf opdrachten mee voor de toekomst:

  1. Bescherm de pluriformiteit.
  2. Zorg voor sterke Nederlandse publieke én commerciële media.
  3. Zet Big Tech niet buiten de samenleving.
  4. Investeer in journalistiek dichtbij.
  5. Bewaak de menselijke bron in het AI-tijdperk.

 

Lees hier de volledige lezing van Harmen

Een kijk over het medialandschap

Dames en heren,  

Dank voor de uitnodiging. Voor de mensen die mij niet kennen, mijn naam is Harmen Krul, als Tweede Kamerlid ontferm ik mij over media. 

Ik moet daarbij bekennen dat mijn naamsbekendheid onder de 1% ligt, dus als dat voor een media-woordvoerder een graadmeter is voor zijn kennis en kunde, neem mijn lezing dan bij voorbaat met een korreltje zout. Het is bijzonder om juist aan de Groen van Prinsterertafel te mogen spreken over media.

Want Groen van Prinsterer was natuurlijk politicus, historicus en staatsman. Maar hij begreep ook iets van media. Hij publiceerde, polemiseerde en gebruikte de pers om ideeën in het publieke debat te brengen. 

Als Groen vandaag Kamerlid was geweest, had hij vermoedelijk een nieuwsbrief gehad. Een podcast. Misschien een YouTube-kanaal. TikTok weet ik niet. 

Al moet ik toegeven: “Ongeloof en Revolutie” in zeven filmpjes van dertig seconden, het had zomaar kunnen werken.  Maar achter dat grapje zit iets serieus. 

Groen begreep dat een samenleving niet alleen bestaat uit een overheid aan de ene kant en losse individuen aan de andere. Daartussen zitten gemeenschappen, verenigingen, scholen, kerken, kranten, omroepen en allerlei andere verbanden waarin mensen elkaar ontmoeten, ideeën vormen en verantwoordelijkheid nemen. 

Hij begreep dat ideeën instituties nodig hebben. Politiek bestaat niet alleen uit verkiezingen en parlementen. Een samenleving heeft plaatsen nodig waar ideeën worden gevormd, besproken en bestreden. En precies daarom is mediabeleid voor een christendemocraat geen technisch dossier.  

Het gaat over zendtijd en frequenties, over de inrichting van ons omroepbestel en over de vraag hoeveel publiek geld naar Hilversum gaat. Maar daaronder ligt een veel grotere vraag.  

Mediabeleid gaat uiteindelijk over de vraag: hoe organiseren wij het publieke gesprek in een vrije samenleving?  Wie komt daarin aan het woord, wie bepaalt wat wij zien, wie draagt verantwoordelijkheid, en misschien wel de belangrijkste vraag: blijven wij elkaar nog tegenkomen?  Dat is waar ik het vanavond over wil hebben.  

Want mijn stelling is dat Nederland niet zozeer een crisis van mediaconsumptie beleeft. Nederlanders kijken, lezen, luisteren en scrollen nog altijd volop.  Wij beleven vooral een verschuiving van mediamacht.  

Die macht verschuift van redacties naar platforms, van Nederlandse bedrijven naar mondiale techreuzen en van de hoofdredacteur naar het algoritme. En misschien straks nog een stap verder: van de journalist naar kunstmatige intelligentie.  

Dat vraagt om een antwoord. En ik denk dat juist de christendemocratie daarvoor een aantal verrassend actuele ideeën in huis heeft.  

Pluriformiteit
Laat ik beginnen bij een woord dat in mediadebatten nogal ambtelijk kan klinken: pluriformiteit. Voor mij is dat helemaal geen technisch mediawoord. Het raakt aan een fundamentele christendemocratische overtuiging.  

Mensen zijn niet hetzelfde. We denken, geloven en leven verschillend en we stemmen – gelukkig voor de democratie, soms wat minder gelukkig voor het CDA – ook niet allemaal hetzelfde.  En dat verschil moeten we niet weg willen organiseren.  

We leven samen. We hebben het samen te doen. En dus moeten we ons tot elkaar verhouden. Verscheidenheid is geen probleem dat moet worden opgelost. Het is een werkelijkheid die bij een vrije samenleving hoort – en die die samenleving ook sterker kan maken. Dat geldt voor scholen, verenigingen, maatschappelijke organisaties en dus ook voor media.  

Daarom vind ik het Nederlandse publieke omroepbestel in de kern zo interessant. Wij hebben historisch niet gekozen voor één grote staatsomroep die namens Nederland bepaalt wat Nederland moet zien.  

Wij hebben gekozen voor een bestel waarin verschillende maatschappelijke stromingen een plek kregen.  Katholieken, protestanten, socialisten, liberalen - later allerlei nieuwe groepen en geluiden.  Je zou kunnen zeggen: gespreide verantwoordelijkheid in televisievorm.  

Dat systeem was soms onoverzichtelijk. Het was soms inefficiënt. En wie wel eens een schema van alle omroepverenigingen, bestuurslagen en geldstromen heeft bekeken, weet dat de Heilige Geest ook niet overal orde heeft geschapen. Daarom steun ik hervorming.  Maar het achterliggende principe moeten we koesteren: niet één stem van bovenaf, maar verschillende stemmen vanuit de samenleving. En pluriformiteit wordt pas interessant wanneer het schuurt. 

Dat brengt mij onvermijdelijk bij Ongehoord Nederland. Vandaag is bekend geworden dat de erkenning van ON! definitief wordt ingetrokken. 

Ik steun dat besluit. Niet omdat ON! een geluid liet horen waar ik het vaak hartgrondig mee oneens was. Als dat de maatstaf wordt, kunnen we in Den Haag nog een hele lijst maken. Wel omdat deelname aan het publieke bestel niet vrijblijvend is. Wie publieke middelen ontvangt en onderdeel is van onze publieke informatievoorziening, heeft zich te houden aan wet- en regelgeving, aan een redactiestatuut en aan journalistieke kwaliteitseisen. Vrijheid en verantwoordelijkheid horen bij elkaar.  

Pluriformiteit betekent dat vrijwel iedere overtuiging aan tafel moet kunnen zitten.  Maar het betekent niet dat er aan die tafel geen spelregels gelden.  En toch vind ik het vertrek van ON! niet alleen maar reden voor feest.  

Want de kijkers van ON! verdwijnen morgen niet. Hun overtuigingen, hun wantrouwen en hun behoefte aan een ander geluid verdwijnen evenmin. En daar moeten wij iets mee.

Ik heb honderd keer liever dat iemand kijkt naar een programma waarvan ik de inhoud verschrikkelijk vind, maar waar een hoofdredacteur zit, een redactiestatuut geldt, journalistieke codes bestaan en uiteindelijk iemand aanspreekbaar is, dan dat diezelfde Nederlander zijn informatie uitsluitend gaat halen uit een anoniem Telegramkanaal waar niemand verantwoordelijkheid draagt. Dat is geen argument om de normen voor een publieke omroep te verlagen. 

Integendeel. 

Het is een argument om veel serieuzer na te denken over de vraag waar verschillende geluiden in onze samenleving een verantwoord podium vinden. Want pluriformiteit is niet hetzelfde als fragmentatie. In een pluriforme samenleving verschillen we van mening, maar erkennen we elkaar nog wel als deelnemers aan hetzelfde gesprek. 

In een gefragmenteerde samenleving leven we uiteindelijk in verschillende werkelijkheden. En ik vrees dat daar een van de grootste uitdagingen van ons huidige medialandschap ligt. 

Van verzuiling naar veralgoritmisering
We hebben in Nederland lang wat lacherig gedaan over de verzuiling. Iedereen had zijn eigen krant, omroep, school en vereniging. En natuurlijk had dat systeem grote nadelen. Mensen konden volledig binnen hun eigen kring leven. Maar die zuilen deden ook iets anders: zij organiseerden gemeenschappen.

Die zuilen waren herkenbaar en georganiseerd. Ze hadden bestuurders en redacties, waren aanspreekbaar en moesten zich uiteindelijk ook tot andere maatschappelijke groepen verhouden.  Wij dachten vervolgens dat de ontzuiling betekende dat die behoefte aan gemeenschappen en verhalen verdwenen was. Volgens mij was dat een vergissing.

Misschien zijn we zelfs niet echt ontzuild, maar opnieuw verzuild - dit keer door algoritmes. En het fundamentele verschil is dit: De oude zuilen wilden dat je ergens bij hoorde. De nieuwe zuilen willen vooral dat je zo lang mogelijk blijft kijken. Dat is geen complottheorie. Dat is gewoon het verdienmodel. 

Een journalistieke redactie vraagt: wat is vandaag belangrijk? Een aanbevelingsalgoritme vraagt: waar blijft deze gebruiker waarschijnlijk nog wat langer voor hangen? Die twee vragen kunnen hetzelfde antwoord opleveren, maar dat hoeft bepaald niet. En ondertussen verandert ons mediagedrag razendsnel. 

In 2025 keek de gemiddelde Nederlander nog 118 minuten per dag naar reguliere televisiezenders. Bijna twee uur. Televisie is dus bepaald niet dood. Maar die kijktijd daalt wel stevig. 

Tegelijkertijd is YouTube inmiddels een massamedium. Volgens de advertentiedata van Google kon YouTube eind 2025 potentieel ruim 15 miljoen Nederlanders bereiken. Vijftien miljoen. We praten dus niet meer over een platform waarop wat jongeren filmpjes kijken; voor een belangrijk deel van Nederland is YouTube gewoon televisie geworden. 

En vooral bij jongeren verandert ook de manier waarop nieuws wordt gevonden. NOS Stories heeft meer dan een miljoen volgers op TikTok en Instagram. Nieuwe nieuwsmakers en zogenaamde newsfluencers bereiken honderdduizenden jongeren. 

Dat is op zichzelf niet verkeerd. Sterker nog: ik vind het fantastisch als jonge makers erin slagen mensen bij politiek, samenleving en nieuws te betrekken die wij met een journaal van twintig minuten niet meer bereiken. Maar de poortwachter verandert. Vroeger koos je een krant, later een zender. Nu kies je soms alleen nog een platform, en kiest het platform vervolgens wat jij te zien krijgt. Dat raakt aan iets fundamenteels. 

Want een algoritme hoeft mij niet met Nederland te confronteren. Het kan mij vooral míjn Nederland laten zien. Het kan mij een Nederland laten zien waarin iedereen ongeveer dezelfde zorgen, boosheid, culturele voorkeuren en politieke filmpjes heeft als ik, terwijl mijn buurman ondertussen een totaal ander Nederland voorgeschoteld krijgt. 

De democratische uitdaging is misschien niet dat we het niet meer met elkaar eens zijn. Dat zijn we nooit geweest. De uitdaging is dat we geen mensen meer tegenkomen met wie we het oneens zijn. 

Publieke en commerciële media
Dat brengt mij bij een tegenstelling die ik in Den Haag vaak te gemakkelijk vind: publieke media tegenover commerciële media. Alsof de publieke omroep vanzelf verheven is en commerciële media iets zijn waarvoor je je een beetje moet verontschuldigen. Daar geloof ik niets van. 

Ik ben een groot voorstander van een sterke publieke omroep. Juist omdat er journalistiek, cultuur, educatie, Nederlandse producties en programma's voor kleinere doelgroepen moeten bestaan die niet uitsluitend afhankelijk zijn van commerciële opbrengst. 

Maar publieke waarde betekent niet dat iedere organisatie, ieder programma en iedere managementlaag automatisch publieke waarde heeft.  Voor 2026 gaat er ruim één miljard euro om in de landelijke publieke omroep. 

Wie vindt dat de publieke omroep belangrijk is, heeft juist de plicht kritisch te zijn op hoe iedere publieke euro wordt besteed.  Daarom: hervormen, vereenvoudigen, minder bestuurlijke versnippering – maar de publieke opdracht overeind houden. 

De plannen om de huidige elf ledenomroepen uiteindelijk in een kleiner aantal omroephuizen onder te brengen, kunnen daarbij helpen, mits we één ding niet uit het oog verliezen: maatschappelijke pluriformiteit mag niet sneuvelen in bestuurlijke efficiëntie. 

Maar naast een sterke publieke omroep hebben we sterke commerciële Nederlandse media nodig. Ik ben blij dat RTL Nieuws en BNR bestaan, dat kranten als Trouw, NRC, De Telegraaf, het AD en het FD bestaan, en dat producenten Nederlandse programma's maken waar mensen uit vrije wil naar kijken en voor betalen.

Niet ondanks het feit dat zij commercieel zijn, maar mede dankzij het feit dat zij commercieel zijn. Economische zelfstandigheid kan óók een bron van onafhankelijkheid zijn. En er is nog een heel praktische reden waarom we publiek én commercieel nodig hebben. 

De kijker van Hart van Nederland is niet vanzelfsprekend de kijker van RTL Nieuws. De kijker van RTL Nieuws zit weer niet iedere avond bij het NOS Journaal, en andersom. Dat is geen probleem dat we moeten oplossen; dat ís pluriformiteit. 

Als wij willen dat zo veel mogelijk Nederlanders toegang hebben tot onafhankelijk en professioneel gemaakt nieuws, moeten we aanwezig zijn op de plekken waar verschillende groepen Nederlanders daadwerkelijk kijken.

Daarom is het voor mij niet óf publiek óf commercieel. Het is én-én. Niet één loket voor betrouwbaar nieuws, maar meerdere sterke journalistieke merken die verschillende publieken bereiken en zich allemaal aan professionele normen verbinden. Als Publiek ervoor zorgt dat commercieel van de buis verdwijnt, dan vluchten de kijkers van Hart van Nederland niet naar het NOS Journaal, maar gaan ze hun nieuws van social media halen.

En bovendien is de echte strijd steeds minder vaak publieke omroep versus commerciële omroep. De echte strijd is steeds vaker Nederlandse media versus mondiale technologieplatforms. 

Kijk naar de advertentiemarkt. In 2025 was de Nederlandse digitale advertentiemarkt ongeveer 4,4 miljard euro groot. Maar 83 procent daarvan kwam terecht bij mondiale spelers. Dat is meer dan 3,5 miljard euro aan digitaal advertentiegeld. Big Tech concurreert dus niet alleen met Nederlandse media om onze aandacht, maar ook om het geld waarmee Nederlandse media journalistiek, programma's en verhalen moeten betalen. En dat heeft gevolgen. 

Bij Nederlandse dagbladen komt inmiddels nog maar een beperkt deel van de omzet uit advertenties. Abonnementen worden belangrijker. 

Dat kan, maar slechts een relatief klein deel van de Nederlanders betaalt voor online nieuws. En dan ontstaat een ongemakkelijke vraag. 

Als hoogwaardige journalistiek steeds vaker achter een betaalmuur zit, terwijl gratis informatie onbeperkt via sociale media beschikbaar is: welke informatieomgeving ontstaat er dan voor mensen die niet kunnen of willen betalen? 

Ik wil niet naar een samenleving waarin de ene Nederlander betaalt voor journalistiek en de andere Nederlander is aangewezen op de feed. Daarom moeten we commerciële Nederlandse media niet behandelen als een noodzakelijk kwaad. Ze zijn onderdeel van onze democratische infrastructuur.  

Dat betekent niet dat we kritiekloos moeten zijn. Ook in Nederland is mediaconcentratie een serieus vraagstuk. Schaal is nodig om tegen internationale platforms op te boksen, maar te veel concentratie kan juist pluriformiteit aantasten. 

Daar zit precies de politieke opdracht: niet kiezen tussen markt of staat, maar voorwaarden scheppen waaronder verschillende verantwoordelijke spelers kunnen bestaan.

Lokaal: de publieke tribune
En dan wil ik één niveau noemen dat in Haagse mediadebatten soms te weinig aandacht krijgt: de lokale journalistiek. Wij politici kijken graag naar Nieuwsuur, niet geheel toevallig, want daar zitten wij zelf regelmatig in. Met wisselend succes – geef ik u direct toe. Maar democratie begint niet bij Nieuwsuur. 

Democratie gebeurt ook op dinsdagavond in een gemeenteraad, bij discussies over een nieuwe woonwijk, een school die sluit, de jeugdzorg, een windmolen, de lokale voetbalclub of een wethouder die zijn werk goed doet - of juist niet. 

Democratie heeft niet alleen gekozen volksvertegenwoordigers nodig. Democratie heeft ook iemand nodig die op de publieke tribune zit. Daarom vind ik het goed dat we de lokale publieke omroep versterken. Vanaf 2028 is structureel ongeveer 31 miljoen euro per jaar voorzien en wordt toegewerkt naar ongeveer tachtig professionelere streekomroepen in plaats van ruim tweehonderd vaak kwetsbare lokale organisaties. Schaal is nodig voor professionaliteit. 

Maar ook hier geldt: schaal mag nabijheid niet vernietigen. Een lokale omroep moet niet een soort NOS in het klein worden. Den Helder is geen Haarlem. Urk is geen Utrecht. Lokale journalistiek heeft waarde omdat zij geworteld is: de journalist weet waar de straat ligt waarover de gemeenteraad praat, kent de vereniging en wordt door inwoners gewoon in de supermarkt aangesproken. 

Dat is nabijheid. En nabijheid schept verantwoordelijkheid en vertrouwen.

Journalistiek: vrijheid én verantwoordelijkheid
Tot nu toe heb ik veel gesproken over wat politiek en overheid moeten doen. Maar ik wil ook iets van de journalistiek zelf vragen.

Want wie van journalistiek houdt, mag er ook iets van verwachten. Persvrijheid betekent dat politici zich niet met de inhoud van journalistiek moeten bemoeien. Maar persvrijheid betekent niet dat politici geen kritiek op journalistiek mogen hebben.

Ook journalistiek heeft te maken met de verleiding van snelheid en clickbait, met de dagelijkse politieke paardenrace, de behoefte aan conflict en het risico dat één tweet belangrijker wordt dan een ontwikkeling die maanden duurt. 

En ik zeg dat met enig eigenbelang. Want als Kamerlid kan ik een degelijk betoog houden over de toekomst van de zorg, maar als ik daarna in de wandelgang een ongelukkige zin uitspreek, kunt u raden wat er 's avonds online staat. Dat hoort bij het vak. 

Maar we moeten wel blijven nadenken over wat ons gezamenlijke informatieklimaat doet met onze democratie. Nederland staat er gelukkig relatief goed voor. Volgens het Digital News Report zegt ongeveer de helft van de Nederlanders nieuws in algemene zin te vertrouwen. Dat is internationaal relatief hoog. Dat moeten we koesteren. 

Tegelijkertijd zegt 34 procent nieuws soms of vaak bewust te vermijden. Dat vind ik misschien wel zorgelijker dan de zoveelste discussie over één nepbericht.

Want een democratie heeft zich niet alleen te verhouden tot burgers die verkeerde informatie geloven. Een democratie heeft ook een probleem wanneer burgers besluiten dat ze helemaal niet meer willen luisteren. 

En er is nog een paradox. Het CBS constateerde dat 72 procent van de Nederlanders in 2025 online informatie had gezien waarvan men dacht dat die niet waar was. Op sociale media gold dat voor 63 procent. Dus we halen steeds meer informatie uit een omgeving die we tegelijkertijd steeds minder vertrouwen. 

Daarom is professionele journalistiek geen luxeproduct. Het is een institutie van vertrouwen. Niet omdat journalisten altijd gelijk hebben, dat hebben ze niet - of omdat redacties geen politieke of culturele blinde vlekken hebben. Die hebben ze wel. 

Professionele journalistiek is waardevol omdat er normen gelden: bronnen worden gecontroleerd, hoor en wederhoor wordt toegepast, fouten kunnen worden gerectificeerd en uiteindelijk is iemand verantwoordelijk.  En daar komen we opnieuw bij dat woord: verantwoordelijkheid. 

AI: Wie gaat straks nog de straat op?
En dan AI. Ik hoef hier waarschijnlijk niemand meer uit te leggen dat kunstmatige intelligentie snel gaat. In 2025 had 61 procent van de Nederlanders generatieve AI al eens gebruikt. Onder Generatie Z was dat 89 procent. 

AI gaat dus niet over een verre toekomst. Het zit nu al in de telefoon, op kantoor, in zoekmachines, en waarschijnlijk heeft een enkeling in deze zaal er vanmiddag nog mee geprobeerd deze lezing samen te vatten voordat ik hem überhaupt heb uitgesproken. 

Voor journalistiek biedt AI enorme kansen. AI kan grote hoeveelheden documenten doorzoeken, data analyseren, vertalen en transcriberen, en journalisten helpen sneller patronen te ontdekken. Daar moeten we niet bang voor zijn. Maar er zit ook een fundamenteel economisch en democratisch probleem onder. 

Stel dat een journalist van een regionale krant naar een raadsvergadering gaat. Hij spreekt inwoners, belt de wethouder, controleert documenten en schrijft een artikel. Een AI-systeem leest vervolgens dat artikel, verwerkt de informatie en geeft mij rechtstreeks antwoord op mijn vraag. Handig. Maar als ik daardoor nooit meer de krant bezoek, nooit een abonnement neem en nooit een advertentie zie, ontstaat uiteindelijk een probleem.

De journalist maakt de informatie; de AI levert het antwoord. Maar wie betaalt straks de journalist? En nog fundamenteler: Een taalmodel kan uitstekend samenvatten wat er al bekend is. Maar uiteindelijk moet iemand nog de straat op. Iemand moet de bron bellen, bij de gemeenteraad zitten, in Oekraïne verslag doen, een Wooverzoek indienen en ontdekken wat nog níet op internet staat. 

Als iedereen de krant laat schrijven door machines die hun kennis uit kranten halen, moet uiteindelijk nog wel iemand uitzoeken wat er daadwerkelijk gebeurd is. Daarom moeten we bij AI niet alleen praten over innovatie. We moeten ook praten over auteursrecht en eerlijke vergoeding, over transparantie en herkenbaarheid van synthetische content, en over de economische basis onder menselijke journalistiek.

Wat moeten we doen? 
Dames en heren, Als ik alles wat ik vanavond heb gezegd terugbreng tot één gedachte, dan is het deze: Een democratie kan niet bestaan zonder een gedeelde publieke ruimte.  

Niet een publieke ruimte waarin iedereen hetzelfde vindt. Alsjeblieft niet. Maar wel een ruimte waarin we elkaar tegenkomen, waarin verschillende stemmen kunnen bestaan, waarin macht gepaard gaat met verantwoordelijkheid en waarin we nog enig idee hebben wie ons informatie geeft en waarom. 

Dat brengt mij tot vijf opdrachten.

Ten eerste: bescherm de pluriformiteit. 

Hervorm de publieke omroep, maar maak er geen staatsomroep van. Laat verschillende maatschappelijke geluiden zichtbaar blijven. Ook geluiden die ons ongemakkelijk maken. Trek grenzen waar journalistieke en wettelijke normen structureel worden overschreden zoals bij ON! maar stel daarna ook de vraag waar de mensen die dat geluid zoeken terechtkomen. 

Pluriformiteit vraagt niet om grenzeloosheid.  Het vraagt om verschil binnen een gedeelde verantwoordelijkheid.  

Ten tweede: zorg voor sterke Nederlandse publieke én commerciële media.

We moeten af van het idee dat publieke en commerciële media natuurlijke tegenstanders zijn. Ze hebben verschillende rollen, verschillende financiering en verschillende verantwoordelijkheden.

Maar ze hebben ook een gezamenlijk belang: dat Nederland een eigen media-ecosysteem houdt waarin Nederlandse verhalen, journalistiek en cultuur gemaakt kunnen worden.

Ten derde: zet Big Tech niet buiten de samenleving.  Bedrijven die feitelijk onze publieke ruimte organiseren, kunnen zich niet gedragen alsof zij slechts een neutraal prikbord aanbieden. Macht en verantwoordelijkheid horen bij elkaar.

Dat betekent eerlijke concurrentie, transparantie over systemen, bescherming van minderjarigen, naleving van Europese regels en een eerlijke verhouding tot de makers van de content waarop hun platforms draaien. Niet omdat technologiebedrijven slecht zijn.

Maar omdat geconcentreerde macht altijd tegenmacht en verantwoordelijkheid nodig heeft.

Ten vierde: investeer in journalistiek dichtbij. 

Een gezonde democratie begint niet in Den Haag. Lokale en regionale journalistiek zijn geen aardige aanvulling op het echte nieuws. Ze zijn het nieuws voor de plek waar mensen wonen. 

Daarom moeten schaalvergroting en professionalisering altijd gepaard gaan met lokale herkenbaarheid en journalistieke aanwezigheid.

En ten vijfde: bewaak de menselijke bron in het AI-tijdperk. 

Gebruik technologie, innoveer en experimenteer, maar zorg dat degenen die originele journalistiek maken daar ook van kunnen bestaan. 

Want zonder verslaggever is er geen bron, zonder bron geen betrouwbare AI en zonder betrouwbare informatie geen gezond publiek gesprek.

Tot slot.

Ik begon bij Groen van Prinsterer. 

Zijn wereld was natuurlijk totaal anders dan de onze. Geen televisie, TikTok, algoritmes of generatieve AI.  Maar de vraag die onder zijn politieke denken lag is verrassend actueel. Hoe zorgen we ervoor dat een vrije samenleving niet uiteenvalt in losse individuen enerzijds en geconcentreerde macht anderzijds? 

Zijn antwoord lag in sterke maatschappelijke verbanden: instituties waarin mensen verantwoordelijkheid dragen, gemeenschappen waarin verschil mag bestaan en een samenleving waarin vrijheid nooit helemaal losstaat van verantwoordelijkheid voor de ander. 

Volgens mij is dat ook een antwoord op onze mediavraag. We moeten niet terug naar de verzuiling. Maar we moeten ook niet naïef de organisatie van onze publieke ruimte uitbesteden aan een paar Amerikaanse en Chinese algoritmes. We moeten ruimte houden voor publieke én commerciële media, voor landelijke journalistiek én de verslaggever bij de gemeenteraad, voor gevestigde redacties én nieuwe makers. 

Er moet ruimte zijn voor verschil, debat en ongemak - maar altijd met verantwoordelijkheid. Want wij hoeven het niet allemaal met elkaar eens te worden. Dat zou een saaie samenleving zijn, en een ramp voor mijn beroep. 

Maar we moeten elkaar wel blijven tegenkomen. We moeten weten dat achter informatie iemand staat die aanspreekbaar is. En bovenal moeten we voorkomen dat pluriformiteit verwordt tot fragmentatie. Dat we niet langer van mening verschillen over dezelfde werkelijkheid, maar ieder onze eigen werkelijkheid voorgeschoteld krijgen.

Want een samenleving vraagt niet dat we hetzelfde denken. Wel dat we elkaar blijven zien, elkaar blijven horen en bereid zijn ons tot elkaar te verhouden. En precies daar ligt de opdracht voor onze media. Niet om ons te vertellen wat we moeten denken. Niet om verschillen glad te strijken. 

Maar om ervoor te zorgen dat we, ondanks al die verschillen, naar dezelfde samenleving blijven kijken. En, om in de juiste beeldspraak te blijven: Zorgen media ervoor dat we elkaar niet uit beeld verliezen.

Dank u wel. 

Lees
ver­der