19 juni 2026 1 minuten lezen

Hen­ri geeft lezing over armoe­de in Neder­land

Vrijdag 19 juni heeft onze politiek leider Henri Bontenbal een lezing gegeven tijdens het congres van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid met als thema armoede in Nederland.

Tijdens deze lezing ging Henri in op de rol van de samenleving in het bestrijden van armoede. Dit deed hij aan de hand van zijn eigen ervaringen uit zijn jeugd, omdat de wijze waarop je als politicus naar de samenleving kijkt mede wordt bepaald door je afkomst en ervaringen. 

Armoede is een veel complexer probleem dan een tekort aan geld.

Henri Bontenbal

Armoede wordt ook veroorzaakt door een gebrek aan hulpbronnen, namelijk het economisch, sociaal, cultureel en persoonskapitaal. Falen is daarom dus ook niet altijd je eigen schuld. Henri bespreekt op basis daarvan een christendemocratische aanpak van armoede.

Lees hier de hele lezing van Henri

Beste aanwezigen,

Wellicht kent u het boek ‘Ze hebben mijn vader vermoord’ van de Franse schrijver Édouard Louis. 

Het is een brief aan zijn vader. Zijn afgetakelde vader die na een bedrijfsongeluk in de fabriek niet meer kan werken, gescheiden is en eenzaam z’n dagen slijt voor de televisie. 

Het is een relaas over een jeugd van armoede, alcohol en huiselijk geweld. De spanning in het gezin is voelbaar, de tragiek komt op elke bladzijde op je af. 

Het boek is niet alleen een tragische beschrijving van levens die niet tot wasdom komen, maar ook een harde aanklacht tegen de politiek; tegen politici die de politiek zien als een spel, maar hun besluiten niet zelf voelen; tegen een politieke elite die neerkijkt op de werkende klasse.[i]

Wat me vooral trof in het boek was de typering van het leven van zijn vader als een leven van gemiste kansen; van een ‘negatief bestaan’, zoals hij dat noemt. 

Hij schrijft daarover het volgende: 

“Ik zou graag proberen iets onder woorden te brengen: als ik er vandaag over nadenk, heb ik het gevoel dat jouw bestaan een negatief bestaan is geweest; een bestaan dat jij niet wilde en dat jou niet wilde. Je hebt géén geld, je hebt níet kunnen studeren, je hebt níet kunnen reizen, je hebt je dromen níet kunnen verwezenlijken. De taal heeft bijna alleen ontkenningen om jouw leven te omschrijven. (…) Jouw leven bewijst dat we niet zijn wat we doen, maar daarentegen dat we zijn wat we niet hebben gedaan, omdat de wereld, of de samenleving, het ons heeft belet.”[ii]

Om de waarde van een mensenleven af te meten aan wat iemand gedaan heeft, doet het leven, denk ik, echt tekort. Je hebt niet pas een waardevol bestaan als je hebt kunnen studeren, reizen en dromen. 

Toch is die term, ‘een negatief bestaan’, me bijgebleven. Het drukt uit dat de volle potentie van een persoon niet tot wasdom is gekomen.

Vandaag wil ik met u een aantal gedachten delen over armoede. 

Hoe kunnen we er als samenleving voor zorgen dat zoveel mogelijk kinderen de kans krijgen om tot wasdom te komen?

Als politicus over armoede spreken is een gewaagde onderneming. De aanklacht van Édouard Louis maakte dat al duidelijk. Niet minder mals is Milo van der Kamp in zijn boek ‘Misschien moet je iets lager mikken’. Over politici zoals ik schrijft hij:

“Politici zijn steevast afgevaardigden van de middenklasse en elite en dienen nagenoeg uitsluitend de belangen van deze groepen. (…) Voor politici is armoede niets meer dan een gedachte-experiment, iets wat zij nooit zullen voelen. Voor hen is politiek een carrière, geen noodzaak. Door dit gebrek aan inlevingsvermogen herkennen mensen uit de lagere klasse hun werkelijkheid niet in de woorden van politici, waardoor ze geen stem hebben.”   

Geen malse kritiek; kritiek die ik me ook aantrek. Wellicht helpt het daarom om iets over mijn eigen jeugd te vertellen. Want de manier waarop je als politicus kijkt naar de samenleving wordt mede bepaald door je eigen afkomst en ervaringen in het leven. Hoewel je niet altijd ervaringsdeskundige hoeft te zijn om een politiek thema te kunnen agenderen.

 

Ik ben een kind van Rotterdam-Zuid en werd geboren als vierde in een groot gezin van acht kinderen, in de Rotterdamse wijk Vreewijk. Mijn moeder deed het huishouden, mijn vader werkte bij de Gemeente Rotterdam als cartograaf. 

Het grootste deel van mijn jeugd woonden we op een flat in de wijk Lombardijen, in een sociale huurwoning van een grote woningcorporatie. Met z’n tienen in een niet al te grote huurwoning betekende dat we de kamers moesten delen. Ik sliep met mijn broertje op één kamer, in een stapelbed. We hadden geen auto, dus we deden alles met de fiets. Ook als het vroor met min tien graden of de regen met bakken uit de hemel kwam. Handschoenen aan, regenpak aan en doortrappen. 

Mijn ouders hadden weinig geld voor hobby’s of uitjes. Merkkleding droegen we niet en kleding werd regelmatig doorgegeven van broer op broer.

Mijn moeder is de beste boekhouder die er is, want ze moest lange tijd elk dubbeltje omdraaien. Als je tegelijkertijd vier kinderen op de middelbare school hebt zitten, die alle vier studieboeken nodig hebben, dan moet je goed kunnen sparen. 

Werken deden we op zaterdag zodra dat kon, op je vijftiende. Mijn eerste baantje was bij een groenteboer, daarna ben ik nog fietsenmaker en postbode geweest. Met dat geld kon ik zelf kleding kopen en m’n hobby’s bekostigen. 

In ons gezin was er geen geld voor luxe. De zomervakantie was sober, het interieur was sober, de kleding was sober, het eten was sober. De maaltijd was meestal een volle pan met aardappels, groenten en, als we mazzel hadden, een gehaktbal. 

Er was geen geld voor dure merkkleding, maar wél geld voor muziekles. Dat was een keuze van mijn ouders, want muziekles vonden ze belangrijk. We mochten op muziekles op de Rotterdamse muziekschool, de SKVR, en daar maakte ik graag gebruik van. De gemeente zorgde ervoor dat mijn ouders vanwege hun beperkte inkomen een flinke korting kregen op het lesgeld. Ik ben de gemeente Rotterdam nog altijd dankbaar voor de investering die ze in mij hebben gedaan.

Als ik ons gezin langs de huidige armoedemeetlat zou leggen, dan zou ik zeggen dat we daar naar huidige maatstaven onder de armoedegrens zouden vallen of er tenminste dicht tegenaan zaten. Ik moet glimlachen als ik zie dat in de voorbeeldhuishoudens die het NIBUD gebruikt voor de berekening van de armoedegrens, de gezinsgrootte ophoudt bij drie kinderen. De tijden veranderen. 

Acht kinderen opvoeden met een beperkt inkomen is niet makkelijk. Toch zegt mijn moeder, als ik haar vraag of wij arm waren, dat we dat absoluut niet waren. Want we hadden elke dag te eten, een dak boven ons hoofd en er was liefde. Ik weet zeker dat er mensen in onze omgeving, in het sociale netwerk van mijn ouders, waren bijgesprongen als mijn ouders het niet meer zouden hebben kunnen rooien. Mijn ouders waren opgevoed met de gedachte dat je niet voor jezelf leeft, maar voor anderen. Ze cijferden zich weg voor hun kinderen.

 

Ik vertel dit verhaal omdat het mij een belangrijk perspectief op armoede heeft aangereikt. Armoede is – en dat weet u veel beter dan ik – een veel complexer probleem dan een tekort aan geld. Armoede wordt ook bepaald door een tekort aan hulpbronnen. Dan denk ik aan vier typen hulpbronnen, vier soorten ‘kapitaal’: economisch, sociaal, cultureel en persoonskapitaal.[iii] 

De reden dat mijn ouders zichzelf niet als arm beschouwden, was dat ze genoeg sociaal, cultureel en persoonskapitaal hadden. Ze hadden een sociaal netwerk dat hen te hulp zou schieten als het moeilijk werd en ze hadden een visie op het leven waarin zijzelf niet het centrum van de wereld waren. Dat stelde hen in staat om acht kinderen met succes tot volwassenheid te brengen. En zichzelf voor hun kinderen weg te cijferen. Ze hadden liefdevolle relaties en konden zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun gezin. Ze hadden bijvoorbeeld geen schulden.

Als we in de politiek over armoede spreken, dan gaat het al snel om armoede enkel in financiële zin. In het politieke debat gaat het dan over abstracte armoedecijfers die ons vertellen hoe de armoede in Nederland zich ontwikkelt.

Als we naar deze (financiële) armoedecijfers kijken, dan zien we het volgende beeld.[iv] Na een aantal jaren van afname is het aantal mensen in armoede weer iets gegroeid – naar 3,1% van de bevolking in 2024. Het aandeel kinderen in armoede bleef gelijk, namelijk op 2,8%.[v] In 2018, zes jaar eerder, was het aandeel van mensen in de armoede nog 7,1%. De armoede is dus in zes jaar meer dan gehalveerd. Europees gezien kent Nederland (heel) lage armoedecijfers.

De armoede is niet gelijk verdeeld. Opvallend is het grote aandeel alleenwonenden in de armoedecijfers. Zij kunnen moeilijker dan anderen het financieel rooien. Lageropgeleiden zijn ook vaker arm dan hogeropgeleiden. Nederlanders met een migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd in de cijfers. Van elke 100 kinderen in armoede hadden er 71 een hoofdkostwinner met een buitenlandse herkomst in 2024.

En niet te vergeten zijn er forse regionale verschillen. Gemeenten Vaals, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Groningen, Heerlen, Kerkrade, Diemen, Schiedam en Enschede vormen samen de top10 van gemeenten met het hoogste aandeel armen. Niet voor niets zijn het deze gemeenten die ook meedoen in het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid.

 

Deze cijfers zijn abstract, maar krijgen een gezicht in de talloze verhalen over concrete situaties waarin mensen zich bevinden. 

Voor mij werden deze verhalen concreet door het werk dat mijn vrouw deed als verloskundige in de Rotterdamse achterstandswijk Charlois. Ruim achttien jaar begeleidde ze moeders bij het krijgen van een kind. 

De verhalen die ze thuis vertelde gingen over moeders die vaak geen stevige basis hadden. Het waren verhalen over schulden, problemen met de huisbaas, relatieproblemen, huiselijk geweld en verslavingen. De kinderen die in deze gezinnen geboren werden, stonden vaak al met 2-0 achter.

Het was ook via het werk van mijn vrouw dat ik kennismaakte met het werk van prof. Steegers. Als gynaecoloog aan het Erasmus MC vergeleek hij de cijfers rond de geboorte in de verschillende wijken van Rotterdam. Hij ontdekte dat in Charlois de cijfers omtrent babysterfte, vroeggeboorte en een laag geboortegewicht veel hoger waren dan in andere wijken waar er minder armoede was. 

Vroeggeboorte en een lager geboortegewicht betekent voor een baby dat deze een significant hoger risico heeft op gezondheidsproblemen op latere leeftijd. Hij pleitte jaren geleden al voor ‘sociale verloskunde’, waarbij zorgverleners juist ook kijken naar de bredere situatie waarin een zwangere verkeert. Zijn er stressfactoren? Zijn er schulden, verslavingen of relatieproblemen? Is er een sociaal netwerk? 

In een recent onderzoek heeft prof. Steegers alle 20 NPLV-wijken vergeleken met het de rest van Nederland.[vi] Wat voor Rotterdam geldt, geldt ook voor andere kwetsbare wijken. In wijken met een hogere concentratie van lage inkomens, slecht onderhouden woningen en een groter gevoel van onveiligheid komen baby’s gemiddeld ongezonder ter wereld. Hier sprake van een vicieuze cirkel. In deze probleemwijken komen kinderen ter wereld die door de postcode waar ze geboren worden, meteen op achterstand staan. Die achterstand is moeilijk in te halen. 

 

Dat de eerste 1000 dagen cruciaal zijn voor de toekomst van een kind, weten we door de publicaties van Tessa Roseboom, hoogleraar Vroege Ontwikkeling en Gezondheid aan de UvA.[vii] De eerste duizend dagen van een kind zijn cruciaal voor de rest van het leven en de omgeving is een cruciale factor. “Voor de meeste veelvoorkomende aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, diabetes, longziekten, nierziekten, depressie en verschillende vormen van kanker blijkt een ongunstig verloop van de ontwikkeling in de eerste 1000 dagen het risico op deze ziekten te verhogen.”[viii]

Laat ik daar één concreet voorbeeld van geven. Het hart van een kind wordt gevormd tussen week 3 en week 8 van de zwangerschap en na deze periode worden er geen nieuwe hartspiercellen meer aangemaakt. De kwaliteit van het hart wordt dus bepaald door die paar weken tijdens de zwangerschap. Wat voor het hart geldt, geldt ook voor organen zoals de nieren, de longen, en de alvleesklier. Het risico op hartproblemen, nierproblemen, longproblemen en suikerziekte wordt dus mede bepaald tijdens zwangerschap. 

Dit voorbeeld maakt duidelijk dat het erg uitmaakt of je als kind in een gezonde, liefdevolle omgeving opgroeit of niet. Hebben je ouders stress, eten ze ongezond, roken ze, is de luchtkwaliteit slecht, hebben ze te weinig tijd om liefde en aandacht te geven? Dan is dat medebepalend voor de rest van je leven en de kansen die je krijgt.

Daarmee blijven deze ongelijkheden of achterstanden in stand en worden ze doorgegeven: ze zijn een gevolg, maar ook weer een oorzaak van het voortbestaan van achterstanden, ongelijkheid of armoede in brede zin. Wie in de laagste sociale groepen zit, mist vaak de hulpbronnen om een trede hoger te komen. Het gaat dan niet alleen om de financiële hulpbronnen, zoals voldoende inkomen, werk en een dak boven het hoofd, maar ook om cultureel kapitaal zodat je mee kunt doen, de taal spreekt en de gewoonten kent die in de andere sociale groepen wordt gebezigd. 

Je kunt je wel ontworstelen aan schulden en armoede en een goede studie afronden, maar dan nog merk je dat je een buitenbeentje bent. Je spreekt ‘hun’ taal niet, je kleedt je anders, je hebt andere interesses. Cultureel kapitaal is belangrijk om je makkelijk in verschillende groepen te kunnen bewegen. Door het ontbreken van dat culturele kapitaal lopen kinderen uit arme gezinnen een grotere kans om een te laag schooladvies te krijgen en dat verkleint weer hun kansen op een goede studie en baan. 

Armoede in de brede definitie kent dus niet alleen individuele oorzaken, maar wordt vaak ook van generatie op generatie doorgegeven. Hoe doorbreken we die keten?

 

Het begint ermee dat we inzicht hebben in het complexe samenspel tussen de oorzaken en gevolgen van gebrek aan financiële middelen, aan netwerk en (private) hulp, aan steunende sociale omgeving, aan gezonde leefomgeving. Het gaat dus om een combinatie van economische, institutionele, culturele en individuele factoren, die steeds met elkaar samenhangen.

We zien dit ook duidelijk terug in de cijfers over de verschillende sociale groepen die het SCP in haar rapport ‘Eigentijdse ongelijkheid’ beschrijft. In sommige delen van de samenleving valt het kwartje steeds de verkeerde kant op. Er is een lager dan gemiddeld inkomen, de gezondheid is slechter, het gemiddelde opleidingsniveau is lager, de kwaliteit van de huisvesting is lager, het vertrouwen in instituties en met name de politiek is lager. 

6,3% van de Nederlanders behoort tot een sociale groep (het ‘precariaat’) waarin alle vier de kapitalen - economisch, sociaal, cultureel en persoonskapitaal – laag scoren. Deze groep is minder tevreden over het leven en voelt zich buitengesloten. We zien soms in één gemeente grote verschillen tussen wijken in gezonde levensjaren, terwijl er de afstand hemelsbreed maar een kwartier fietsen is. Delen van Rotterdam-Zuid zijn daar een goed voorbeeld van. 

Armoede gaat daarnaast meestal gepaard met schaamte, want armoede wordt vaak gezien als ‘je eigen schuld’. Deze schaamte leidt ertoe dat mensen te laat hulp vragen, zich in een isolement terugtrekken en de problemen meestal alleen maar groter worden. Terwijl hoe eerder hulp wordt geboden, hoe minder de problemen zich opstapelen.

 

Hier wreekt zich wat filosoof Michael Sandel de ‘tirannie van verdienste’ heeft genoemd. Het is de gedachte dat als je maar hard genoeg werkt, je vanzelf succesvol wordt. Succes is in dit meritocratische denken je eigen verdienste en falen je eigen schuld. 

Nu wil ik allerminst de eigen verantwoordelijkheid van mensen bagatelliseren, maar we kunnen niet om de wetenschap heen dat sommige mensen veel meer moeite moeten doen om iets van het leven te maken dan anderen. De kansen in het leven worden simpelweg niet eerlijk uitgedeeld. 

Sandel schrijft: “Een volmaakte meritocratie verdrijft echter alle besef dat het goede waarvan we genieten een geschenk is, of een genadeblijk, en dat vermindert ons vermogen om onszelf te zien als mensen die allen hetzelfde lot delen. Een perfecte meritocratie laat weinig ruimte voor de solidariteit die kan ontstaan wanneer we ons realiseren hoe lukraak talenten worden uitgedeeld en hoe willekeurig het lot ons kan begunstigen of zwaar kan treffen.”

 

Dat succes niet altijd je eigen verdienste en falen niet altijd je eigen schuld is, laat zich goed illustreren aan de hand van het onderzoek dat gedaan is naar de invloed van armoede, schaarste en stress op het functioneren van het brein. 

Een gebrek aan tijd of geld neemt ons denken zodanig in beslag dat er minder mentale ruimte, minder cognitieve capaciteit overblijft voor andere zaken. Dat leidt tot tunnelvisie en minder verstandige beslissingen.[ix] Schaarste leidt tot een grotere focus van het brein op het probleem, maar de consequentie is dat de andere doelen, overwegingen en problemen buiten beeld raken. Tunnelvisie en korte termijn focus zijn het resultaat. En dat is niet iets wat bij sommige mensen gebeurt; dit kan ons allemaal overkomen.

Schaarste leidt tot een kleinere mentale bandbreedte. Mensen die zich zorgen maken over geld of schulden hebben, missen dus de mentale ruimte om verstandige, overwogen beslissingen te nemen. Nadja Jungmann, bijzonder hoogleraar en lector schuldenproblematiek, schrijft daarover: 

“Geldzorgen leiden zo dus tot een geringer mentaal vermogen. De effecten daarvan zijn ingrijpend. Een verminderd mentaal vermogen heeft invloed op uiteenlopende gedragingen, zoals geduld, tolerantie, aandacht, en toewijding, maar ook op het geheugen. Het leidt tot onverstandige beslissingen, onzorgvuldigheid, afwezigheid, impulsiviteit, kortzichtig gedrag en het maken van fouten.”[x]

Armoede beïnvloedt dus de keuzes die we maken. Financiële zorgen kunnen leiden tot stress en stress kan leiden tot ongezond eten, minder aandacht voor de kinderen en korte termijnbeslissingen. Deze drie gevolgen zijn weer de oorzaak van een slechtere gezondheid, gedragsproblemen bij kinderen en het aangaan van problematische schulden. De problemen verknopen zich.

Er wordt nog weleens gesteld of gedacht dat mensen in armoede dat aan zichzelf te danken hebben doordat ze onverstandige keuzes maken. Dat is dus echt te simpel. Deze inzichten laten zien dat ieder mens in stressvolle situaties onverstandige beslissingen kan nemen. Het relativeert wat mij betreft dus ook de focus op zelfredzaamheid. Mensen met schulden hebben hulp nodig om hun mentale bandbreedte weer te verruimen, zodat zij zelf weer verstandige beslissingen kunnen nemen.

 

De inzichten die ik met u gedeeld heb, zijn niet nieuw en eerder door anderen naar voren gebracht. Bijvoorbeeld door Tim ’s Jongers in zijn boek over armoede. 

Het is, denk ik, daarom nuttig om nog een niveau dieper te graven en ook te kijken naar onderliggende mens- en maatschappijvisies. Ik noemde zojuist al het meritocratisch denken. Dat denken is een uitvloeisel van de sterke nadruk op zelfontplooiing en individualisme dat ik vooral terugzie in de politieke filosofie van het liberalisme. Het liberale mensbeeld legt een te grote nadruk op de eigen keuzes en de eigen vrijheid. Het miskent dat mensen op allerlei manieren ingeweven zijn in een sociaal weefsel, in een weefsel van relaties; allereerst de relaties met de gezinsleden en de familie, maar ook met de ruimere omgeving van de school, het werk, de vereniging. 

Geen mens is een eiland. We zijn geen individuen, maar personen. Het liberale mensbeeld leidt teveel tot competitie tussen mensen, terwijl de mens allereerst aangelegd is op coöperatie. Niemand kan zichzelf tot mens maken, niemand kan zonder anderen een positief bestaan opbouwen, niemand kan zichzelf uit het moeras van armoede trekken. Daar hebben we elkaar voor nodig.

Tegelijkertijd is het alternatief voor dit liberale mensbeeld niet een overheid die alle gaten moet en kan dichtlopen. De overheid kan niet van wieg tot graf een zeker en zorgeloos bestaan garanderen. Zij kan nooit de rol vervullen die de samenleving idealiter vervult. 

De opbouw van de verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog leidde tot een verstatelijking van wat vroeger de ‘charitas’, de liefdadigheid, was. Daar hoeven we niet naar terug te verlangen, maar we kunnen de overheid nooit de rol geven die de samenleving heeft. De overheid zal immers maar beperkt maatwerk kunnen bieden en zal zonder aanziens des persoons moeten handelen. Vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid is maatwerk maar beperkt mogelijk. De toegenomen wens om maatwerk te leveren, heeft het overheidshandelen complex, onvoorspelbaar en ontoegankelijk gemaakt. 

Maar ‘met aanziens des persoons’ handelen is precies wél wat de samenleving kan doen. De samenleving kan hulp bieden zonder ingewikkelde formulieren te vragen. 

Een christendemocratische aanpak van armoede zal daarom altijd beginnen vanuit de volgende drie aan elkaar verwante vragen:

  • Hoe kunnen we het sociale weefsel zo versterken dat mensen daarin ingebed zijn en daarvan hulp kunnen verwachten?
  • Hoe kunnen we maatschappelijke organisaties een belangrijke rol geven en blijven geven in de bestrijding van armoede?
  • Hoe kunnen we mensen altijd weer zelf in positie brengen om verantwoordelijkheid voor het eigen leven en van hun naasten te nemen?

Deze vragen geven richting aan het handelen van de overheid, namelijk het sterker maken van de samenleving en mensen helpen om hun eigen verantwoordelijkheid weer op te kunnen pakken.

 

Ik sluit daarom af met een aantal concrete voorstellen en voorbeeld waarop de overheid de komende jaren kan werken aan het terugdringen van de armoede in Nederland. Dat doe ik in het besef dat ook de aanpak van armoede in ons land niet volledig maakbaar is. Het zal een zoektocht blijven. 

Het begint met een overheid die voldoende werkgelegenheid in ons land bevordert, want werk is nog altijd de beste manier om grip op het eigen leven te houden en uit de armoede te komen. Het werk moet menswaardig en voldoende zijn om van rond te komen. Het is daarom goed dat de overheid flexbanen en nulurencontracten terugdringt. Werk mag immers geen bron van grotere onzekerheid zijn. 

Nog te vaak worden Nederlanders met een migratieachtergrond gediscrimineerd op de arbeidsmarkt. Daar moeten we snel een einde aan maken.

Door te investeren in ouderschapsverlof investeren we in een betere balans tussen werk en gezin. Het werk van Tessa Roseboom laat zien dat het investeren in een goede band tussen ouders en hun pasgeboren kinderen enorm loont. 

Investeren in sterke gezinnen is cruciaal. Daarom hebben we als CDA in het coalitieakkoord ingezet op extra geld voor de kindregelingen, die we ook eenvoudiger willen maken. Willen we armoede structureel aanpakken, dan moeten we beginnen bij de kinderen. Zij moeten een kansrijke start krijgen.

Veel mensen hebben een toeslag nodig op het inkomen om rond te kunnen komen, maar het aanvragen van deze toeslagen is een flinke drempel. Daarom moeten we gaan toewerken naar het automatisch uitkeren van toeslagen, zonder het risico op terugvorderingen. 

Huisvesting is een andere belangrijke randvoorwaarde. Via regulering moet de kwaliteit van woningen op peil worden gebracht. Dat gebeurt onder andere door woningcorporaties te verplichten hun woningen te verduurzamen. Dat verbetert de kwaliteit en energiezuinigheid van woningen.

De overheid is daarnaast ook medeverantwoordelijkheid voor de veiligheid en sociale cohesie in kwetsbare wijken. Sommige wijken trekken door de kwaliteit van de woningen vooral statushouders en arbeidsmigranten aan. Een hoge concentratie van arbeidsmigranten in kwetsbare wijken betekent dat het sociale weefsel in de wijk kwetsbaar blijft. Dat raakt alle bewoners in de wijk.

De overheid zal ook de schuldenindustrie aan banden moeten leggen. Kleine schulden kunnen tot forse vorderingen en boetes leiden en gezinnen nog verder in de ellende storten. Het is hoog tijd dat de overheid deze sector gaat reguleren.[xi] Te vaak worden mensen die al in de ellende zitten, nog verder in de ellende geduwd.[xii]

Dat betekent ook dat de overheid zelf niet bijdraagt aan het vergroten van schulden. Dan denk ik aan de enorme verhogingen die in rekening worden gebracht als een verkeersboete niet op tijd wordt betaald. Bij een eerste aanmaning komt er 50% bovenop en bij een tweede aanmaning een verhoging van 100%. Ik vind dat absurd en het raakt vooral mensen die toch al in de schulden zitten.

Investeren in onderwijs is ook een overheidstaak. Daar trekt dit kabinet extra geld voor uit, bijvoorbeeld voor de financiering van de Rijke Schooldag en het investeren in voor- en vroegschoolse educatie. Hoe vroeger we beginnen met het inhalen van achterstanden, hoe beter.

Via het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid kan het Rijk de meest kwetsbare wijken in Nederland langjarig helpen om uit de negatieve spiraal te komen. In het NPLV worden de verschillende bronnen van armoede integraal aangepakt, zoals huisvesting, werk, veiligheid en onderwijs. 

In de gezondheidszorg blijven we inzetten op het Programma Kansrijke Start. Het is een belangrijk programma waarin we juist investeren in de eerste 1000 dagen van het kind. Gemeenten en maatschappelijke initiatieven spelen daarin een cruciale rol. Zwangere vrouwen in kwetsbare situaties worden geholpen met schulden, verslavingen, gezondheid en huisvesting. Zo kunnen moeders met schulden op sommige plekken al in het huisartsencentrum terecht bij iemand van de schuldhulpverlening. Ook worden zwangere vrouwen geholpen met een steviger sociaal netwerk, bijvoorbeeld door ze met lotgenoten in contact te brengen. Programma’s als Centering Parenting en Centering Pregnancy kunnen daarbij helpen.

Maar we zullen ook ongezond leven sterk moeten ontmoedigen. Het CDA wil de leeftijdsgrens voor roken verhogen en de tabaksindustrie mee laten betalen aan de kosten van preventie. 

De financiële weerbaarheid van huishoudens moet verbeterd worden door het introduceren van een Nationale Betaaldag waarop alle salarissen, toeslagen en inkomensregelingen worden gestort. Hiermee wordt het huishoudboekje voorspelbaar. Betalen op krediet – buy now, pay later – moeten we aan banden leggen. 

Maar de overheid kan het niet alleen. Sterker nog: we zullen, wat het CDA betreft, een veel groter beroep moeten en kunnen doen op de samenleving zelf, op maatschappelijke organisaties, verenigingen en kerken. 

In de samenleving zelf zijn er tal van initiatieven waarin mensen hulp bieden bij het invullen van formuleren, het oplossen van problematische schulden en het helpen bij solliciteren. 

Laten we ook zuinig zijn op de rol die kerken spelen in het bestrijden van armoede. De overheid vraagt mensen om formulieren alvorens hulp te bieden, de kerk vraagt bij het bieden van een gratis maaltijd alleen naar de dieetwensen en verder niets.[xiii]

Een mooi voorbeeld vind ik het initiatief ‘Buurtgezinnen’. Buurtgezinnen koppelt gezinnen die steun kunnen gebruiken aan een stabiel gezin in de buurt. “Zo krijgen kinderen wat extra liefde en aandacht en worden ouders ontlast.”[xiv] Er zijn talloze vergelijkbare voorbeelden.

We moeten niet te snel zeggen dat deze initiatieven ‘helaas’ nodig zijn omdat de overheid het laat afweten. Nee, we moeten het omdraaien: de samenleving pakt hier de rol die ze behoort te hebben. Hulp bieden kan de overheid echt minder goed dan mensen onder elkaar.

 

Ik rond af. Ik mis nog één schakel in het verhaal. Want een samenleving kan haar taak pas echt goed oppakken als zij niet zelf onder druk staat. Laten we eerlijk zijn: die samenleving staat inderdaad onder druk. De Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) sloeg recent alarm: “we leven in een ‘hypernerveuze samenleving’ waarin prestatiedruk, versnelling en individualisme zijn doorgeschoten en het welzijn van jong en oud ernstig bedreigen”, aldus de Raad.[xv] Een sociaal-culturele verandering is daarom nodig; een verandering van een hypernerveuze samenleving naar een weerbare samenleving die gestoeld is op een groter verhaal en een andere mens- en maatschappijvisie. 

Dank voor uw aandacht.


 

[i] https://www.nrc.nl/nieuws/2018/10/25/politiek-gaat-over-leven-en-dood-a2752770

[ii] Edouard Louis, Ze hebben mijn vader vermoord, p. 28

[iii] Dit zijn de kapitalen die het SCP hanteert in het rapport Eigentijdse ongelijkheid: https://www.scp.nl/publicaties-scp/2023/03/eigentijdse-ongelijkheid

[iv] https://longreads.cbs.nl/leven-in-armoede-2025/hoeveel-mensen-zijn-arm

[v] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/51/stijging-armoede-na-vijf-jaar-daling

[vi] https://www.nrc.nl/nieuws/2026/06/04/in-een-slechte-wijk-staan-babys-en-hun-moeders-meteen-al-met-2-0-achter-en-het-werkt-in-alles-door-blijkt-uit-onderzoek-a4929198

[vii] Tessa Roseboom, Gelijk goed beginnen – Succesvol bouwen aan de basis voor gezonde generaties, De Tijdstroom 2022

[viii] Idem, pag. 25

[ix] Zie voor een bespreking van het boek: https://www.socialevraagstukken.nl/recensie/schaarste-hoe-gebrek-aan-tijd-en-geld-ons-gedrag-bepalen

[x] https://nadjajungmann.nl/wp-content/uploads/2022/05/Jungmann-N.-Wesdorp-L.P.-Duinkerken-G.-2015.-De-eindjes-aan-elkaar-knopen.-Den-Haag-Vereniging-Nederlandse-GemeentenPlatform31.pdf

[xi] https://fd.nl/samenleving/1551484/de-schuldenindustrie-kost-miljarden-per-jaar-wat-is-daaraan-te-doen

[xii] Zie ook: https://www.tijdschriftcdv.nl/inhoud/tijdschrift_artikel/CD-2022-4-15/CDA-moet-eigen-visie-op-bestaanszekerheid-meer-laten-horen

[xiii] https://www.trouw.nl/religie-filosofie/de-kerk-is-helemaal-terug-als-armoedebestrijder-de-overheid-slaat-geen-arm-om-je-schouder~bc2985a5

[xiv] https://www.buurtgezinnen.nl

[xv] https://www.raadrvs.nl/actueel/nieuws/2025/09/29/breng-de-hypernerveuze-samenleving-tot-rust

Lees
ver­der