15 april 2024

Tientje

Deze week was ik op uitnodiging van de EVP-fractie in het Europees Parlement. Na jaren van politieke stilstand heeft het een enorm belangrijke stap gezet voor de gezamenlijke aanpak van de Europese asiel- en migratiecrisis. Negen jaar na de vluchtelingencrisis van 2015 ligt er nu eindelijk een nieuw beleid dat een einde maakt aan de chaos aan onze buitengrenzen. De EVP en het CDA zijn altijd aan de onderhandelingstafel blijven zitten om onze grenzen én waarden te verdedigen.

Na afloop wandelde ik terug richting metro toen ik langs de Sint Niklaaskerk liep, de oudste nog bestaande kerk in Brussel. In 1174 wordt de kerk al vermeld in archieven. Tot 1376 was er een grote klokkentoren die dienst deed als belfort, maar het stortte in. De kerk dat zich tussen de beurs en de grote markt bevindt, is scheef gebouwd, dit komt waarschijnlijk door een beekje dat zich dicht bij de kerk bevond. Het koor is het oudste stuk van de kerk, maar het bevat nog andere meesterwerken zoals schilderijen van Jean van Orley en ook van een leerling van de Vlaamse schilder Rubens.

Ik besloot naar binnen te gaan waar zojuist een dienst was. Na afloop verkeerde ik in een staat van een gemoedstoestand die gekenmerkt werd door intense vreugde toen ik het godshuis verliet en weer op straat stond.

Voor de deur zat een man in een vale jas en in zijn hand een oude gleufhoed. Hij bedelde en had een goede plaats uitgezocht, want de mensen die de kerk verlieten waren meer dan anders met het lot van de berooide begaan. Ik kon dit ook bij mijzelf waarnemen, want zodra ik de man opmerkte en zijn nederige bedoelingen overzag tastte ik in mijn jaszak en wierp een briefje van tien zonder aarzeling in zijn hoed.

Que Dieu vous bénisse, monsieur (God zegene u meneer), sprak de man toepasselijk. Men stapt veerkrachtiger na zo’n daad. Een royale gift van tien euro verleent voor even dispensatie van die onbestemde wroeging. Ik floot dan ook een vrolijk deuntje toen ik naar de metrohalte tegenover de kerk liep. In België heeft elk metrostation een naam dat rijk is aan geschiedenis: Politici, oorlogshelden, blauwbloeden, artiesten of mensen die hun naam toevallig aangewezen krijgen. De regen die opeens meedogenloos neerstroomde deerde mij nauwelijks. Straks zou ik droog zitten naar het station Brussel Centraal en vandaar de trein terug nemen naar Nederland.

Sommige gedachten maken een mens nerveus. Ik werd plotseling vuurrood, tastte in mijn zak en wist toen zeker dat ik mijn laatste tientje aan die man had gegeven. Ik had wel een retour voor de trein, maar geen metrokaartje in mijn zak. Van een ritje zou nu niet veel komen, aangezien conducteurs in België geen gratis ticket de métro verstrekken. Minder veerkrachtig dan zo-even stak ik de straat over. Het fluiten liet ik achterwege.

‘Que Dieu vous bénisse’, sprak de man – deze keer niet tegen mij, maar tegen een vrouw die ook iets in de hoed had geworpen. Ik ging in het portaal staan en dacht na over de wijze waarop ik een deel van mijn tientje zou kunnen terugvragen. Hij kon het best missen, want ik zag dat er naast muntgeld ook heel wat briefjes in zijn hoed lagen.

Toen de laatste bezoeker de kerk had verlaten liep ik naar hem toe. Mij herkennend gleed er een sentimenteel lachje over zijn gezicht, alsof hij wilde zeggen: ‘Ja meneer hier zit ik dan, nog altijd mijn karig deel te vergaren’. Ik knikte hem toe maar niet met het gezicht van de weldoener. De bakens waren verzet. Ik keek naar hem met de vertrouwelijkheid van een lotgenoot, maar veel begreep hij er niet van. Ik zag hoe hij de briefjes en de centen in zijn zak stak. ‘Goede oogst? ’vroeg ik op de zakelijke toon van de geïnteresseerde vakgenoot. Beverig antwoordde hij in half Frans, half Belgisch: ‘Ah monsieur, ik ben al rapidement tevreden.’

Ik besloot er niet langer omheen te draaien en zette aarzelend mijn probleem uiteen. De oplossing -teruggave van de helft- liet ik beleefd aan hemzelf over.

De uitwerking van mijn verhaal was teleurstellend. Zodra hij begreep wat ik bedoelde, nam zijn gezicht de uitdrukking aan die men ook kan waarnemen bij winkeljuffrouwen als men wil ruilen zonder bon. Hij veranderde geheel. Niets was er over van de breekbare grijsaard die zo-even Gods zegen voor mij had afgesmeekt. Koeltjes zei hij: ‘Maar allez monsieur, kunt gij dan niet marcher?’

‘Het is zo’n eind,’ zei ik. ‘En dan met die regen’. ‘Amai, we moeten er allemaal door he’, het is niet elke dag zon monsieur’. Het gesprek raakte in een impasse, maar ik bleef volhouden. Langzaam stak de man de straat over en haalde zijn fiets uit een portiek. ’Allez, gij kunt achterop als gij wilt,’’ sprak hij. ‘Ik moet toch cette direction.’

Dat heb ik gedaan. Toen ik voor het station druipnat van de fiets sprong en hem woorden van dank toeriep, maakte hij een achteloos gebaar en verdween zwijgend in de verte. Morgen zal hij er weer zitten – amai, zeker en vast!

Landelijk/​Provinciaal

De twaalf provinciale afdelingen vormen de schakel tussen de gemeentelijke afdelingen en het landelijke bestuur.